Review

CULTURELE AMBASSADEUR VAN DE WANHOOP JEAN MARIE BERCKMANS

J. M. H. Berckmans. 'Het zomert in Barakstad', uitg. Nijgh & Van Dittmar/Dedalus - F 24,90.

De culturele ambassadeur van de wanhoop, zoals iemand Berckmans typeerde, laat ook in zijn vierde verhalenbundel sinds zijn debuut in 1989, 'Het zomert in Barakstad', geen ruimte voor een vrolijker kijk op het leven van alle dag.

Wie liefde en gezelligheid zoekt, kan dit boek beter mijden, of - vanwege de vele kroegen die erin voorkomen - hoogstens gebruiken als alternatief kroegenboek van Antwerpen. “Ik wil het liefst alles zo rauw mogelijk weergeven” bekent hij. “Beenhard als het kan.” Het motto in het boek 'The people must have something good to read on a Sunday' kan slechts ironisch bedoeld zijn. In 'Hoe het is' kan zijn alter ego zelfs suicidale neigingen niet onderdrukken: 'het is je afvragen hoe lang nog mijn heer en eli eli lama sabaktami mijn heer en mijn god waarom hebt gij mij verlaten maar god blijft je het antwoord schuldig en er zit niets anders op dan door te gaan voort te gaan verder te gaan tot het einde in zicht is en je de strop kan knopen of de spleten en de kieren van de gaskamer afplakken met gomband en tape en dan de kraan open draaien tot je er het laatste punt achter kan zetten (. . .) het is de algehele pornografie van een leven zonder muziek'

Niettemin doet Berckmans in zijn Antwerps appartement (zijn 'gaskamer') een poging dat inktzwarte wereldbeeld wat bij te kleuren. Gezeten aan de schrijftafel verbergt hij zijn gezicht vrijwel continue achter een dikke, blauwe rookwolk, die alleen nog de contouren van zijn bril laten doorschijnen.

De korte pauzes tussen het roken (“Ik rook zeker zeventig sigaretten per dag”) vult hij op met het aanmaken van nieuwe rookstaafjes. Daartoe gebruikt hij een machientje, dat aan de lopende band produceert om aan de grote vraag te kunnen voldoen.

“Ik ben niet zo verschrikkelijk somber als in mijn boeken. Ik weet soms ook heel erg van het leven te genieten. Ik ga graag een pilsje drinken. Ik ga graag 'ns lekker uit eten, ik koop graag 'ns een mooie cd, of een mooi boek, ik ga graag 'ns naar de film.” Zaken die hij zich het afgelopen half jaar echter niet kon veroorloven. “Zes maanden heb ik zo neerslachtig als een hond in mijn fauteuil gezeten. Ik had geen geld meer. Nooit wist ik hoe ik het einde van de maand moest doorkomen, hoe ik mijn rekeningen moest betalen, de belastingen ook.”

Want Berckmans dopt alweer geruime tijd, sinds hij zelf ontslag genomen heeft als hulp in een Antwerpse boekenwinkel. In ruil voor elfhonderd gulden moet hij elke maand zijn stempels halen bij de sociale dienst. “En dat zal ik de rest van mijn leven wel blijven doen”, voorspelt Berckmans. “Boeken schrijven is en blijft een bijverdienste. In Vlaanderen kan bijna niemand rondkomen van zijn boeken. Op Claus na, misschien. Maar die schrijft alweer veertig jaar. Ik krijg de royalties voor mijn boeken en schnabbel hier en daar wat. Alles bij elkaar levert dat misschien 5000 gulden per jaar op. Daar kun je niet van leven. Maar ik schrijf omdat ik niks anders kan. Ik heb nergens verstand van. Voor een bijna veertigjarige schrijver is trouwens sowieso geen plaats meer op de arbeidsmarkt. Ik ga niet meer werken. Nooit meer. Zeker weten!”

Erger nog dan zijn geldzorgen vond Berckmans het dat hij negen maanden lang geen letter op papier kreeg. “Dat is verschrikkelijk frustrerend. Ik werd er gek van. Schrijven is voor mij de enige zin van het bestaan. De rest is flauwekul. Met schrijven ben ik 24 op 24 uur per dag bezig. Ik zit voortdurend te denken: wat ga ik doen, hoe ga ik het doen. Ik heb ideeen zat opgedaan, de afgelopen negen maanden. Ik heb aantekeningen gemaakt, werktitels verzonnen, hier en daar een zin opgeschreven, een fragment zelfs. Maar ik was er nooit tevreden over. Het lukte me niet. Vreselijk!”

Berckmans speelde in die tijd diverse keren met de gedachte een einde aan zijn leven te maken. “Als ik niet meer kan schrijven, pleeg ik zelfmoord. Zeker weten. Ik heb zelfs alle mogelijke slaappillen in huis gehaald, voor het geval dat... Nee, ik ga niet uit het raam springen zoals Jan Arends gedaan heeft.

Daar moet je toch gek voor zijn. Dat is toch afschuwelijk. Maar ik was ver heen, hoor, de afgelopen negen maanden. Dat ik geen zelfmoord gepleegd heb, komt doordat ik wist dat ik er weer bovenop zou komen. Dat ik weer zou kunnen schrijven. En zelfmoord vind ik geen goed alternatief voor het schrijven.'

Sinds kort zit Berckmans weer met enig plezier achter zijn tekstverwerker. Dat heeft hij grotendeels te danken aan het Vlaams ministerie voor cultuur. Een maand geleden viel er een brief met het logo van het ministerie op Berckmans'

deurmat. Daarin werd aangekondigd dat de schrijver J.M.H. Berckmans een werkbeurs tegemoet kan zien van 286 000 Bfr, zo'n 15 000 gulden. Hij behoorde met 56 andere auteurs tot de uitverkorenen. “Ik zie deze beurs als een vorm van erkenning voor mijn werk. Men weet dat ik hard werk, dat ik er ernstig mee bezig ben, en dat ik kwaliteit lever. Ik heb vier boeken gepubliceerd, en niet de minste, in vier jaar tijd. Niemand misgunt mij die beurs.”

Het geld dat aan de beurs verbonden is, inspireerde Berckmans om weer te gaan schrijven. “Met een lege maag kan ik niet werken. Sinds kort ben ik weer bezig. Honderd procent is het nog niet, maar het zit eraan te komen. Die beurs was vitaal voor me. Die heeft me uit de put geholpen.” J. M. H. Berckmans werd bijna veertig jaar geleden geboren in Belgisch Limburg, in de garnizoensstad Leopoldsburg. Zijn vader was een handlanger. “Nee, geen deelnemer aan louche praktijken, maar een ongeschoolde arbeider. Ik kom uit een familie van handlangers en keuterboertjes.” Omdat zijn vader werk vond als lasser in Antwerpen verkaste ook de elfjarige Jean Marie met zijn drie zussen en broer mee naar 'Barakstad'. Op school kreeg hij als kind uit een arbeidersmilieu te maken met leeftijdgenoten van wie de vaders minstens dokter of advocaat waren. “Ik heb het daar erg moeilijk mee gehad. Ik werd niet echt gepest, maar wel scheef bekeken.”

Ook als kind stapte Berckmans nooit blijmoedig door het leven. “Ik was een mistroostig, verdrietig kind. Heel veel op mezelf”, herinnert hij zich. Een goeie voedingsbodem voor zijn schrijverschap. “Ik kwam al heel vroeg in aanraking met boeken. Toen ik het schrijven amper onder de knie had, schreef ik al verhaaltjes. Vanaf m'n zevende. Dat ben ik blijven doen. Op m'n vijftiende heb ik zelfs een halve roman geschreven. Daar ben ik mee gestopt, omdat ik er op een gegeven moment niet meer uit kwam. Het werd veel te ingewikkeld.”

Tijdens zijn korte verblijf op de universiteit, waar hij Germaanse filologie studeerde, publiceerde Berckmans verhalen in studentenkrantjes. Totdat hij op zijn negentiende ten prooi viel aan manische depressies, een erfenis van zijn vader. “Ik werd zwaar psychotisch.” Vijf jaar lang werd hij verpleegd in diverse inrichtingen. Volgestopt met pillen, platgespoten, behandeld met elektroshocks. “Over die periode wil ik ook ooit nog eens gaan schrijven.

Alleen weet ik niet hoe.'

Terug in de maatschappij leerde hij zijn vrouw kennen. Met haar vertrok hij na hun huwelijk naar Italie. Een periode waar Berckmans met veel plezier aan terugdenkt. Als vertegenwoordiger in sportschoenen deed hij daar meer dan uitstekende zaken. “We woonden in Bari in een grote villa met vier slaapkamers, drie badkamers, en een tuin op honderd meter van de zee. We hadden een grote, sjieke auto. Eigenlijk alles wat we ons maar konden wensen. We baadden in luxe.”

Totdat zijn vrouw na zes jaar heimwee kreeg naar Belgie. Met de grootst mogelijke tegenzin vergezelde Berckmans haar naar hun vaderland. Daar werd hij opnieuw manisch. In amper drie maanden tijd verbraste hij zo'n slordige vijftigduizend gulden. Uitgegeven aan een geflopt popfestival. Hoewel hij van organiseren niets wist, stak hij zelf Het Kanaal over, contracteerde daar enkele dure Engelse bands, haalde ze op in dure limousines, liet ze champagne drinken en in het duurste hotel van Antwerpen overnachten. Alleen vergat hij publiciteit te geven aan hun optredens.

Het gevolg laat zich raden. Op de avond van het festival was er amper honderd man publiek. Berckmans was gelijk bankroet. Zijn wereld stortte in. Hij werd zelfs opgenomen in een gekkenhuis, nadat hij in een volgescheten pyjama en op blote voeten een cafe was binnengegaan. Hun huis in Steendorp moesten de Berckmansen noodgedwongen verkopen en verruilen voor een Antwerps appartement.

Een huwelijkscrisis was geboren. Inmiddels is zijn vrouw officieel van hem gescheiden. Haar vertrek heeft hij onderhand wel geaccepteerd (“Het ging echt niet meer”), zij het met behulp van een stevige dosis alcohol. “Ik heb vreselijk gezopen. Hoe vaak ben ik 's nachts niet door de politie naar huis gebracht en in bed gestopt.”

Ondanks de welstand tijdens zijn Italiaanse periode verlangt Berckmans niet terug naar die tijd. “In Italie heb ik alles bij elkaar misschien twee verhalen geschreven. Weelde en schrijven gaan niet samen. Tenminste bij mij niet. Als ik mocht kiezen tussen de luxe van Italie en het schrijven van verhalen, dan kies ik voor het laatste.” En niet eens omdat hij als vertegenwoordiger niet meer aan de slag kan. Achter het stuur zal hij nooit meer kruipen. Twee jaar geleden reed hij in zwaar beschonken toestand met de auto van zijn vrouw vol in op een van de vele wegopbrekingen die Barakstad constant ontsieren. Zelf kwam hij er met een gekneusde rib vanaf, maar de auto was total-loss.

Berckmans - zijn jongste depressie te boven - lijkt te kunnen berusten in het leven dat hij momenteel leidt. 's Middags om twee uur opstaan, plaatje draaien of naar de radio luisteren, tegen vijven naar zijn stamkroeg, om zes uur naar zijn ouders om een hapje te eten, daarna met zijn vader tv kijken tot een uur of een, dan weer naar de kroeg en tenslotte van twee tot zes schrijven. Dag in dag uit, behalve in het weekeinde, “want dan is het meestal pas vier uur voordat de tv is afgelopen.”

Hoewel Berckmans zijn ouders dagelijks ziet, is hun belangstelling voor zijn schrijverschap nihil. “Ze hebben mijn boeken wel gelezen, maar er nog nooit een woord over gezegd. Mijn schrijverschap wordt eenvoudig doodgezwegen. Als je aan mijn ouders vraagt wat mijn broer doet, zeggen ze: 'Die is professor in de filosofie in Amerika'. Als je vraagt wat Jean Marie doet, antwoorden ze: 'Die is werkloos'. Laatst was ik op de Belgische tv. Mijn moeder heeft niet gekeken.

Die is een half uur voor de uitzending naar bed gegaan.'

Misschien zou J. M. H. Berckmans meer waardering bij zijn ouders geoogst hebben, als hij zich op muzikaal gebied ontwikkeld had. “Maar ik weet niks van muziek. Begrijp er ook niets van. Ik kan alleen maar luisteren. Ik heb een hele brede smaak, van klassiek en jazz tot jaren zestig muziek, punk, new wave. Joy Division, Bruce Springsteen, Neil Young, Velvet Underground, The Doors, The Stones. Weet je, eigenlijk zou ik veel liever muzikant geworden zijn dan schrijver. Zanger, gitarist, wat dan ook. Nu maak ik muziek met taal. Schrijven is mijn manier om muziek te maken. Ik beschouw mijzelf meer als rock & rollmuzikant dan als schrijver. Het ritme, de klank van mijn zinnen zijn belangrijker dan hoe een verhaal precies eindigt. Een recensent heeft eens over mij geschreven: 'Zijn verhalen zijn sonaten en heavy metal, rock en blues, schlager en protestsong tegelijkertijd'. Dat vind ik een heel mooi compliment.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden