Cyril herinnert ons aan hoe we zelf verlaten zijn

Essayist Willem Jan Otten beschouwt vier filmkinderen. Vandaag: 'Le gamin au vélo' (2011) van Jean-Pierre en Luc Dardenne.

Willem Jan Otten (1951) schrijft poëzie en proza. Hij doceert aan de Koninklijke Theaterschool in Brussel. Voor zijn beschouwend proza ontving hij in 2014 de P.C.Hooft-prijs.

Het eerste kind dat sprekend op het westerse toneel verschijnt heet Polydoros. We schrijven het jaar 425 voor Christus. Polydoros is het zoontje van Hekabe, de koningin van Troje. Natuurlijk hadden vóór Hekabe van Euripides al kinderen in Griekse tragedies hun opwachting gemaakt, maar die spraken niet. In 'Medea' komen ze zwijgend op om nog in dezelfde scène sprakeloos door hun moeder gedood te worden.

Polydoros is iets ouder dan de Trojaanse Oorlog geduurd heeft. Zijn moeder is als het stuk begint oorlogsbuit; zijn vader Priamos is tijdens de val van Troje gedood.

Ik heb nooit een voorstelling van 'Hekabe' meegemaakt, maar ook als je het stuk alleen maar leest is de opkomst van Polydoros overrompelend. Stel je een Grieks amfitheater voor, en een publiek dat in afwachting is van ongeveer 'Twelve Years a Slave', van een drama over slaaf gemaakte vrouwen na een eindeloze oorlog. Maar er verschijnen geen rouwklagende vrouwen; er komt geen rei van krijgsgevangenen op, maar een kind.

Het gaat middenvoor staan, recht voor het publiek, en vertelt wie hij is, en dat hij, toen de oorlog tien jaar geleden begon, door zijn ouders aan een bevriende koning is meegegeven, met een heleboel geld, om, mocht de oorlog verkeerd aflopen, toch de overlevende van het geslacht te zijn. En dan zegt de jongen dat hij, toen de oorlog inderdaad slecht afgelopen was, ogenblikkelijk door de bevriende koning is gedood, "en na de moord in zee gegooid, zodat hijzelf het goud in huis kon houden".

Het eerste sprekende kind in de geschiedenis van het westerse drama is dus... een gestorven kind, en het beeld dat het vervolgens van zich zelf oproept is, zo hebben we niet lang geleden meegemaakt, van alle tijden:

Ik lig op het strand, en dan weer in de branding

van de zee, steeds op de renbaan van de golven

heen en weer gesleept, onbegraven, onbeweend.

En dat is het enige dat hij nu nog verlangt. Begraven worden, 'terechtkomen in de handen van mijn moeder'. En beweend worden. Vervolgens gaat hij af, en verschijnt Hekabe - en we weten dat zij er in de loop van de (korte, niet veel langer dan een uur durende) handeling achter zal komen dat ook haar jongste, veilig gewaande kind gedood is, en aangespoeld op haar tranen wacht.

Kinderen weggeven. Als er zoiets bestaat als de geschiedenis van de verbeelding van het kind, dan loopt daar een rode draad door: die van scheiding en gemis. Of het nu de volkssprookjes zijn waarin broertjes en zusjes het donkere bos in moeten omdat hun ouders het niet rooien, of het immigrantenkind dat in een biezen mandje de Nijl op wordt geduwd, of de romans van Dickens met hun weeshuizen en kinderloze stiefmoeders, of de Harry Pottersaga - het begint ermee dat het kind beroofd wordt van wie hem op de wereld hebben gezet. Het is alsof we om te kunnen vertellen wat een kind is - om onszelf aan te kunnen sluiten op de ervaring van het kind zijn, die aan de bron van onze hele levenservaring ligt - een hardhandige via negativa moeten afleggen. Ons moeten inbeelden en zelfs herinneren, hoe het is om verlaten te zijn.

Dit is hoe dan ook precies de manier waarop Jean-Pierre en Luc Dardenne hun filmkind Cyril tot hoofdpersoon van 'Le gamin au vélo' (2010) maken. Meteen in de eerste sequentie van de film zien we hoe deze elfjarige via de telefoon contact probeert te zoeken met zijn vader. Uit de reacties van twee aanwezige, maar nauwelijks zichtbare volwassenen (die tot de staf van een kindertehuis blijken te horen) maken we op dat de hectische jongen een verkeerd nummer heeft gedraaid, dat het juiste nummer onbekend is, dat er simpelweg geen vader aan de andere kant is, zelfs: dat al zou de vader bereikt worden, de jongen te horen zal krijgen dat de vader geen verbinding wil.

Cyril is een weggegeven kind. Moederloos. Daar wordt geen woord aan gewijd, net als in een sprookje van Andersen. Het wordt allemaal in razend tempo verteld, je krijgt de tijd niet om je af te vragen wat Cyrils voorgeschiedenis geweest zou kunnen zijn, hij is simpelweg een wandelende afgrond, nog geen maand geleden in het tehuis terechtgekomen, hij is een ontstellend gat dat gevuld moet worden, en hij weet maar één manier: mijn vader vinden, want die leeft wél. (Eigenlijk concludeer je uit dit simpele feit dat de moeder dan dus wel gestorven zal zijn, ook al wordt dat nooit verteld.)

En zo rennen we, samen met een manisch jochie de film in, op de hielen gezeten door het tehuispersoneel dat ons tot rede wil brengen. Voor de gebroeders Dardenne is film in de allereerste plaats een kwestie van volgen, met een camera achter mensen aan het leven in bewegen, en hun personage vervolgens niet loslaten. Tot geen prijs. Er is prachtig over hun cinema geschreven, en één essayist vergelijkt hun intens betrokken cameravoering met de blik die de engelen van Wim Wenders in 'Der Himmel über Berlin' op de mensheid werpen - niet op de mensheid dus, maar altijd, zonder los te laten, op steeds één iemand in zijn of haar allenigheid afzonderlijk.

Hun camera staat simpelweg nooit naast de scène, we kijken heel zelden van terzijde 'naar' het verhaal. De gebroeders Dardenne doen niet aan 'shot/tegenshot', ze weigeren categorisch de objectieve vertellers van het verhaal te zijn. Volgens filmessayist Mark Cousins bereiken zij daardoor "een zuiverheid van film maken - altijd voorwaarts bewegend, voorwaarts - en de unieke gewaarwording om over de schouder van het kind mee te kijken gedurende zijn queeste".

Ik geloof dat het om meer dan 'meekijken' gaat. Het knappe van de film is immers dat we, terwijl we met Cyril meehollen, terdege weten dat we nergens heen rennen. Uit allerlei details, opmerkingen van de begeleiders, tekens die de realiteit ons geeft, maken we op dat de vader, zelfs als hij gevonden wordt, nul op rekest zal geven. Zo zegt Cyril dat hij naar zijn vader gaat omdat hij zijn fiets wil ophalen - terwijl we van een begeleider horen dat de vader de fiets verkocht heeft. Een vader die zijn kind weggeeft en vervolgens z'n dierbaarste ding verkoopt...

Cyril weigert dit te geloven - en begint alleen maar harder te hollen, richting vader. We kijken, inderdaad, niet alleen mee, maar zijn op één of andere manier ook aangesloten op het innerlijk van Cyril. We weigeren samen met hem te geloven wat de redelijker wezens van het verhaal - de 'volwassenen' - tegenwerpen. Weigeren te geloven staat hier gelijk aan geloven: we willen samen met Cyril dat er aan het eind van ons hollen een vader op ons wacht. Dit 'tegen beter weten in gaan' verbindt ons, zou je kunnen zeggen, met het kind dat ook wij zelf zijn geweest - met het blinde vertrouwen dat we door volwassen te worden verliezen.

Als de vader eenmaal gevonden is, krijgen we een ontstellende opeenvolging van scènes te zien. In de keuken van een fastfoodtent dringt Cyril tot zijn vader door. Die werkt daar, in de oorverdovende herrie van een gettoblaster. Het kind kijkt naar de vader en neemt, terwijl die zwijgt, de handeling van roeren in pannen over - als om te zeggen: ik kan hier met jou samen zijn, en je voor altijd helpen. Enkele beeldwisselingen en pogingen van de vader om het kind van zich af te schuiven later zegt, bij het afscheid, de vader tegen de vrouw die met Cyril mee op zoek is gegaan, dat hij zijn kind niet meer kan hebben. Niet alleen nu niet, maar nooit. Hij heeft de vrouw apart genomen, en vraagt haar of zij dit aan Cyril wil zeggen. De vrouw weigert dit. En dwingt de vader om het zelf tegen zijn kind te zeggen.

Als dit gebeurt, met zeer weinig woorden, is het alsof we een moord bijwonen. De film is krap een half uur oud. We hebben nu al het punt bereikt waar, zeg, de films van Michael Haneke ophouden: dat waarop de grote illusie van het bestaan ontmaskerd wordt. Het kwaad is aangetoond. De realiteit onder ogen gekomen. Want wat was het verlangen van Cyril naar zijn vader anders dan een schadelijk geloof? Niets ter wereld was zoveel vertrouwen en hoop waard. Verteld is nu hoe de werkelijkheid in elkaar steekt. Unde malum - waar komt het kwaad vandaan: we zien het nu, met eigen ogen.

Toch is er nog drie kwartier te gaan. En ja, in die tijd wordt er trefzeker, en met bittere logica, verteld hoe kwaad kwaad baart, hoe Cyril door een drugsdealer uit de buurt wordt opgeleid tot crimineel; Cyril pleegt een weerzinwekkende roofoverval. De gebroeders Dardenne zijn zeldzaam heldere vertellers, we zien voor onze ogen hoe de dealer de existentiële vertrouwenscrisis waar Cyril door zijn vader in is gestort 'gebruikt'.

Toch is ook dit niet het verhaal waar het in deze film uiteindelijk om gaat. Hoe overtuigend de gebroeders ook vertellen, bijna als een parabel, hoe een jong mens tot kwaad vervalt - het unde malum, dat zoveel van de beste cinema beheerst is niet hun uiteindelijke kwestie. Ze willen iets vertellen wat nóg moeilijker te verhapstukken is. Verteld wordt dat er iemand in Cyrils leven is die hem niet laat schieten.

Zij is de vrouw die al ter sprake kwam, degene die de vader gedwongen heeft zelf te zeggen dat hij Cyril liet schieten. Ze is een kapster. Het toeval dat haar en Cyril samenbrengt is meesterlijk verteld. Als het gebeurt besef je het nauwelijks, en achteraf - als duidelijk wordt hoe oneindig belangrijk zij voor de 'verlossing' van Cyril blijkt te zijn, voor de ontbinding van het kwaad waar hij tot over zijn oren in verwikkeld raakt - kun je je het ogenblik niet anders herinneren dan als stomtoevallig, wat misschien een andere manier is om te zeggen dat het een wonder is geweest. Beide formuleringen zijn hulpeloos.

Zoals de gebroeders Dardenne niet verteld hebben waarom de moeder van dit filmkind dood is, zo verzwijgen ze ook waarom de kapster, als het kind in doodsnood in haar leven inbreekt als een bliksem bij heldere hemel, zo onvoorwaardelijk in hem gaat geloven, en al helemaal waarom ze dat blijft doen, juist op de momenten waarop Cyril alle vertrouwen schendt.

Unde bonum - waar komt het goede vandaan?

'Le gamin au vélo' heet naar het kind, maar is zeker ook de film van de kinderloze Samantha. Van haar maken we mee dat zij, voor onze ogen, op klaarlichte dag, in een volle dokterswachtkamer, zwanger wordt van een om zijn vader schreeuwend, spartelend kind dat zich aan het eerste het beste lichaam vastklampt: het hare, waar het met barensnoodachtig geweld van moet worden losgetrokken.

Het is voorbij voordat je goed en wel beseft dat het gebeurt. En je hebt er de hele film voor nodig om te weten dat je het hebt meegemaakt - de geboorte van een moeder, gedurende één blikwisseling.

Filmkind. Nog twee films op weg naar Pasen

Dichter en essayist Willem Jan Otten selecteerde voor Trouw en centrum De Balie vier 'filmkinderen'.

Tot aan Pasen publiceert hij in Letter & Geest tweewekelijks een essay over een film, die in de week erop te zien is in De Balie; daar bespreekt hij de film na met een gast.

Wanneer? Derde aflevering op dinsdag 8 maart, 'Le gamin au vélo', nabesproken met psychiater Bram Bakker.

Waar? De Balie, Kleine-Gartmanplantsoen 10 (Leidseplein), Amsterdam.

Kaarten? Trouwlezers betalen geen euro 10, maar euro 7,50 per film.

Voorkom teleurstelling en reserveer via www.trouw.nl/exclusief

Verder? De laatste vertoning (Andrei Tarkovski's 'Jeugd van Iwan') is op woensdag 23 maart.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden