Dagdromen over een kind

Waarom zwijgen mannen over hun kinderloosheid, vraagt Nico de Fijter zich af. Beeld Getty Images

Trouw-journalist Nico de Fijter en zijn vrouw nemen een besluit: ze doen nog één kunstmatige poging om een kind te krijgen. Intussen vraagt hij zich af waarom mannen zwijgen over hun kinderloosheid.

Het is misschien beter dat ik het niet zeg, maar ik doe het toch. Omdat het nu eenmaal zo is. De ziekenhuisdeur draait voor ons uit, en ik zeg: "Weet je, ik vind het ondanks alles ook gewoon een mooi avontuur."

Het is zondagochtend vroeg. We lopen de hal van het ziekenhuis binnen. Het is er stil. Ik heb niet geteld, maar het zal ongeveer ons vijfendertigste, veertigste bezoek zijn. We lopen de vertrouwde route: links langs de onbemande receptie, een eindje rechtdoor, naar de liften. Op vijf hoog linksaf, door de schuifdeuren, rechts langs de balie. In de wachtruimte hangt een prikbord vol geboortekaartjes. Ik durf er nog steeds niet echt naar te kijken. Achter het gordijntje in de hoek van het kamertje met het echoapparaat kleedt J zich uit. Benen in de beugels, eendenbek. "Jij ook altijd met je avontuur", zegt ze.

Donkergrijze vlekken
Op de monitor zijn zeven, acht, negen donkergrijze ronde vlekken te zien, tegen een lichtgrijze achtergrond. De ene wat kleiner dan de andere. Ik herken ze van de vorige keer, twee dagen eerder. De vlekken waren toen kleiner. Ziet er goed uit, zegt de echomevrouw. In elk van de vlekken, maar onzichtbaar voor oog en echo-apparaat, groeit een eicel, als het goed is. "Ze moeten nog wat groter worden. Dus nog even door met de injecties. Ik zie jullie over een paar dagen weer."

Aan het begin van de avond pak ik een nieuwe injectiespuit uit de koelkast. "U weet nog dat de Decapeptyl, de Gonal-f en de Pregnyl koel bewaard moeten worden?", had de apotheker gevraagd, toen ik een paar weken eerder de tas vol met hormonen was komen halen. Ik had geknikt. Net als bij poging één en twee neemt ook nu de voorraad injectiespuiten zoveel koelkastruimte in beslag dat we veel vaker boodschappen moeten doen dan normaal. Ik knip de verpakking van de injectiespuit met Decapeptyl open en houd het ding een tijdlang in m'n vuist. Op kamertemperatuur is het prettiger prikken. J komt naar de keuken, pakt een stoel, gaat zitten, tilt haar truitje een stukje op, en neemt een huidplooi tussen duim en wijsvinger. Ik trek het dopje van de punt van de injectienaald. "Gaat het?" J knikt en pakt de naald. Ze zet de punt heel zachtjes op de huidplooi, haalt even adem, blaast lang uit en steekt dan - heel resoluut, met de kalme zekerheid van iemand die niet lang over lastige beslissingen hoeft na te denken - de naald in de huidplooi.

Dagdromen
Soms dagdroomde ik erover. Dat het zou lukken, en hoe mooi dat dan zou zijn. J wilde niet dagdromen. "Dat durf ik niet", zei ze als ik ernaar vroeg. "Veel te pijnlijk. Het confronteert me alleen maar met m'n verdriet."

Ze had groot gelijk. Dagdromen over waar je naar verlangt, is een omhelzing van je gemis.

"Jullie kunnen geen kinderen krijgen", had de huisarts gezegd. "Jullie kunnen geen kinderen krijgen", had de arts in het ziekenhuis herhaald, niet veel onderzoeken later. "En er is niets aan te doen."

We wilden graag kinderen. Het lukte niet. En zo lang als we getreuzeld hadden voordat we naar de huisarts stapten omdat het maar niet lukte, zo snel kwam die verpletterende boodschap. Jullie kunnen onmogelijk kinderen krijgen.

Verdriet
Het verdriet dat zich sluimerend vanuit de verte had aangediend was ineens in al zijn rauwe volheid recht voor ons komen staan. Bam. Hier ben ik. En ik ga niet meer weg.

Zo was het. Het verdriet ging niet meer weg. Het werd, in de jaren die volgden, deel van ons bestaan. En het ging, in velerlei gedaanten, z'n eigen gang. Terwijl het de ene dag kalm zwijgend in een hoek stond, als vertrouwd meubilair, kon het zich de andere dag als een plotse maar vastberaden regenbui over ons uitstorten. Soms stortte het zich alleen over J uit, terwijl ik nergens last van had en fluitend de dag door zwierde. Soms andersom.

We leerden hoe lastig verdriet is als het niet voortkomt uit het verlies van iets wat je al had, maar uit de zekerheid dat je iets niet zult krijgen terwijl je er zo naar verlangt. Ook al krijg je amper verwoord waarom je er zo naar verlangt. Wat is dat voor iets, een kinderwens? Het is - naast de bekende biologische, evolutionaire kant van het verhaal - de wens om voort te bestaan, denk ik, om niet te worden vergeten. Het is de wens om door te geven, om over te dragen, om achter te laten. Het is de wens om te zorgen, om te geven, om de grootst mogelijke verantwoordelijkheid te dragen. Maar vóór alles, denk ik, bóven alles, is een kinderwens de wens om liefde te bekronen. Nu ja, bij ons dan.

Als die wens onvervuld blijft, waar rouw je dan om? Dat het blijft zoals het is?

Pijnlijk
Maar het bleef helemaal niet zoals het was. Om ons heen werd volop geboren. Als vrienden, zussen, broers belden met de boodschap van zwangerschap of geboorte, hoorden we de schroom in hun stem. Verontschuldigend. Wij wel. Dan zeiden we hoe prachtig dat was en dat vonden we ook echt. We hadden ons voorgenomen: we gaan het niet uit de weg. We laten ons de blijdschap om de kinderen die wél geboren worden, niet ontnemen. We wisten van kinderloze stellen die het allemaal wél uit de weg gingen: te pijnlijk.

Dan maar pijnlijk. Dus wel kraamvisites, wel doopdiensten, wel logeerpartijtjes. Verdriet en vreugde kunnen heel goed naast elkaar bestaan. Maar alleen als je zowel het verdriet als de vreugde zonder terughoudendheid durft te omhelzen.

"Laten we nog één keer naar de huisarts gaan", had J na een paar jaar gezegd. "Om het nog één keer te laten onderzoeken. Dat hebben we nodig om er definitief een streep onder te zetten. Zodat we verder kunnen." Ze had gelijk.

Hoopvol
De eerste onderzoeken in die tweede ronde brachten geen verandering. Maar toen deed de vrolijke specialist in het academisch ziekenhuis bij wie we na verwijzing waren aanbeland, na een paar simpele onderzoekjes zijn onthutsende mededeling: "Er is alle reden om hoopvol te zijn".

Bam. De hoop diende zich aan. En die laat zich, heel anders dan verdriet, heel gemakkelijk omhelzen.

Niet dat de artsen in eerste instantie iets over het hoofd hadden gezien, trouwens. Maar de eenvoudige ingreep die nodig zou zijn om ons de molens van de vruchtbaarheidsbehandelingen in te laten stappen, was toen nog niet beschikbaar. Nu wel.

Bij intracytoplasmatische sperma-injectie (ICSI) wordt een zaadcel met een onwaarschijnlijk klein naaldje in een eicel geprikt. Die eicellen worden door een punctie uit de eierstokken gehaald, nadat ze daar, aangejaagd door zelf geïnjecteerde hormonen tot ontwikkeling zijn gekomen. De zaadcellen worden of vlak voor de ICSI geproduceerd, zoals dat heet, of ze liggen - zoals in ons geval - na een ingreep bij min 196 graden Celsius in een door stikstof gekoeld vat roerloos te wachten.

De donkergrijze vlekken zijn groot genoeg, constateert de echomevrouw. "Tijd om te oogsten", zegt ze. 's Avonds maak ik de injectiespuit met Pregnyl klaar. Dat hormoon moet de rijping van de eicellen een laatste zetje geven. Het is een zenuwenklusje: ik moet er drie glazen ampullen voor openbreken en ik ben - net als de vorige keren - bang dat ik ze fijnknijp. Maar het lukt. Ik tik een paar keer tegen het glas van de injectiespuit, ontlucht het ding en geef 'm aan J. Als ze klaar is, gooi ik de naald in het gele naaldenemmertje dat de apotheker me had meegegeven. Er zitten tientallen gebruikte naalden in.

"Het is klaar"
Drie, maximaal vier ICSI-pogingen zouden we doen. Toen ook de tweede poging was mislukt, wilde J niet meer. "Het is klaar. Ik wil niet meer. Ik wil die naalden niet meer, die hormonen, en die punctie al helemaal niet." De punctie was extreem pijnlijk geweest, die tweede keer. Heel anders dan de eerste keer, toen had ze er bijna niets van gevoeld. Zowel de eerste als de tweede punctie had zes bruikbare eicellen opgeleverd. Na de eerste keer ontstond er één mooi embryo toen mijn zaadcellen in die eicellen waren geprikt. Maar het nestelde zich niet. J zei het al een paar dagen nadat het embryo was teruggeplaatst. "Het is niet gelukt. Ik voel het." Ze had gelijk.

De tweede poging mislukte ook. Geen van de zes eicellen die de punctie had opgeleverd werd een embryo. 'Moeizame poging', schreef de arts in ons dossier. "Ik wil niet meer", zei J niet lang daarna. "Het is klaar."

Ik wilde nog wel. Vond dat het nog niet klaar was, het avontuur. Nu stoppen zou de hoop die zich zo onverwacht aan ons had opgedrongen geen recht doen.

Kans
De kans dat een ICSI-poging slaagt - dat wil zeggen: dat zich een mooi embryo ontwikkelt, dat na terugplaatsing leidt tot zwangerschap - is niet heel groot. Een procent of dertig. Bij de helft van alle stellen die aan een ICSI-traject beginnen, wordt uiteindelijk een kind geboren.

Maar hoe stem je hoop af op percentages? Hoop hoeft niet groot te zijn om z'n onstuitbare werk te kunnen doen. Die heerlijke dagdromen hadden zich gemeld en ik had ze hun onbekommerde gang laten gaan.

Niet dat ik vond dat de hoop álle ruimte moest krijgen. Na drie, maximaal vier ICSI-pogingen zouden we stoppen. Omdat we realistisch wilden zijn, omdat we niet eindeloos de ene na de ander poging wilden ondernemen. Maar vooral omdat we ook wilden kunnen accepteren dat het gewoon niet lukt. Omdat dat nu eenmaal zo kan gaan in het leven.

Nog één poging
Maar nu stoppen, na twee pogingen al: nee. Ook al wist ik natuurlijk: ik ben niet degene die zichzelf tientallen keren moet injecteren en daarna een heftige punctie moet ondergaan. "Laten we nou eerst eens verdrietig zijn", zei ik tegen J. "Dan kijken we daarna wel verder."

We waren verdrietig, we leidden ons leven, waren maandenlang met andere dingen bezig, J rondde de studie af die ze naast haar werk was gaan doen, we gingen op vakantie, spraken nog eens met de fertiliteitsarts ("Ik zie nog geen reden om u te adviseren te stoppen") en besloten uiteindelijk: we doen nog één poging.

J ligt in de uitrustkamer met een kruik op haar buik. Dankzij de extra verdoving is de punctie zo goed als pijnloos verlopen. Ik zit naast haar en lees voor uit het schrift dat naast de leesmap op de tafel lag. Wie dat wil, kan in het schriftje z'n verhaal kwijt. Lotgenoten. Een samenballing van hoop en verdriet in een beduimeld schrift. Ik lees van een stel dat poging na poging heeft ondernomen en er blijkbaar niet meer mee stoppen kan. 'Daar zijn we weer', staat er in een meisjesachtig handschrift. 'Poging nummer tien.'

Na een half uur komt de verpleegkundige binnen. In het laboratorium is de punctievloeistof onder de microscoop gelegd. "Weer zes eicellen", zegt de verpleegkundige. Ze steekt haar duim op. "Drie keer is scheepsrecht", zegt ze ook nog. Later op de dag zullen mijn zaadcellen weer uit dat diepgevroren vat worden gehaald en in die zes eicellen worden geprikt.

Onze wens
Het is niet mijn kinderwens, niet die van J. Het is ónze kinderwens. Het is óns verlangen, ónze hoop, óns kind. Zo zal het ook zijn - neem ik aan - bij al die andere stellen die in de molens van de vruchtbaarheidsbehandelingen zijn gestapt. Maar ik heb me vaak afgevraagd: waar zijn de mannen eigenlijk? Hoe kan het dat ze zo afwezig lijken?

In het lotgenotenschrift in de uitrustkamer komen alleen vrouwen aan het woord. Net als op al die online fora over vruchtbaarheidsproblemen. Het zijn bijna geen mannen die daar hun ervaringen uitwisselen. In het tijdschriftje van de vereniging die zich inzet voor de belangen van mensen met vruchtbaarheidsproblemen zijn het vooral vrouwen die hun verhaal doen. Waar zijn de mannen?

Aan de vooravond van onze eerste ICSI-poging waren we bij een voorlichtingsavond en ook toen was het me opgevallen. Veertig, vijftig stellen zaten er in die collegezaal van het Utrechtse UMC. Veertig, vijftig kwetsbare stellen, onder een deken van onuitgesproken maar zéér aanwezig verdriet. Het ongemak vooraf en tijdens de pauze was groot. Geen enkel stel ging met een ander in gesprek, in de collegezaal durfde geen enkel stel naast een ander te gaan zitten. De verpleegkundige, de embryoloog en de gynaecoloog hielden hun verhaal. En omdat ik eigenlijk niets nieuws hoorde - ik had me al volop ingelezen - keek ik om me heen. Het viel me direct op: terwijl de vrouwen zaten mee te schrijven, geconcentreerd luisterden, hun verdriet soms bijna tastbaar, zaten de mannen er heel anders bij. Afzijdig, naar binnen gekeerd. Alsof ze ergens anders wilden zijn.

Verklaring
Ik weet niet goed waarom de mannen zich zo stilhouden. De makkelijkste verklaring is dat vruchtbaarheidsbehandelingen (net als zwangerschappen) voor vrouwen veel ingrijpender zijn: zij moeten met die hormonen in de weer, zij moeten die puncties ondergaan. Ik pakte elke mogelijkheid aan om ook wat te kunnen doen. 'Ik ga wel naar de apotheek.' 'Laat mij die injectiespuit maar klaarmaken.' 'Ik bel wel even met het ziekenhuis.'

Het zou kunnen zijn - maar ik denk dat het te ouderwets gedacht is - dat moederschap bepalender voor vrouwen is dan vaderschap voor mannen. J kreeg talloze malen de ongepaste vraag of en wanneer ze kinderen wilde (of erger: wanneer ze kinderen wilde némen). Ik kreeg die vraag twee, misschien drie keer.

Waarom zwijgen mannen over hun kinderloosheid en over hun plek in vruchtbaarheidsbehandelingen? Het is toch niet zo dat kinderloosheid voor mannen minder erg is dan voor vrouwen?

"Het spijt me"
Weer zondagochtend. Het is vroeg, we liggen nog op bed. J slaapt, ik ben al een paar uur wakker. Vanochtend worden we gebeld. Een paar dagen terug zijn in het laboratorium mijn zaadcellen in die zes eicellen van J geprikt. Als het goed is gegaan, heeft dat één of zelfs meer embryo's opgeleverd. Als het niet goed is gegaan, is er geen enkel embryo ontstaan. De eerste poging had één embryo opgeleverd, de tweede poging geen enkele.

Als er nu wél een embryo is ontstaan, dan zal die binnen een paar dagen worden teruggeplaatst en dan moet dat klompje cellen z'n weg vinden en zich gaan nestelen. Zwangerschap.

Als er opnieuw géén embryo is ontstaan, dan is het klaar. Dan stoppen we. Geen zwangerschap. Geen kind.

"U wordt tussen acht en tien gebeld", had de verpleegkundige gezegd. Om vijf over acht gaat de telefoon. Ik sla m'n benen over de bedrand en ga rechtop zitten. Ik laat de telefoon nog een keer overgaan. J wordt wakker. Ik herken de stem van de fertiliteitsarts. "Het spijt me", begint ze.

Reageren
Hebt u een onvervulde vaderwens? Schrijf ons in maximaal 120 woorden via tijdpost@trouw.nl, graag met uw naam en woonplaats.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden