Dan moest hij ook maar winnen

4 november 2008 in Fishhawk Ranch, Florida. (AP)

Bart Jan Spruyt, verklaard conservatief, was de afgelopen week in Washington. Tegen beter weten in hoopte hij op een overwinning voor McCain. Met lede ogen zag hij de opwinding groeien voor die andere kandidaat. „Obama bezit een geweldig retorisch talent om de behoefte aan verandering te benoemen zonder dat nodig is om te zeggen waaruit die verandering zou moeten bestaan.”

Whit Stillman (1952) is de schepper van een klein maar bijzonder oeuvre van drie films. ’Metropolitan’ (1990), dat werd genomineerd voor een Oscar, ’Barcelona’ ( 1994) en ’The last days of disco’ (1998). In Stillmans films zit weinig actie, er wordt vooral in geconverseerd. En al die conversaties getuigen van een meer dan gewone gevoeligheid voor het belang en de kwetsbaarheid van oude gewoonten en tradities.

Die zijn niet voor niets uitgevonden en vastgelegd. Blijkbaar voorzien ze in een tamelijk tijdloze behoefte van mensen om het leven te beschaven en tegen ruwheid en botheid te beschermen. Maar in bepaalde sociale en culturele omstandigheden kunnen die zeden zomaar weer verdwijnen. Als er ergens een wissel is omgezet, is er geen houden meer aan. In Stillmans films lopen dan ook nogal wat mensen rond die een teloorgang voelen aankomen, en ze zijn er nog niet zo zeker van dat datgene wat er voor in de plaats komt beter zal zijn dan dat wat verdwijnt.

In ’Metropolitan’, bijvoorbeeld, gaat het om het leven van een groep mensen uit de upper class van Manhattan. Ze wonen netjes aan de Upper East Side, en ze begeven zich aan het einde van het jaar van het ene feestje naar het andere. Terwijl sommigen helemaal niet doorhebben dat hun levensstijl de uitholling van een oud ideaal is (het ideaal van de WASP, de White Anglo-Saxon Protestant, in de film aangeduid als de urban haute bourgeoisie) voelen anderen aan dat zij de laatste generatie vertegenwoordigen van een oude cultuur, die nu tot falen is gedoemd. Eenzame moeders en afwezige vaders belichamen dit verval.

Er zijn Amerikaanse conservatieven die denken dat Obama’s overwinning als het ware de uitkomst is van deze bange voorgevoelens uit de jaren negentig. En wat is ervoor in de plaats gekomen?

Ik was deze week in Washington. En toen ik in de verkiezingsnacht naar mijn hotel liep, reden auto’s toeterend door de straten, zwaaiden mensen met vlaggen en scandeerden zij de naam van Barack Obama. Bij het Witte Huis raakte ik een grote groep mensen verzeild die aan de hekken stonden te rukken. Ze riepen „Go home!” en „Go back to Texas!”, en de bewoner van dat Witte Huis spraken ze aan met woorden die op de Amerikaanse televisie steevast door een piepje worden vervangen.

Toch hing er geen vervelende, agressieve sfeer. Iedereen was uitgelaten vrolijk, iedereen scheen met ieder ander een bijzonder gevoel te willen delen, het gevoel een werkelijk historisch moment mee te maken. Na jaren van gevangenschap waren zij in de vrijheid gesteld, donkere wolken waren in één verkiezingsavond verdreven. Wat lonkte was een nieuwe wereld van licht en hoop waarin alle tegenstellingen zouden zijn overwonnen.

Vreemd genoeg had ik zelf helemaal niet het gevoel op het juiste moment op de juiste plaats te zijn. Het enthousiasme van al die mensen in Washington, van de honderdduizenden in Chicago bij Obama’s acceptance speech en elders in de Verenigde Staten, de mensen in Kenia en elders op de wereld, was ongekend, zonder precedent. Dit enthousiasme, deze irrationele bevlogenheid, heeft sterk religieuze trekken. Obama is niet zo maar een politicus, maar de stichter van een nieuwe politieke theologie.

Ik had voorzichtig gehoopt op een overwinning voor McCain. Gewoon omdat ik vragen heb bij Obama’s radicaal-linkse affiliaties, en vooral bij het feit dat we daar niets van mogen weten. Omdat hij de helft van de Amerikaanse bevolking schoffeerde door te zeggen dat ze uit verbittering naar hun wapens en religie grepen (ongelooflijk dat de campagne van McCain hem dat niet iedere dag heeft ingewreven). Omdat ik liever een politicus heb die welvaart wil laten verdienen dan een politicus die zegt dat hij die welvaart wil herverdelen. En omdat ik in de omgang met groepen die ons tot hun vijand hebben uitgeroepen, liever te maken heb met iemand die begrijpt dat die confrontatie een zaak van leven of dood is, dan met iemand die wil blijven praten, onvoorwaardelijk. En omdat ik sowieso het idee heb dat militaire commandanten, evenals een minister van defensie, op een andere manier in het leven staan dan gewonere stervelingen, omdat ze over leven en dood hebben moeten beslissen. (Daar zou eens een boek over moeten komen.)

Toen ik begin vorige week in Amerika aankwam, werd mij al snel duidelijk dat een overwinning van McCain een illusie was. De stemming in het land was zeer beslist en radicaal tegen alles wat er de afgelopen jaren was gebeurd, de oorlogen, de leugens, de kredietcrisis – vooral dat laatste. Het land verlangde niet naar verandering, nee het smachtte, het hijgde naar verandering, het eiste verandering.

Midden in Washington is een klein winkeltje met politieke parafernalia. In de etalage hingen T-shirts van McCain en Palin in de aanbieding: twee voor de prijs van één. Ik heb een uurtje bij de ingang rondgehangen en zag tientallen mensen met Obama-shirts en Obama-petjes naar buiten komen. De eigenaar vertelde me dat het shirtje van McCain en Palin niet onlangs, maar al wekenlang in de aanbieding was.

Bij zoveel overweldigende opwinding voor een geheel nieuwe kandidaat, een man wiens naam we pas anderhalf jaar kennen maar die een geweldig retorisch talent bezit om die behoefte aan verandering te benoemen zonder dat nodig is om te zeggen waaruit die verandering zou moeten bestaan, moest hij dan ook maar winnen. Wie zou de desillusie en de verbittering kunnen beschrijven die de VS nog tijdenlang in hun greep zouden hebben gehouden bij zijn verlies?

Hoop kon er alleen maar zijn op een eervolle nederlaag voor McCain. Ik had uitgerekend dat de uitslag wel eens 375 tegen 163 kiesmannen kon worden, en het is inderdaad in die buurt uitgekomen, met een versterkte meerderheid voor de Democraten in zowel het Huis als de Senaat, en een gerede kans dat ook het Hooggerechtshof in de nabije toekomst van kleur zal verschieten.

Maar McCains speech maakte de roemloze nederlaag in ieder geval eervol. Zijn grootmoedige toespraak ontroerde mij meer dan die van Obama.

Het blijft iets raadselachtigs houden dat een man die voor wapenbezit en de doodstraf is en tegen het homohuwelijk, in Europa, en vooral ook in Nederland, zo’n enthousiast onthaal vindt. Dat een man die al heeft aangekondigd dat hij de oorlog in Afghanistan wil opvoeren en daarbij ook een inzet van Europese soldaten verwacht, toch als een vredebrenger wordt gevierd. Dat van hem soevereine ingrepen worden verwacht die een einde aan de kredietcrisis zullen maken. Waarschijnlijk duurt het niet lang meer of Obama persoonlijk gaat het gat in de ozonlaag dichten.

Bij zulke hoge verwachtingen en een lege staatskas, is het maar het beste gewoon eens af te wachten waarmee Obama straks op de proppen komt.

Minstens zo spannend als de ontwikkelingen in het Democratische kamp zijn die bij de Republikeinen. In 2004 kreeg George W. Bush 62 miljoen stemmen, John Kerry 59 miljoen. Deze week kreeg Obama 62 miljoen stemmen en McCain 55 miljoen. Die cijfers verraden dat McCain grote problemen had met de basis van de Grand Old Party.

De coalitie die de achterban van de Republikeinse Partij vormt, of vormde, is in een periode van tientallen jaren zorgvuldig opgebouwd. Na het echec met Barry Goldwater (die in 1964 door Lyndon B. Johnson werd weggevaagd) voltrok zich een grote omslag in de Amerikaanse politiek. In 1972 maakte de Republikein Richard Nixon gehakt van zijn Democratische tegenstander George McGovern. Nixon won negenenveertig van de vijftig staten. Wat was er in die periode gebeurd?

Nixon was geen conservatief, maar hij begreep dat hij het wijdverbreide antiliberale sentiment in de Amerikaanse samenleving kon omvormen tot een machtsfactor van beslissend belang. Door een politiek van ’positieve polarisatie’ wist Nixon een meerderheid van rustige en gewone, patriottische en religieuze, gezagsgetrouwe Amerikanen te mobiliseren tegen een luidruchtige elite van amorele en neerbuigende liberalen.

De machtsgreep van de conservatieven voltrok zich definitief in de jaren tachtig onder Ronald Reagan. Hij verenigde de vrijheidsgezinde libertarians, religieus rechts, neoconservatieven, Wall Street en de traditionalisten uit de arbeidersklasse (Reagan democrats) achter een programma van belastingverlaging en een kleinere overheid, een moreel reveil, stijgende defensie-uitgaven en de harde confrontatie met het communisme.

De Republikeinse opvolgers van Reagan – vader en zoon Bush – konden wat diens conservatisme betreft niet in Reagans schaduw staan. De huidige president dacht met hulp van mastermind Karl Rove vooral na over een uitgekiende positionering van de partij. Voor ideologische kwesties had hij geen belangstelling, laat staan voor een systematische analyse van een nieuwe generatie problemen die gaandeweg opdook, en het conservatieve antwoord daarop. De mooie woorden die Bush bij het begin van zijn aantreden wijdde aan compassionate conservatism waren lippendienst aan een ideaal dat nooit werkelijkheid is geworden. In zijn buitenlandse beleid liet hij zich verleiden door de neoconservatieve droom van snelle, wereldwijde democratisering.

Na acht jaar Witte Huis waren de meeste conservatieven zwaar teleurgesteld in Bush en was zeventig procent van het Amerikaanse electoraat hem spuugzat.

De belangrijkste groepen binnen die grote Republikeinse coalitie hadden dwingende redenen nu eens lekker niet op de Republikeinse kandidaat te stemmen. Deze libertarians – voorstanders van individualisme, een begrensde overheid en lage belastingen – hebben moeten toezien dat de partij van Reagan was geëindigd in een radicaal-(neo)conservatieve regering die de staat alleen maar heeft doen toenemen en tot een instrument van zuidelijk moralisme heeft gemaakt.

Religieus rechts maakt een grote verandering door. Net als in Nederland bij de ChristenUnie leidt een proces van ’evangelicalisering’ in toenemende mate tot linkse posities in de politiek, en daarmee tot een keuze voor de Democraten. De blue collar Democraten waren blijkbaar niet onder de indruk van een man die niet meer wist hoeveel huizen hij ook al weer precies bezat en op het punt van abortus geen vlekkeloos verleden heeft. De traditionele conservatieven waren van mening dat de partij definitief in de greep van de macht was geraakt, en dat de partijbonzen zich overgaven aan een onverantwoordelijke decadentie (met hun huizen in McLean, Virginia als tastbaar bewijs daarvan). De de partij moest worden gezuiverd van de reaganites die in de jaren tachtig waren komen bovendrijven en nog altijd de leidende posities in de partij en in denktanks bekleden.

Wat we dinsdag hebben gezien is het afscheid van de Reagan-coalitie, die dertig jaar lang de Amerikaanse politiek heeft bepaald.

Nu dat is gebeurd, zijn er conservatieven die, net als de personages uit Whit Stillmans film ’Metropolitian’, de ondergang van het Europese Amerika vrezen, van een cultuur waarvan de waarden, instellingen, gebruiken en gewoonten door de Joods-christelijke beschaving zijn bepaald. In een Amerika dat, blijkens de verkiezingsuitslag, cultureel en demografisch zó dramatisch is veranderd, waarin de oorspronkelijk Europese elite zó heeft gefaald in het voorkomen van een nationale zelfmoord, kan volgens hen alleen een hermetisch vergrendelen van de landsgrenzen voor niet-westerse immigranten, de uitzetting van alle illegalen en een herbevestiging van de oorspronkelijke culturele waarden van Amerika nog redding brengen.

Een tweede groep van conservatieven wenst niet in de retoriek van de overwinnaar te geloven. De verkiezingen waren volgens hen helemaal geen waterscheiding en het begin van een nieuw politiek tijdperk. Het verlies van McCain komt niet doordat een groot deel van de Amerikaanse bevolking niet langer conservatief zou zijn, maar doordat ze doodziek waren van acht jaar Bush – en in de ogen van deze conservatieven is dat nog terecht ook. Zonder de kredietcrisis had McCain waarschijnlijk gewoon gewonnen. Amerika is in essentie een centrum-rechts land gebleven.

Deze groep van vooral jongere conservatieven treedt nu nadrukkelijker naar voren. Zij zijn van mening dat de fatale incompetentie van Bush en de kortzichtige tactiek van Karl Rove de val van de conservatieve beweging wel hebben versneld maar niet hebben veroorzaakt. Volgens hen is de conservatieve beweging te veel en te lang in de glorie en principes van de jaren tachtig blijven hangen. Zij heeft zich bovendien onvoldoende en niet tijdig aan de nieuwe omstandigheden en nieuwe problemen aangepast. Een eenvoudige terugkeer naar oude principes volstaat daarom niet.

De conservatieve beweging heeft jaren of misschien wel decennia nodig om de eigen grondslagen opnieuw te doordenken, antwoorden op nieuwe kwesties te formuleren, en misschien wel een serie verloren campagnes en verkiezingen te accepteren en te trotseren, voordat zij weer kan dromen van een terugkeer naar haar dominante positie – een proces dat vergelijkbaar is met de ontwikkeling die de Tories in Engeland onder David Cameron doormaken. De eerste denktanks om dit proces van herbezinning te sturen en te begeleiden, zijn al opgericht.

Volgens deze conservatieven is niets onvermijdelijk – zoals McCain ook zei in zijn speech van afgelopen dinsdag.

Dat is ook het uiteindelijke standpunt in Stillmans ’Metropolitan’. Aan het slot van deze film lopen de hoofdrolspelers lichtelijk verward over een verlaten weg. Maar wel in de goede richting.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden