D66 zelfbewust op weg naar vak K

D66 gedijt het best in de rol van constructieve oppositiepartij. Maar op termijn kan de coalitie niet meer om de liberale partij heen, voorziet hoogleraar Joop van den Berg.

JOOP VAN DEN BERG en EMERITUS HOOGLERAAR PARLEMENTAIRE GESCHIEDENIS ; OUD-LID VAN DE EERSTE KAMER VOOR DE PVDA

Het is lang geleden dat het liberalisme in Nederland een politiek stroompje was met zo'n tien procent van de kiezers als vaste aanhang. Vanaf de jaren zestig begon de liberale groei in Nederland. Dat werd aanvankelijk zo niet waargenomen. De groei startte immers bij D66, dat zichzelf nog niet als een liberale partij wenste te beschouwen. Na verloop van tijd aanvaardde het die gedachte alsnog, vooral in Europees verband. VVD en D66 groeiden samen uit tot een stroming van ruim een kwart van de kiezers. Intussen ligt de capaciteit van beide liberale partijen al rond een derde van de Nederlandse kiezers. In 2012 scoorden VVD en D66 samen bijna 35 procent van het totale aantal stemmen.

Ook liberale partijen lijden onder de huidige humeurigheid van de Nederlandse kiezer. Die 35 procent kan dus een uitschieter naar boven blijken, zoals de 17 procent van 2006 een uitschieter naar beneden was. Maar, de structurele stijging van het liberale electoraat tot ongeveer een derde van het totaal is onmiskenbaar. Daartegenover staat de structurele daling van wat eens de grote volkspartijen waren, het CDA en de PvdA.

Het politieke tij is voor liberalen ook gunstig, gelet op de ideologische wending die de westerse wereld eind jaren zeventig heeft doorgemaakt met het aantreden van politieke leiders als Ronald Reagan in de VS en Margaret Thatcher in Groot-Brittannië, tien jaar later gevolgd door de ineenstorting van het communisme. Beide politici verklaarden de overheid tot probleem in plaats van oplossing en droegen sterk bij aan een breed geloof in de 'tucht van de markt' als een heilzaam middel tot maatschappelijke vooruitgang.

In Nederland heeft de VVD, de meer volkse liberale partij in dit gunstige tij geprofiteerd van de afkalving van de christelijke partijen. Het meer elitaire D66 heeft profijt getrokken van de structurele verzwakking van de sociaal-democratie en de groei van de goed opgeleide middenklasse. Probleem voor de Democraten is wel aldoor geweest dat zij in de oppositie aanzienlijk herkenbaarder opereerden dan zodra zij gingen meeregeren. De ietwat eenzijdige aandacht voor staatkundige vernieuwing heeft plaatsgemaakt voor andere prioriteiten, zoals liberalisering en deregulering van de arbeidsmarkt, de woningmarkt, de pensioenwetgeving en het onderwijs. Prioriteiten met een uitgesproken liberaal karakter.

De meest succesvolle positie van D66 lijkt wel die van constructieve oppositiepartij tegenover een coalitie waar de partij eigenlijk in thuis hoort. Van Mierlo gaf daar tussen 1989 en 1994 (de tijd van Lubbers III) vorm aan door te spreken van 'oppositie vóór het kabinetsbeleid'. De partij maakte er werk van niet alles af te wijzen wat er uit de coalitie van CDA en PvdA kwam, maar beoordeelde zakelijk wat aan beide Kamers werd voorgelegd. Juist dat bleek in 1994 succesvol: D66 verdubbelde bijna zijn stemmental en bepaalde vervolgens de keuze voor 'paars'.

Alexander Pechtold en de zijnen hebben zich die leerzame jaren eigen gemaakt. In 2012, na de val van het eerste kabinet-Rutte leidde dat al tot Pechtolds 'coup', waarbij hij een politiek akkoord wist te smeden van D66 met VVD, CDA, CU en Groen Links en Nederland hielp zich te houden aan Europese begrotingsverplichtingen. Veelbetekenend: de PvdA werd erbuiten gehouden. De verwantschap met de VVD was groter geworden dan met de PvdA.

Pechtolds voorjaarscoalitie viel, op weg naar de Kamerverkiezingen, weer uiteen. Vervolgens zochten VVD en PvdA elkaar op, waarbij vooral de PvdA geen behoefte had aan het gezelschap van D66. Toch bleek opnieuw een bijzondere vorm van 'oppositie vóór het kabinetsbeleid' nodig, omdat 'Rutte II' geen meerderheid bleek te hebben in de Eerste Kamer. Samen met de SGP en de Christen-Unie is intussen zo'n oppositie vóór het kabinet alsnog van de grond gekomen. Die legt D66 opnieuw geen windeieren, als men de opiniepeilingen mag geloven.

Electoraal succes zal spoedig zijn te meten bij de raadsverkiezingen van 19 maart. Daarbij scoorde D66 in 2010 al relatief hoog. Het leverde haar een nieuwe generatie wethouders op en daarmee een 'reserve' waaruit nu te rekruteren valt voor een volgende periode. Het ziet ernaar uit dat de score - vooral in de grote en universiteitssteden - nog wat hoger wordt dan in 2010. Er is nu immers minder concurrentie van Groen Links te duchten dan toen; in de grootste steden is D66 voorts een geduchte concurrent van de Partij van de Arbeid.

Er is weinig reden om aan te nemen dat het D66 bij de Europese verkiezingen in mei slechter zal gaan. Alles wijst erop dat zijn uitgesproken pro-Europese koers opnieuw electoraal voordeel zal opleveren. In 2009 werd D66 daarin nog beconcurreerd door Groen Links; dat zal nu minder het geval zijn.

Vraag is natuurlijk: waar leidt dat toe in de huidige instabiele politieke verhoudingen in Den Haag? Voorshands waarschijnlijk nog tot weinig. De coalitie zal met een meer dan ooit zelfbewust D66 rekening hebben te houden. Het kan wel gevolgen hebben, als in 2015 nieuwe provinciale staten worden gekozen en dus een nieuwe Eerste Kamer. Als dan de trend voor D66 zich zal hebben voortgezet, komt de coalitie onder zware druk te staan om zichzelf te verbreden en het liberale element erin te versterken met D66. Of de Partij van de Arbeid zoveel liberale dominantie zal kunnen verwerken?

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden