Cultuurhistorie

Is de drang tot een grote maatschappelijke schoonmaak een wezenlijk element van de moderne Europese cultuur? De hang naar zuiverheid heeft oude (christelijke) papieren. En kon extreme vormen aannemen. 'Massaal geweld was een probaat middel om een einde te maken aan cultureel verval.' Een beschouwing.

'Geef mij een mes', klinkt het in 1926. Waarvoor is het nodig? 'Ik wil deze zwarte zieke plek / uit mijn lichaam wegsnijden.' Met deze uitroep begint Lex barbarorum, een van de bekendste gedichten van H. Marsman. Toen hij het aan een vriend opstuurde, verstrekte hij er het advies bij om de handen tijdens het lezen in de zakken te houden, 'anders sla je de ramen kapot'.

Niemand die dat nu nog zal doen. Dat ligt aan de potsierlijkheid van de situatie ('ik heb mijzelf langzaam recht overeind gezet', schrijft Marsman, alsof zijn lijf een ladder was), en aan de omstandigheid dat vandaag de dag de kosmetische chirurgie al heeft ingegrepen voordat een plek de kans heeft gekregen zwart en ziek te worden. Ook zal voor de meesten onder ons Marsmans toon tamelijk schril in de oren klinken.

Ruim zeventig jaar geleden begreep men uitstekend wat er met de 'lex barbarorum' werd bedoeld. 'De wet van de barbaren', dat was zoveel als een tegengif voor de verwekelijkte normen die de burger ertoe stimuleerden de kwalen van lichaam en ziel met pappen en nathouden eronder te houden. En dan ging het niet alleen om de individuele ziekten, maar ook om het sluipende kwaad dat de samenleving als geheel dreigde aan te tasten: de democratische nivellering, het materialisme, de secularisatie, de zedenverwildering en andere uitwassen van een civilisatie in verval.

Het is nog een wonder dat er niet veel eerder een dichter was opgestaan om de barbaarse wetgeving af te kondigen. Maar Nederland liep nu eenmaal met alles een halve eeuw achter. Zelfs een 'zuiverende' oorlog als die van '14-'18 had er geen schoon schip kunnen maken met de vaderlandse halfhartigheid.

Over de diverse, onderling vaak zeer uiteenlopende en ook wel tegenstrijdige manifestaties van de drang tot een grote maatschappelijke schoonmaak handelt een bundel cultuurhistorische opstellen met de titel 'De hang naar zuiverheid'. Redacteuren en medewerkers pretenderen er een essentieel element van 'de cultuur van het moderne Europa' mee bloot te leggen.

In de praktijk blijven de bijdragen goeddeels beperkt tot Duitsland en Frankrijk tussen 1760 en 1930, met een klein uitstapje naar Italië. Dat is jammer, want zo heeft men de kans laten liggen om te laten zien dat in Nederland, België, Engeland en de Scandinavische landen sprake is van vergelijkbare tendenties, die bovendien tot de dag van vandaag zijn blijven doorwerken.

In het hedendaagse Zweden, cultureel gezien een hybride van puriteins christendom en staatssocialisme, liggen de voorbeelden van de zuiveringsdrang voor het oprapen, getuige de wijze waarop de overheid optreedt tegen drankgebruik, prostitutie en veronderstelde kinderverwaarlozing, om maar niet te spreken van het recentelijk uitgelekte sterilisatiebeleid waarmee zogenaamd sociaal zwakkeren van de voortplanting werden uitgesloten. 'Eugenetica' heet dat in de terminologie van het beschavingsoffensief dat met de Verlichting werd ingezet.

Degenen die vanaf het midden van de achttiende eeuw het moderne zuiverheidsideaal hebben gepredikt, lieten zich leiden door de aloude wijsheid die gebiedt dat een gezonde geest huist in een gezond lichaam. In het voetspoor van Rousseau trok men de vrije natuur in. Het eenzaam wandelen, ver van de stinkende steden, gold als een vorm van mediteren of zelfs bidden.

Later, aan het einde van de vorige eeuw, vond de wil tot een 'rein leven' een uitlaatklep in de reformbeweging, de padvinderij, de Wandervogel, de Arbeidersjeugdcentrale, het nudisme en zo meer. Op het eerste oog is het nogal verwarrend dat al deze fenomenen een late uitwas waren van de burgerlijke disciplineringsdrang die over Europa vaardig geworden was, maar dat ze tegelijkertijd sterk het karakter droegen van een openlijk verzet tegen datzelfde keurslijf van burgerlijkheid.

Minstens zo paradoxaal is het feit dat de drang tot geestelijke hygiëne vooruitstrevend lijkt, maar telkens weer wordt misbruikt door diegenen die belang hebben bij het beschermen en propageren van de 'volkse' of 'nationale' belangen. Zo onderging de medische en psychologische gezondheidszorg, die met Pasteur en Lombroso triomfen vierde, de metaforische uitvergroting tot een van staatswege uitgesproken zorg om de gezondheid van het maatschappelijk organisme.

Een gedrochtelijk begrip als 'etnische zuivering' stamt niet uit de tijd van dokter Karadzic of de praktijk van dokter Mengele, maar werd ontwikkeld vanuit dezelfde Verlichtingsidealen die hebben geleid tot het geloof in de maakbaarheid van de samenleving en de maakbaarheid van het lichaam. Het was dokter Céline, gepromoveerd op een proefschrift over de Weense medicus Semmelweis, die er in zijn vreemdelingenhaat toe kwam om joden en communisten met kwaadaardige bacillen te vergelijken.

In het leggen van onverwachte dwarsverbanden tussen wetenschap, filosofie, politiek en kunst zijn de auteurs van 'De hang naar zuiverheid' op hun best. De bestaande tegenstellingen tussen progressief en reactionair worden er door genuanceerd in een mate die van het stereotiepe zwart-witdenken niets overeind laat.

Het is onthullend en voor sommigen misschien wel onthutsend om te zien hoe de latere zionist Max Nordau in zijn kruistocht tegen de 'entartete Kunst' en in zijn suggestie dat deze ont-aarding een joods geestesmerk is, schouder aan schouder komt te staan met de nazi's. Om het maar heel complex te maken: 'entartet' waren bijvoorbeeld die expressionisten die hún afkeer van de burgerlijkheid manifesteerden in pastorale taferelen van naakte en duidelijk gelukkige mensen.

De beperking tot 'de cultuur van het moderne Europa' en dus tot de geschiedenis van de afgelopen twee eeuwen is verstandig, al blijft het gemis van een excursie naar de recente Nederlandse cultuurhistorie pijnlijk voelbaar. Maar die beperking heeft ook iets kunstmatigs. In verschillende bijdragen wordt al gezegd dat de hang naar zuiverheid een stamboom heeft die verder reikt dan de achttiende eeuw.

Sommige auteurs wijzen dan in de richting van het christendom, dat in zijn ijveren voor geestelijke wedergeboorte altijd de eis van morele reiniging heeft gesteld en bovendien een lange staat van dienst heeft wanneer het gaat om het projecteren van Kwaad en Ziekte op de Ander, die beurtelings verschijnt als de vrouw, de jood, de islamiet of de homoseksueel.

Een uitzondering is het stuk van Jan Willem de Groot. Hij koos als onderwerp de 'ariosofie' van de ex-cisterciënzer monnik Jorg Lanz von Liebenfels, een van de ideeënleveranciers van Adolf Hitler. Lanz richtte in 1899 de Orde der Nieuwe Tempelieren op, een elitair gezelschap van pan-Germaans denkende Oostenrijkers. De ideologie voor zijn beweging ontleende hij aan de gnosis, de oude, uit de Oriënt afkomstige leer betreffende goede en kwaad als twee volstrekt van elkaar gescheiden machten.

Gnostisch van oorsprong was Lanz' overtuiging dat de mens een gevallen engel is, gevangen in een lichaam van aardse stof. Alleen beperkt hij de goddelijke afkomst tot de Ariër, een door Duitse romantici geconstrueerd type dat als stamvader van de Noordeuropeanen werd beschouwd en omstreeks het jaar 0 gestalte zou hebben aangenomen in Jezus van Nazareth. Het overige deel van de mensheid bestond in Lanz' visie uit 'Untermenschen', afstammelingen van dierlijke demonen die zich op slinkse wijze met de Ariërs hadden vermengd.

Raszuivering en uitroeiing van de kwade soort was derhalve een heilige plicht. Naast deze quasi-gnostische rassenwaan nam Hitler ook het hakenkruis, 'arisch' symbool van de eeuwig voortwentelende zon, van Lanz over.

Getuigt de ariosofie van de nationaal-socialistische aspiraties in de richting van de zuivere en zuiverende Geest, Hitlers verwerking van Nietzsche laat een andere kant van de behoefte tot sociale reiniging zien. Evenals zijn leerling Ernst Junger, die in deze bundel een aparte beschouwing toebedeeld krijgt, geloofde Nietzsche in de hygiënische werking van de oorlog. Massaal geweld was een probaat middel om een einde te maken aan cultureel verval.

Ook in dit opzicht had het werk van Marsman interessant materiaal kunnen opleveren voor een op Nederland gericht essay. In 1939, met de Tweede Wereldoorlog in zicht, schreef hij zijn profetisch gedicht Tempel en kruis. Daarin pleitte hij niet alleen voor de traditionele as tussen joods-christelijke erfgoed en Grieks-Romeinse beschaving, maar draafde hij regelmatig door in de verheerlijking van een dionysische kladderadatsch die de hele Westerse beschaving tot iets nieuws zou omstoken.

Daar komt, geheel in lijn met 'De hang naar zuiverheid', naast Nietzsche ook Rousseau nog aan te pas: 'O vlees dat uzelve bevlekt / met het beurse vlees der cultuur, / wees een plant weer, een stromend wier / in de zwarte rivier der natuur'. Een fris bad, heet dat dan. Hoezo fris?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden