Cuypers, een bouwkunstig alleskunner

Waarom had hij eigenlijk niet aan de Technische Hogeschool in Delft gestudeerd, maar gekozen voor een opleiding aan de Antwerpse Academie voor Schone Kunsten, vroeg koning Willem III eens aan architect Pierre Cuypers. Volgens de overlevering moet Cuypers daarop hebben geantwoord: „Sire, ik heb niet gekozen voor bouwkunde, maar voor bouwkunst.”

Pierre Cuypers (1827-1921) zag zichzelf als een totaalkunstenaar. Hij noemde zich ook geen architect, omdat hij zich niet wilde beperken tot het ontwerpen van gebouwen. Hij was bouwmeester en dat hield naar zijn opvatting in dat hij ook het interieur ontwierp, van de meubels, muurdecoraties en balustrades tot de kroonluchters en deurknoppen toe. En als het om kerkgebouwen ging, kwamen ook de heiligenbeelden, altaren, banken en preekstoelen uit zijn atelier. Als bouwmeester wilde hij de totale regie hebben over zijn Gesamtkunstwerke.

We kennen Pierre Cuypers allemaal als de man die het Centraal Station en het Rijksmuseum in Amsterdam ontwierp en kasteel De Haar in Haarzuilens restaureerde. En natuurlijk als de bouwmeester van tientallen katholieke kerken. Maar dat hij zich ook zo tot in detail bemoeide met de inrichting en aankleding van zijn gebouwen, tot aan de serviezen en het bestek toe, is een aspect dat minder bekend is. Zijn creativiteit en energie moeten onuitputtelijk zijn geweest, als je afgaat op de drie tentoonstellingen en drie boeken over het leven en het werk van deze gelovige katholiek. Aanleiding voor deze Cuypersmanifestatie is het feit dat het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) na zeven jaar de inventarisatie van diens omvangrijke archief – met 550 meter het grootste architectuurarchief van Nederland – heeft afgerond.

Cuypers had een enorme werklust. Op het hoogtepunt van zijn carrière was hij met tientallen projecten tegelijk bezig. Daarnaast reisde hij veel, was hij Rijksbouwmeester en leidde hij meerdere kunstwerkplaatsen, waar de ornamenten, meubels, heiligenbeelden en andere interieurstukken werden vervaardigd. De intensiteit waarmee hij zijn werk deed, straalt ook af van de levensgrote foto in het Stedelijk Museum Roermond, dat is gevestigd in het pand dat Cuypers voor zijn gezin en bedrijf bouwde in 1853. We zien Cuypers daarop aanwijzingen geven aan een beeldhouwer die in de werkplaats bezig is met een beeld voor de Nicolaaskerk in Lutjebroek. Tussen 1850 en 1920 werden in Nederland achthonderd nieuwe katholieke kerken gebouwd. Cuypers nam daarvan tien procent voor zijn rekening. Overal in Nederland staan ze, allemaal in de stijl van de neogotiek. Want in de ogen van Cuypers was de middeleeuwse gotiek de enige gerechtvaardigde architectuurstijl.

Eén van de zalen in het museum in Roermond is net als vroeger weer ingericht als kunstwerkplaats. Op schappen staan tientallen heiligenbeelden van gips en hout en andere voorwerpen, waaruit de klanten konden kiezen. Cuypers ontwierp ze zelf of maakte een schets, die verder werd uitgewerkt door zijn medewerkers. Ook de beelden van de vier evangelisten staan er, door Cuypers ontworpen voor het later ontmantelde altaar van de Munsterkerk in Roermond. In de gelaatstrekken van Mattheüs herken je het gezicht van Cuypers zelf: de jonge ambitieuze kunstenaar als evangelist. Marcus en Lucas beeldde hij af met de gezichten van twee medewerkers die ook bij de restauratie van de Munsterkerk waren betrokken, respectievelijk Van der Leeuw, hoofd van zijn beeldhouwwerkplaats, Linsse, hoofd van de schilderwerkplaats. Johannes gaf hij het hoofd van pastoor Boermans van de Munsterkerk.

Cuypers beeldde zichzelf wel vaker af in het interieur van zijn projecten. Ook in kasteel De Haar komen we hem tegen, maar met zijn ’verschijning’ als de evangelist Mattheüs geeft hij wel heel duidelijk aan welke rol het geloof speelde in zijn leven en werk, dat hij als een missie zag. Cuypers geloofde in een samenleving met (net als in de middeleeuwen) de katholieke kerk als middelpunt. Niet voor niets beschouwde hij de Vondelkerk in Amsterdam als zijn mooiste kerk, niet alleen wat betreft architectuur maar ook vanwege de ideale positie van deze kerk midden in de gemeenschap van de Vondelstraat, waarvoor hij de woningen ontwierp.

Dat Cuypers teruggreep naar de middeleeuwse spitsbogenstijl vloeide voort uit zijn afkeer van zijn eigen tijd. De industriële revolutie bracht weliswaar allerlei vernieuwingen mee, maar leidde ook tot een desintegratie van de samenleving, meende hij. Ook gingen er waardevolle zaken verloren, zoals het eerlijke vakmanschap en de ambachtelijkheid. Het tijdperk van de middeleeuwen met zijn duidelijke rangen en standen, met de katholieke kerk als middelpunt van de gemeenschap en de gotiek als superieure architectuurstijl gold voor Cuypers als ideaal. Toch was hij geen ouderwetse man die bleef hangen in het verleden. Hij maakte volop gebruik van alle nieuwe vindingen, zocht naar vormen van standaardisatie om de productie in zijn werkplaatsen zo effectief mogelijk te laten verlopen en had zijn ateliers op moderne wijze georganiseerd. Maar in de architectuur ging er naar zijn mening niets boven de ’eerlijke’ bouwstijl van de middeleeuwen met zijn gemetselde hoge gewelven, al was van klakkeloos kopiëren nooit sprake. De gotiek was zijn uitgangspunt maar hij was wel altijd op zoek naar vernieuwingen. De liefde voor deze stijl ontstond tijdens zijn studie aan de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. Zijn docenten waren in die tijd betrokken bij de restauratie van de Onze Lieve Vrouwe basiliek, waarbij de neogotiek een grote rol speelde.

Dat Cuypers zoveel kerken heeft kunnen bouwen, kwam ook doordat hij de tijd mee had. In 1853, toen hij net een beetje bekend begon te worden als stadsarchitect van Roermond, werden de bisdommen in ere hersteld en mochten de katholieken weer kerken bouwen. Ook zijn omvangrijke netwerk en contacten in bestuurskringen hielpen hem aan opdrachten. Hij was bevriend met Victor de Stuers, die er als hoofd van de afdeling kunsten en wetenschappen van het ministerie van binnenlandse zaken voor zorgde dat Cuypers Rijksbouwmeester werd. Ook door zijn huwelijk met Antoinette (Nenny) Alberdingk Thijm, de jongste zus van Joseph Alberdingk Thijm, een schrijver en bevlogen pleitbezorger van een katholiek revival, had hij toegang tot invloedrijke (katholieke) kringen.

Cuypers woonde met zijn gezin een aantal jaren in het gebouw in Roermond, waar nu het Stedelijk Museum is gevestigd. Hij bouwde dit pand in 1853 als een ’stad in het klein’, waar wonen en werken samen zouden gaan. Toen er steeds meer mensen kwamen werken in de ateliers, ontwierp hij een paar straten verderop ook woonhuizen voor zijn personeelsleden. Met zijn woon- en werkhuis wilde Cuypers ook laten zien wat zijn ideeën waren over kunst en architectuur. Toen het huis net klaar was stond het als een soort poortgebouw in de weilanden aan de rand van de stad.

Datzelfde principe zou hij later ook toepassen bij de bouw van het Centraal Station in Amsterdam, dat eveneens als een poort naar de stad moest fungeren.

Als je door het museum dwaalt, herinneren nog diverse voorwerpen aan de legendarische bewoner, al zijn bij moderniseringen in de jaren zestig en zeventig ook veel detailleringen verdwenen. In diezelfde periode werd ook een aantal kerken van Cuypers gesloopt. De architectuur van Cuypers was absoluut ’not done’ in die tijd, herinnert Jeannine Hövelings van het Roermondse museum zich. Tijdens haar studie kunstgeschiedenis, eind jaren zeventig, werd de neogotiek met Cuypers als belangrijkste exponent, vooral vereenzelvigd met de autoritaire opvattingen in de katholieke kerk. Pas in de jaren tachtig kwam er meer waardering voor zijn werk, ook in architectuurkringen. Tegenwoordig is het ondenkbaar dat zijn nalatenschap wordt gesloopt. Het Rijksmuseum, waarover Cuypers destijds zwaar is bekritiseerd omdat het ontwerp te rooms zou zijn en te overdadig om de kunstwerken optimaal tot hun recht te laten komen, wordt weer in oorspronkelijke luister hersteld. Ook het Centraal Station, verguisd en bespot, wordt gerestaureerd en weer gezien als het poortgebouw van de stad, zoals Cuypers het had bedoeld. En het museum in Roermond, dat jarenlang niet met een expositie hoefde aan te komen over Cuypers, signaleert een groeiende vraag naar informatie over de beroemdste zoon van deze stad.

Wat verklaart deze revival van Cuypers, die tijdens zijn leven weliswaar een grote schare bewonderaars had, vooral in katholieke kringen, maar toch ook altijd omstreden was. De protestantse koning Willem III weigerde zelfs naar de opening van het Rijksmuseum te komen, omdat de architectuur te rooms was voor een rijksgebouw. In het tijdschrift De Opmerker werd Cuypers’ ontwerp met de ’lachwekkende onderdoorgang’ in 1877 betiteld als ’buitengewoon achterlijk, doodsch en mistroostig’ in vergelijking met musea in Berlijn, Wenen en Paris. De vreemdeling die ons land bezoekt zal alle recht hebben, meende deze commentator, om het museum ’van harte te bespotten’. Nog vernietigender was een ander commentaar waarin gesproken werd van een ’middeleeuwsch bouwgedrocht, dat geen enkel kenmerk draagt eener hedendaagsche creatie.’

Op de tentoonstelling in het NAi in Rotterdam wordt aan de hand van een groot aantal tekeningen, schetsen, brieven, foto’s en kerkinterieurstukken ingegaan op de reacties op zijn ontwerpen. Cuypers bleef er altijd stoïcijns onder, vertelt Linda Vlassenrood die de tentoonstelling samenstelde. Hij ging nooit in op kritiek, maar ging stug door met zijn missie. Zelf is ze geen fan van Cuypers, maar gaandeweg is ze wel onder de indruk geraakt van zijn gedrevenheid, vakmanschap en de wijze waarop hij als een moderne manager en projectontwikkelaar zijn netwerk onderhield en zijn bureau en werkplaatsen runde. „In die zin was hij ook vernieuwend bezig met zijn vak. Het is ook niet zo dat hij domweg dingen kopieerde uit de middeleeuwen, vanuit het verleden probeerde hij te vernieuwen.”

Bij de herwaardering van Cuypers speelt waarschijnlijk ook mee dat we nu geen last meer hebben van de naweeën van een beklemmend rooms verleden. We kunnen zonder bijgedachten genieten van de schoonheid van deze architectuur en de sensatie die zijn gebouwen oproepen. Allemaal stralen ze een passie uit voor materialen, proporties, kleuren en ruimte en dat maakt Cuypers zo actueel. En dat hij als emancipator van de katholieken het geloof zo nadrukkelijk uitdroeg in zijn opvattingen over kunst en architectuur, maakt hem er ook alleen maar interessanter op in deze tijd waarin de religie weer nadrukkelijk aanwezig is in de samenleving, in de publieke ruimte en in debatten. Waar in de tijd van Cuypers gediscussieerd werd over de hoogte van de torens van zijn kerken, gaat het nu over de hoogte van de minaretten op moskeeën.

In het NAi in Rotterdam en Maastricht en het Stedelijk Museum Roermond zijn tentoonstellingen te zien over het werk van Cuypers. De volgende boeken verschenen: Pierre Cuypers van Wies van Leeuwen (uitg. Waanders), Schoonheid als hartstocht van Ileen Montijn (uitg. Inmerc) en P. J. H. Cuypers, het complete werk over de inventarisatie van het Cuypersarchief, NAi Uitgevers. Meer info op: www.nai.nl en opwww.museum.roermond.nl

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden