Daar zijn ze weer, de zedenprekers

1989: Zandvoort. (Trouw) Beeld
1989: Zandvoort. (Trouw)

De minister voor Jeugd en Gezin, met in zijn kielzog een groeiend legertje feministen, sluit zich aan in een al eeuwen bestaande rij van verkondigers van onheilstijdingen over de seksuele moraal, stellen Amanda Kluveld en Rozemarijn Schalkx vast. „Het debat over seks wordt gedomineerd door particuliere expressies van slachtofferschap en moreel misnoegen over de manier waarop anderen seks beleven.”

Amanda Kluveld en Rozemarijn Schalkx

De seksuele moraal van de jeugd is ’losgeslagen’, stelt minister voor Jeugd en Gezin André Rouvoet. „Als de mentaliteit onder jongeren is dat je even naar een garagebox gaat en een meisje pakt als je zin hebt in seks, dan verdwijnt toch elk normaal zicht op relaties? Dit is meer dan een opvoedprobleem, het is een maatschappelijk probleem.” Rouvoet zei dit naar aanleiding van de documentaire ’Sex sells’, die op 3 november werd uitgezonden door de KRO.

In de documentaire interviewt Mildred Roethof jongeren uit de Amsterdamse grachtengordel, het Twentse Goor en de Bijlmer over hun opvattingen over seksualiteit. Roethof constateert dat er jongeren zijn die seks niet als ’iets bijzonders’ zien maar als ruilmiddel voor status, beltegoed of een mobieltje. „Ik wil niet de moraalridder uithangen, maar tonen hoe er over seks wordt gedacht”, zegt Roethof.

Voor de minister maakt het niet uit dat ’Sex sells’ maar over een klein deel van de Nederlandse jongeren gaat of dat Roethofs visie niet door wetenschappelijk onderzoek wordt ondersteund. „Ik heb geen cijfers, maar er gaan percentages rond soms van zeven of acht procent: ruilseks op dertienjarige leeftijd, seks onder dwang, meisjes door heel veel jongeren seksueel gebruikt, misbruikt.” De minister doet alsof het hier om gelijksoortige zaken gaat, terwijl seks in ruil voor materiële goederen toch iets anders is dan seks onder dwang.

Het percentage dat de minister noemt is mogelijk afkomstig uit het rapport ’Seks onder je 25ste’ uit 2008 van de Rutgers Nissogroep, waaruit blijkt dat de meeste jongeren voor het eerst seks hebben rond hun zeventiende jaar. Een klein aantal jongeren is er vroeger bij, namelijk rond twaalf, dertien jaar. Maar seks hebben op jonge leeftijd is niet hetzelfde als ruilseks, of misbruikt worden.

De Rutgers Nissogroep onderzocht in 2007 instrumentele vormen van tienerseks en concludeert : „seks in ruil voor geld of een andere beloning (*) lijkt binnen de totale populatie jongeren bij een zeer kleine minderheid voor te komen”. Dat wordt bevestigd door Zweeds onderzoek uit datzelfde jaar onder ruim 4000 scholieren: 1 procent van de meisjes en 1,8 procent van de jongens heeft ervaring met het verkopen van seks voor geld of andere goederen. Ervaringen met seksueel misbruik, alcoholgebruik, psychische problemen en lage opleiding speelden daarbij een rol. Ook hadden deze jongeren vaker werkloze ouders en een migrantenachtergrond.

Kortom: een zeer kleine minderheid, afkomstig uit sociaal zwakkere milieus, doet wel eens aan ruilseks. Dat is misschien te betreuren, maar geen aanleiding voor morele paniek. Er is ook geen reden om aan te nemen dat dergelijk gedrag toeneemt. Dat deze groep jongeren iets wint bij een breed maatschappelijk debat over seksualiteit is onwaarschijnlijk.

Een minister die blind afgaat op een documentaire doet de vraag rijzen of de kwestie bij hem in goede handen is. Morele paniek is geen degelijke basis voor beleid, noch voor de discussie in de samenleving die volgens Rouvoet noodzakelijk is. Wat er gebeurt als een debat uitsluitend vanuit afschuw en emotie en niet op basis van kennis wordt gevoerd, blijkt uit de commotie rond het verhaal van de dertienjarige Serena. Zij vertelt in ’Sex sells’ dat ze onder invloed van alcohol seks heeft gehad met een jongen van achttien waar ze verliefd op was. Na afloop hoorde ze dat de jongen diezelfde avond nog seks met een ander had. Nu beschouwen de andere jongens haar als een hoer en daar heeft zij verdriet over. Serena’s moeder: „Bepaalde dingen zijn gebeurd, die weet je ook wel. Je moet dat een plek in jezelf geven. Het hoort er eenmaal bij, seks en jongeren. Wees daar open en eerlijk in. Ik vind dat het gewoonste van de wereld. Ik was alleen geschrokken dat ik het van een ander hoorde, pas maandag of dinsdag na dat weekend. Als ik het van haar had gehoord, had ik eerder stappen kunnen ondernemen. Dus gelijk naar de dokter, pil opgehaald. Echt in afwachting: wordt ze ongesteld ja of nee. Daar zit je dan ook mee. Dertien, ja, maar toch. Je bent in de puberteit, aan het ontdekken. Heel normaal. Ik was achttien, maar een beetje preuts. In dat opzicht ga je toch met de tijd mee. Tegenwoordig zijn ze nu eenmaal jonger.” De moeder werd naar aanleiding van deze uitspraken publiekelijk veroordeeld.

Maar waarom eigenlijk? Haar dochter is verdrietig vanwege een nare ervaring. Dat de moeder daar geen drama van maakt, is verstandig. Zij heeft gelijk: jongeren moeten zaken ontdekken, ook de minder leuke kanten van seks. Er is hier niet, zoals in de media is gesuggereerd, sprake van verkrachting of ruilseks. Wel van een nare gebeurtenis. Rouvoet zou uit het verdriet van het meisje en de reacties uit haar omgeving kunnen opmaken dat dit soort seks eerder wordt veroordeeld dan geïdealiseerd.

„We zijn niet uit op sensatie, maar willen het verhaal vertellen als waarschuwing voor andere jongeren”, stelt manager Anton Fasel van de KRO. Het is dus met andere woorden niet goed als jongeren seks als ruilmiddel gebruiken want dan hebben we een maatschappelijk probleem volgens de minister. Maar het is wel goed om een minderjarige herkenbaar in beeld te brengen als waarschuwend voorbeeld voor ons allen. Wanneer de bedoelingen goed zijn is het kennelijk prima als de seksuele ervaringen van een meisje worden geëxploiteerd door een zendgemachtigde van de publieke omroep met de slogan ’het gevoel dat je wilt delen’. Een meisje van dertien, dat moeilijk kan inschatten wat de gevolgen zijn van een televisie-interview over een intieme aangelegenheid, wordt zo opgeofferd voor het heil van de samenleving. Dat is een vorm van ruilseks waar de minister ook eens een visie op zou kunnen formuleren.

Dat doet Rouvoet niet. In plaats daarvan sluit hij zich aan in de al eeuwen bestaande rij van verkondigers van onheilstijdingen over de seksuele moraal, waaronder politici, medici en geestelijken, die allen zo hun eigen analyses van en oplossingen voor het probleem ventileerden. Eind negentiende eeuw werden bijvoorbeeld voedingsmiddelen ingezet om het hete bloed dat door de aderen van de jeugd vloeide te koelen. Dr. John Harvey Kellogg – bekend van de cornflakes – ontwikkelde zijn graanproducten ondermeer om de drang tot zelfbevrediging bij jongeren tegen te gaan.

In diezelfde tijd werd in het publieke debat ook de zorg geuit over de opkomst van de fotografie. Prentbriefkaarten en buitenlandse geïllustreerde bladen leverden „seksueele prikkels welke door een onrijp publiek zo gaarne worden opgenomen”. Het ging hier niet om expliciet pornografische foto’s maar om meer subtiele afbeeldingen van prikkelend geklede dames die „dagelijks de verbeelding van duizenden jongelui vergiftigden” en een geïdealiseerde waarheid voorschotelden die de onervaren toeschouwer een ’volmaakt ware waarheid’ toescheen.

In de eerste decennia van de twintigste eeuw richtten zedenprekers zich op de luxe die tot dan toe slechts aan een kleine groep toebehoord had: vrije tijd. Ongehuwde meisjes en jongens uit de middenklasse kwamen elkaar tegen tijdens bioscoop- zwembad- en strandbezoek. Ook gedurende het interbellum genereerden deze vormen van recreatie vele uitingen van angst voor zedeloosheid. De jeugd had zich ondertussen enthousiast overgegeven aan een uit Amerika overgewaaide dansrage. In 1931 rapporteerde een speciaal ingestelde ’regeerings-commissie’ over het ’dansvraagstuk’: „Vooral in de openbare dansgelegenheid staan de jonge vrouw en de jonge man aan gevaren bloot die niet mogen worden onderschat. Het gevaar van sexueele prikkeling heeft bij de moderne dans een graad bereikt, die voor deze niet aanwezig was. (...) In de duurdere dancings zijn het hoofdzakelijk de prostituees, die de sfeer onzuiver maken en een gevaar zijn voor jonge mannen. In andere dansgelegenheden echter, en hier zijn vooral bedoeld de door het kantoor- en winkelpersoneel bezochte danszalen, treft men mannen aan die het er op aan leggen de jonge meisjes ten offer te brengen aan hun driften.”

In brochures als ’Oorzaak en bestrijding van zedeloosheid onder de tegenwoordige jeugd’ (1934) werd gepleit voor wetgeving, hulpverlening en opvoeding om de geconstateerde misstanden te bestrijden.

Toen eind jaren dertig een aantal Tweede Kamerleden zich gechoqueerd toonde „door het aanschouwen van gemengde baden, zonnebaden, vertoon van badcostuums op de strandboulevard, e.d.” vroeg de Haagse Post zich af of dergelijke steeds terugkerende klachten niet schromelijk overdreven waren en of Nederland nu werkelijk te maken had met een voortschrijdende losbandigheid. Ondanks deze relativerende stemmen bleef de zorg over zedenverwildering bestaan, ook in de daarop volgende decennia.

Zo werd in de Leeuwarder Courant van 1957 onder de kop ’Gevaren des tijds’ de aanval geopend op de filmsterren die de jeugd massaal tot voorbeeld zou hebben gekozen: „Sophia Loren, Marilyn Monroe, Gina Lollobrigida en hoe de andere seksbommen mogen heten, worden bij de dag meer de afgoden van vele jongeren: het nare feest der stompzinnige lichamelijkheid kan onder hun leiding beginnen”. En: „De bioscoop, de lectuur en de reclame hebben het leven tezamen al zozeer geërotiseerd dat het gedoemd is tot levenloosheid te worden”.

Begin jaren zestig richtte de geestelijkheid van Roermond zich tot de ouders van met name meisjes: „Wat zich in onze stad en naaste omgeving tussen de opgroeiende jongens en meisjes afspeelt roept de hemel om wraak en vervult ons met huiver voor de toekomst van deze jonge mensen.” De dagelijkse confrontatie met zinnelijke films, wufte reclame en prikkelende mode vereiste volgens de geestelijken een grotere waakzaamheid van ouders. De kans dat de jeugd anders verkeerde ideeën over seksualiteit opdeed was groot. „De openbaring van de levensgeheimen en de inleiding op het volle leven dient te gebeuren in het gezin. Niet door film of boek of op de straat.”

In die tijd signaleerde ook de officier van justitie in Utrecht, J. C. van den Berg een sterk toegenomen zedenverwildering onder de jeugd. Het gevaar school volgens hem vooral in feestjes waar de jeugd uit alle lagen van de bevolking zich losbandig gedroeg. Van den Berg deed een dringend beroep op de ouders om er op toe te zien hoe hun kinderen hun tijd buitenshuis doorbrachten.

Inderdaad, de jeugd leefde daar buiten in een ’sexy world’ concludeerde het congres van de NVSH in 1966. Jongeren waren vroegrijp, maar de labielen onder hen liepen gevaar omdat zij door slogans als ’Iedereen doet het’ en ’Hoe meer ervaring hoe beter’ in een chaos terecht kwamen. Seks moest plezierig zijn volgens de aanwezige artsen, maar leidde tot frustraties als deze zonder liefdeservaring werd beleefd. De kunst van het liefhebben en de zuivere inbreng van meisjes moesten daarom centraal staan in de seksualiteit.

De afgelopen twee jaar zien we een herleving van de roep om seksuele beschaving. Naar aanleiding van een in Amsterdam gehouden seksfeest voor jongeren stelde PvdA’er Jeroen Dijsselbloem in 2007 dat seksualiteit „weer kostbaar en kwetsbaar moest worden”. En weer vragen wij ons af: waarom? Waarom zou de persoonlijke seksuele voorkeur van een politicus maatgevend moeten zijn?

Dijsselbloem tekende het slow sex manifest van Brechtje Paardekooper en Dylan van Rijsbergen van de links-progressieve denktank Waterland, die in april dit jaar een ’erotisch beschavingsoffensief’ aankondigde. De slowseksers bepleiten ondermeer een keuringssysteem voor vrouwonvriendelijke en gewelddadige porno. De overheid moet volgens hen een vak media-educatie invoeren, want „juist nu seks dagelijks commercieel wordt geëxploiteerd is het van groot belang dat jongeren leren wat werkelijk vrije beleving van seksualiteit betekent”.

Die educatie moet niet alleen op school plaatsvinden, ook de publieke omroep zou alternatieve beelden van seksualiteit, in de vorm van erotische films, moeten uitzenden als ’tegengif’. Deze ’andere beelden’ moeten een tegenwicht bieden aan de ’Hefneriaanse’ (genoemd naar de oprichter van Playboy, Hugh Hefner) beelden van seksualiteit. „Het is een oproep om seks buiten de wereld van prestatie, van scoren, van macht en onderdrukking te houden.” Deze idylle moet volgens de Waterlanders dus van overheidswege gestimuleerd worden.

Dat deze oproep behalve door Jeroen Dijsselbloem ook door Femke Halsema en Tofik Dibi ondertekend is, is verontrustend; politici hebben niets met de seksuele beleving van de burger te maken en moeten ons niet voorschrijven wat een werkelijk vrije beleving van seks is of zou moeten zijn. Vrouwen moeten niet als weerloze slachtoffers van de bestaande beeldcultuur worden afgeschilderd. Maar dat gebeurt wel.

Als we Myrthe Hilkens en het tijdschrift Opzij moeten geloven, worden jonge vrouwen gehersenspoeld door de constante stroom aan geseksualiseerde beelden in de media en op internet. Ook volgens Larissa Pans en Marlies Dinjens wordt seks gedomineerd door masculiene en commerciële beelden in videoclips en op internet die geen ruimte laten voor vrouwelijke seksualiteit. Maar anders dan deze jonge feministes beweren zijn er wel degelijk meer beelden in de samenleving beschikbaar dan alleen pornografische.

In Hollywoodfilms wordt seks vrijwel altijd gekoppeld aan romantische liefde. Het beeld van de romantische liefde is dominant op televisie, zelfs op de vermaledijde zenders als TMF en MTV. Bovendien is het niet waar dat álle vrouwen op beelden van langzame, diepspirituele vanilleseks zitten te wachten. Al decennia lang, dus ver voor de vermeende hersenspoeling in deze geseksualiseerde samenleving, koestert tussen de 31 en de 57 procent van de westerse vrouwen erotische verkrachtingsfantasieën. Daar hoor je de feministische beeldenstormers niet over.

Wat ze wél aangeven is dat de seksualisering van de samenleving ertoe leidt dat jonge vrouwen in bed dingen doen die ze liever niet willen. Zo citeren Pans en Dinjens twee studentes uit Leiden. Voor een onderzoekje ondervroegen deze 45 vrouwen („geen breezermeisjes van 14, maar hoog opgeleide, goedgebekte jonge vrouwen”), over hun seksbeleving. Ze schrokken van de uitkomst. „Laat hem zijn gang maar gaan, ook al doet het eigenlijk pijn en zijn het standjes die ik niet wil, denken ze”, aldus Pans en Dinjens. Hoeveel van de studentes dit zeggen, hoe de selectie tot stand is gekomen, wat de onderzoeksvraag was, het blijft allemaal duister.

Opzij van november gaat in die vaagheid nog een stapje verder. Artsen zien volgens het coverartikel steeds vaker meisjes die ’kapotgeneukt’ zijn dankzij de door mannen gedomineerde porno op het internet. Mannen zien vrouwonvriendelijke porno als voorbeeld en vrouwen durven geen nee te zeggen. Wie het artikel leest, constateert dat het om welgeteld één anonieme arts gaat die zegt dat hij „steeds meer meisjes ziet die van onderen helemaal rauw zijn”. Dat is wat anders dan ’kapotgeneukt’ zijn en ook iets anders dan de schrikbarende aantallen die in de inleiding van het artikel worden gesuggereerd.

En dan begon afgelopen week bij de Ikon de documentaireserie ’Geloof, seks & (wan)hoop’ van documentairemaakster en slowseksaanhanger Ingeborg Beugel. Volgens Beugel gaat seksuele voorlichting op school over het voorkomen van zwangerschappen en soa’s en niet over hoe een vrouw seksueel bevredigd moet worden. Gelukkig, verzuchten wij. Het idee dat een rood aangelopen vijftiger uitlegt hoe je beft is een beeld dat bij ons iedere wens tot voortplanting of gemeenschap doet verdwijnen. Beugel: „Seks is rijk en subtiel, innerlijk en mooi. Dát moet je proberen te vertellen aan kinderen.” Maar waarom zouden leraren hun visie op seksualiteit, die van Beugel of die van ondergetekenden op de kinderen moeten overbrengen?

Myrthe Hilkens, auteur van ’Mcsex, de pornoficatie van onze samenleving’ stelt dat in de huidige „pornografische cultuur onvrijwillige seks en een vervormd vrouwbeeld steeds normaler worden”. Dat is onjuist. Sterker nog: nooit is er een tijd geweest waarin vrouwen zoveel zeggenschap hadden over de manier waarop ze seksualiteit willen beleven als nu. Vormen van onvrijwillige seks als verkrachting en incest komen nu ook niet vaker voor dan vroeger. Historicus Pieter Spierenburg laat zien dat alleen al in Dijon tussen 1436 en 1486 zo’n 125 rituele verkrachtingen werden onderzocht. Tachtig procent ervan betrof collectieve aanranding door een groep jongeren. Daar kwam geen constante stroom van commerciële porno en seks in de media aan te pas. Hilkens vergeet dat verkrachting binnen het huwelijk pas sinds 1991 in Nederland verboden is. Tot die tijd gold het clichébeeld waarmee de feministen ons nu om de oren slaan: een vrouw is ondergeschikt aan de man en moet binnen het huwelijk seksueel beschikbaar zijn.

In de feministische pamfletten draait het ook niet om historisch accurate gegevens of wetenschappelijke onderbouwing. Zo zei Beugel in de Volkskrant: „Ik ben altijd heel erg betrokken. Dat is not done. Het is heel erg Nederlands om te zeggen dat je objectief moet zijn. Ik zeg liever waar het op staat.” Beugel suggereert zo een contrast tussen de objectieve feiten en haar betoog. Hilkens verwijst naar Karina Schaapman (tegenwoordig Karina Content) die zich inzette tegen misstanden in de prostitutie. Maar wie als twintiger vrijwillig seks heeft op een manier die zij (of hij) in het diepste van haar wezen niet prettig vindt, is daar zelf verantwoordelijk voor en valt uiteraard in het geheel niet te vergelijken met een vrouw die gedwongen in de seksindustrie werkt. Suggereren dat dit wél zo is, getuigt van een verwend soort slachtofferisme. Ondertussen wordt het probleem bijna uitsluitend bij mannen en jongens gelegd. Hun seksualiteit komt volgens de beeldenstormers overeen met het dominante beeld van seksualiteit in de media en op internet. Mannen en jongens vragen vrouwen en meisjes dingen te doen die ze niet willen. Daarbij is niet duidelijk hoe mannen en jongens er achter moet komen dat leden van het andere geslacht in bepaalde handelingen geen zin hebben, want vrouwen en meisjes doen kennelijk alles wat hen gevraagd wordt.

Zo worden vrouwen afgeschilderd als passief en weerloos tegen de beelden, de commercie en de man en vervallen de anti-seksualiseringsstrijdsters zelf in zo ongeveer alle clichébeelden van de door hun zo gehate pornografie als het gaat om een ’mannelijke’ en een ’vrouwelijke’ seksualiteit. Het maatschappelijk debat over seks wordt gedomineerd door particuliere expressies van slachtofferschap en moreel misnoegen over de manier waarop anderen seks beleven en door de al even particuliere verlangens naar kwetsbare, kostbare, spirituele, langzame, innerlijk bevredigende seks. Dergelijke pleidooien zijn daarmee niet minder hijgerig, oppervlakkig, repetitief, stereotiep en onzindelijk dan de eerste de beste pornosite op internet. Een minister zou zich daar niet door moeten laten verleiden.

Amsterdam, finale rock-¿n-rollkampioenschap (1957). (Trouw) Beeld
Amsterdam, finale rock-¿n-rollkampioenschap (1957). (Trouw)
Gina Lollobrigida (1959). (Trouw) Beeld
Gina Lollobrigida (1959). (Trouw)
Foto boven en cover: Nederland, jaren zestig, tijdschriftenwinkel met pikante boeken en bladen, locatie onbekend. (FOTO SPAARNESTAD) Beeld
Foto boven en cover: Nederland, jaren zestig, tijdschriftenwinkel met pikante boeken en bladen, locatie onbekend. (FOTO SPAARNESTAD)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden