Daarom noem ik mij katholiek

“Geloven wil niet alleen met de dunne lijn die van de oren naar de rede loopt, maar met alle zintuigen. Ik vind dit terug in de kerk met de beschilderde beelden, waar wierook brandt als teken dat het om heiligheid gaat, waar ik me met wijwater tooi wanneer ik de kerk binnenga, waar met Pasen een flink vuur brandt bij het voorportaal en ik op Palmzondag een pets wijwater in mijn gezicht krijg." Hoe wordt een mens katholiek? Is het een kwestie van een formulier ondertekenen? Moet je de Latijnse liturgie leren? Moet je kruisjes leren slaan? Moet je biechten? Een geloofsgeschiedenis.

Onder grafzerken met psalmteksten, liggen mijn vier gereformeerde grootouders begraven. Dicht bij elkaar, onder dezelfde kastanjeboom. Bloemen horen hier niet, op deze protestantse begraafplaats. Ik heb er toch vier bij me, kleine bloemen, voor ieder een. Opa, oma, opa, oma, ik moet jullie wat zeggen. Ik ben katholiek geworden.

Ik ben naar deze kleine, door heggen omzoomde begraafplaats gekomen, waar de doden in hun kisten vast de vingers in de oren stoppen, omdat van de naastgelegen snelweg zo'n kabaal komt, om verantwoording af te leggen voor mijn beslissing, die in deze tijd misschien een minuscule manoeuvre is, maar voor mij een hele stap.

In het dorp van mijn grootouders is er een tijd geweest dat tussen gereformeerden en rooms-katholieken een muur stond en beide geloven elkaar de hemel betwistten. Ik ken de familieverhalen over de boerderij waar jullie zoveel mogelijk kinderen kregen, om maar te voorkomen dat de 'roomschen' het zouden winnen. Op een familiefoto staan twaalf gereformeerde kindertjes van groot naar klein als orgelpijpjes opgesteld. Mijn moeder is de derde.

Maar de tijden zijn veranderd en jullie hebben als doden de eigenschap om moeiteloos mee te veranderen. Want jij, mijn bevindelijk-gereformeerde , zachtmoedige, mystieke grootvader vindt het vast niet erg dat ik nu een kruis sla, te communie ga, kniel in de kerk. Ik hoor je zeggen dat het beter is naar de verkeerde kerk te gaan dan naar geen enkele kerk.

Hoe wordt een mens met vier gereformeerde grootouders katholiek? Anderhalf jaar heb ik er in stilte op gebroed zonder er met wie dan ook over te spreken. Toen pas durfde ik dat nummer te bellen dat in mijn agenda stond. Kort daarop zat ik in een kamer met kruisbeeld en knielbank en stelde de vraag, hoe ik katholiek kon worden.

Jarenlang had mijn religieuze gevoel in een innerlijk gebied liggen wachten. Dat ik er niets mee deed had deels met mijn dagelijkse bezigheden te maken. Doordeweeks schreef ik over de kerk. Op zondag wilde ik het wel eens over iets anders hebben. Maar dat was het natuurlijk niet alleen. Want ik ging voor mijn plezier wel naar een tentoonstelling over vrouwelijke mystici en liet me onderdompelen in een bad van katholieke spiritualiteit. De grenzeloze overgave, de ontmoeting met het goddelijke in de besloten hof van de katholieke mystiek, ik zag de belachelijke kanten ervan maar was tegelijkertijd jaloers op die katholieke vrouwen die de beschikking hadden over zo'n rijkdom aan instrumenten om het geluid van hun geloof te laten klinken.

Want groot was het contrast met het geloof van mijn grootouders, dat mijn ouders deels hadden overgenomen. Dat was wat de uiterlijke vorm en betreft flink uitgebeend, tot alleen het harde deel, het bot, was overgebleven. De kern. Het woord. Vier muren, een dak en een preekstoel. Ik houd van het woord. Maar ik bleek niet genoeg te houden van de kerk van het woord.

Ik vond het een kaal bestaan in de kerk van het woord. En ik verveelde me. Als zesjarige had ik een rood tasje van mijn ouders gekregen met daarop een hondje van koperkleurig metaal, dat met een zelfde kettinkje aan het tasje vastzat. Iedere zondagochtend tussen half tien en half elf speelde ik met dat kettinkje. En wanneer ik het hondje zat was, deed ik het spel met de lange en de korte ei/ij-s. De letter die de dominee in zijn preek het vaakst gebruikte, won. Ik was de scheidsrechter. Druk turvend hield ik de standen bij.

Ook toen ik ouder werd bleek dat ik niet gebouwd was voor zo'n kerkdienst. Geen mooie muziek, niks leuks te zien. De woorden kwamen terecht in een bovenste laag, de laag van de goede voornemens. Dieper kwam het niet. Ik was in de verkeerde kamer, ik moest in de kamer ernaast zijn.

Ik moet wel min of meer gedwongen worden om ook echt de stap over de drempel van de rk kerk te zetten. Het opvoeden van de kinderen zette mij aan tot het maken van een keuze. Van oudere collega's die hun kinderen in religieus opzicht vrij hadden gelaten, hoorde ik dat die kinderen op godsdienstig gebied passief waren gebleven. Blijkbaar kwam religie niet vanzelf. Ik wilde mijn kinderen de verhalen laten horen over Jozef in de put, Maria Magdalena bij het lege graf, de Emmaüsgangers en Nineve. Ik wilde hun laten zien wat bidden is, wat een regelmatige kerkgang kan betekenen, hun het besef van het bestaan van God overdragen. Opdat ze later tenminste echt kunnen kiezen. Net zoals we kinderen ook Mozart laten horen en Wagner en Bach. Mijn eigen religieuzen gevoelens wakkerde ik aan door tijdens het ontbijt voor te lezen uit de kinderbijbel en de kinderen regelmatig mee te nemen naar een kerk.

Daar wilde ik niet binnengaan als een museumbezoeker, maar als een huisgenoot die de taal verstaat en de gebruiken kent. Nu moest ik alleen nog een huis kiezen. Ik voelde er niet veel voor jood, boeddhist of moslim te worden, al deed een moslim geworden ex-katholiek erg zijn best me over te halen met het argument dat de islam een lekkere platte organisatie is, zo zonder priesters. Ik wilde in de buurt van mijn gereformeerde grootouders blijven. Het duurde even voor ik in de gaten kreeg bij welke Christelijke kerk ik me wilde aansluiten. Mijn beroep wreekte zich: wie schrijft over de kerk ziet alleen de slechte kanten van de kerk. Van alle kerken. De volmaakte kerk bestaat niet. Het ene religieuze gezelschap is buitengewoon democratisch, maar zonder enige esprit, het andere heeft een adembenemende liturgie, maar is ronduit vrouw-onvriendelijk, een derde is cultureel gezien rijk bedeeld maar bestaat uit een handvol grijsaards.

Het kostte geen moeite een klein consumentenonderzoek te houden en de voors en tegens af te wegen, maar dat bood geen uitkomst. Ik besloot af te zien van het wegen van de organisatie - iedere kerk is op een eigen manier onvolmaakt - en me gewoon als consument op te stellen.

Dat gaf helderheid. Als ik naar een kerk ga, ga ik naar een rooms-katholieke. Daar luister ik naar het koor waarin mijn kind zingt en daar geniet ik van de missen van Gabrieli, Strategier en Andriessen. Daar komt op het strakke ritme van een midden-orthodoxe liturgie mijn wereld weer op orde. Daar voel ik me verbonden met een tot in de middeleeuwen doorlopende traditie.

Toen kwam de prozaïsche aanleiding. Het Sociaal Cultureel Planbureau kwam met cijfers over de gelovigheid van Nederlanders. Het bekende refrein: de helft gelooft niet meer in God en het gros gaat niet meer naar de kerk. Ik bevond mij in de kolom van de onkerkelijken en wilde naar de andere kolom. Kerken moeten blijven bestaan, vind ik. Niet omdat ik het met alle kerken of met het Christendom in het algemeen zo erg eens ben, maar omdat ik vind dat de kerken net als politieke partijen een functie hebben.

“Waarom wordt je niet gewoon katholiek?”, zei een protestantse vriendin. Natuurlijk ik had het zelf kunnen bedenken.

Ik voel mij thuis bij een geloof dat niet zuinig is. Geen twee sacramenten, maar zeven. Geen symbolische eucharistie maar brood en wijn die tegelijk echt lichaam en bloed van Jezus zijn, hoe vreemd dat nu ook gevonden wordt. Zo vind ik in de kerk iets bewaard van het vroegmiddeleeuwse denken waarbij de dingen zowel het een als het ander kunnen zijn. Ik houd van die manier van denken.

Een van de mooiste verhalen die daarbij horen is het relaas van Gregorius van Tours, bisschop uit de zesde eeuw, die vertelt over de schipper in de haven van Tours die gesjoemeld had met een lading dadels. De schipper werd van hogerhand onmiddellijk gestraft. In het ruim van het schip lagen nog steeds dadels. Maar iedereen kon zien dat het stenen waren geworden. De dingen zijn vaak iets allebei tegelijk, en dat was niet alleen zo in de tijd van Gregorius van Tours.

Ik vind dit terug in de kerk met de beschilderde beelden, waar wierook brandt als teken dat het oom heiligheid gaat, waar ik me met wijwater tooi wanneer ik de kerk binnenga, waar met Pasen een flink vuur brandt bij het voorportaal en ik op Palmzondag een pets wijwater in mijn gezicht krijg. Het gaat niet om de wierook, het wijwater, het vuur of het gregoriaans. Dat zijn alleen hulpmiddelen om iets tot trillen te brengen, iets dat voor mij de essentie van religie is en dat alles met tegenstellingen en tegenstrijdigheden te maken heeft. Pas als de zaken in tegenspraak raken, kom ik voor mijn gevoel in de buurt waar het werkelijk om gaat.

Geloven wil ik niet alleen met de dunne lijn die van de oren naar de rede loopt, maar met alle zintuigen. Zo'n zinnenprikkelend geloof als het katholieke, daarbij komt mijn eigen geloof tot leven. Ik besef mijn eigen kleinheid en tegelijk mijn plaats in het grote geheel van het leven, ik besef mijn bijdrage aan het kwaad in de wereld en tegelijk mijn onmacht daar iets aan te doen. Mijn overgeleverd zijn aan het lot en de mogelijkheid te leven met troost en hoop. Ik besef dat ik dat kan delen met mijn voorgangers van eeuwen en eeuwen her, die daar toen al woorden aan gaven, handelingen bij vonden, handelingen en woorden die nu aansluiten bij mijn eigen besef van kleinheid en volheid tegelijk. Die door steeds dezelfde teksten getroost zijn, die zich eraan geërgerd hebben, die door dezelfde mist van wierook heen naar kaarslicht hebben gekeken, die hun doden met dezelfde rite hebben begraven, wierook en wijnwater over de kist gesprenkeld, kaarsen aangestoken, hebben getwijfeld aan alles terwijl ze luisterden naar het pange lingua of het tantum ergo.

Als we in het gebied zijn waar het werkelijk om gaat, wijken de woorden. Kwebbelen doe je ook niet tijdens het baren van een kind, het bedrijven van de liefde of als er iemand dood gaat. Dan houd je je mond. Dan zijn er geen woorden meer. In dat gebied hoort ook het contract met de Schepper. In de katholieke kerk ontdekte ik een taal voor woordloze spiritualiteit. Het is de taal van de kerk van Maria Magdalena, Hadewijch, Hildegard en Clara van Assisi en ik wilde die taal ook leren, om beter te kunnen verstaan.

Er zijn dan natuurlijk nog heel wat woorden nodig om tot die kerk toe te kunnen treden. Ik wist met wie ik er over wilde praten: met een priester die de protestantse traditie kende; toevallig of niet de pastor van de kerk waar mijn kind in het koor zingt. Zijn telefoonnummer schreef ik in mijn agenda. Het duurde even voordat ik durfde te bellen. En voeg mijzelf in de tussentijd af hoe dat eigenlijk gaat, katholiek worden. Is het een kwestie van een formulier ondertekenen? Moet ik de Latijnse liturgie leren, het tantum ergo leren zingen, kruisjes slaan (eerst links dan rechts) en knielen? Zou ik moeten biechten?

Ik was gereformeerd genoeg om het alles-of-niets-principe vast te houden. Als ik katholiek zou worden, moest ik het ook helemaal worden. Inclusief de paus, het dogma van de onfeilbaarheid, de geschiedenis van de inquisitie, de uitsluiting van vrouwen uit het priesterambt, de moeizame contacten met andere kerken en geloven.

Omdat ik hecht aan de sacramenten, wilde ik niet voor spek en bonen meedoen. Niet stiekem en anoniem aanschuiven in de rij en mijn hand ophouden voor de hostie. Geen haan zou er naar kraaien, maar dat was niet wat ik wilde. Ik wilde het echt en helemaal.

Dat wilde niet zeggen dat ik tegen alles wat rooms-katholiek was ja en amen zei. Toen de paus zich uitsprak tegen de priesterwijding van vrouwen moest ik het tijdens de catechese daar toch wel even over hebben. En ik ken natuurlijk de pijnlijke verhalen van gelovigen die in de knel kwamen door de strikt gehanteerde regels. Ik zou gaan horen bij een kerk waar heel wat op aan te merken is, waar ik zelf heel wat op aan te merken heb. De keuze was tussen alles of niets. Ik koos voor alles.

Ik stuurde mijn vrienden en kennissen een kaartje waarmee ik ze op de hoogte bracht van mijn plannen. “Ik wordt geen katholiek die roomser is dan de paus, maar een die ondanks twijfel en kritiek toch bij deze kerk wil horen”, schreef ik.

Het felst reageerden katholieke leeftijdsgenoten. Ze konden niet begrijpen hoe ik iets moois en waardevols kan zien in de kerk die zij het liefst bij het vuilnis wilden zetten. Oudere katholieken begrepen het beter, al wenste een van hen, een priester, me wel toe dat ik “het vol zou houden”. De meeste protestantse vrienden waren enthousiast.

Een half jaar later stond ik op een zondagmorgen voor het altaar. Met achter me een peter en een meter. Uit mijn deels katholieke vriendenkring. Na het bidden van de geloofsbelijdenis vroeg de priester of ik de belijdenis van de kerk persoonlijk wilde bevestigen. De tekst had ik van tevoren gekregen. “Ik geloof en belijd alles wat de Heilige katholieke kerk als door God geopenbaard, gelooft, leert en belijd,” zei ik.

Daarna werd ik gezegend en gezalfd. De priester legde mij de handen op en sprak een gebed uit, waarop ik driemaal amen kon zeggen. “Almachtige God zend over haar de Heilige Geest, de Trooster. Schenk haar de geest van wijsheid en verstand, de geest van inzicht en sterkte, de geest van kennis, van ontzag en liefde voor Uw naam.” Natuurlijk kon ik geen woord meer uitbrengen. Amen amen amen, sprak ik in mezelf.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden