Criticus in tijden van Facebook

Voor recensenten is er de laatste tijd iets veranderd, signaleert Rob Schouten. Door de opkomst van 'Facebookvrienden' - schrijvers vooral - voelt hij zich geïntimideerd. 'Kun je over zulke echte, lieve mensen nog wat lelijks schrijven als het nodig is?'

Dr. P.H. Ritter jr, Dr. C. Rijnsdorp, G.H. 's Gravesande, D.A.M Binnendijk, H.A. Gomperts, wie kent ze nog en en wie kende ze eigenlijk in hun eigen tijd, die paladijnen en azijnpissers van de literatuur, de literatuurcritici?

Ongezien en onbemind deden ze hun werk, aan de randen van het literaire rijk, kamergeleerden die opbouwden en afbraken.

Hoe ze eruitzagen wist niemand, want je zag ze niet in de kroeg, in de literaire cafés, op de artistieke gala's. En zelf bemoeiden ze zich ook nergens mee. Misschien kwamen ze een keertje langs voor een diepte-interview met de auteur, maar verder leefden ze in stilte en vormden hun oordeel thuis in hun stoel, zonder rancune als het goed was, zonder nepotisme, onpartijdig, grauw.

Simon Carmiggelt schreef onder het pseudoniem Karel Bralleput eens een gedichtje over een criticus, een toneelcriticus in dit geval maar het plaatje kan evengoed opgaan voor de literatuurcriticus.

Het begint zo: 'De criticus zit vadsig in zijn stoel/ en kijkt neerslachtig naar 't nieuwe stuk.' Dan 'zucht en mompelt' hij. 'In de pauze zwijgt hij zuur/ en giet de koffie in zijn tragisch mannenhoofd.'

Het gedicht eindigt als volgt bij moeder de vrouw:

Maar thuis vraagt zij, als een die weten moet:

"hoe was 't Piet?" Hij opent juist zijn jas.

Zijn buik zwelt op en met sonore bas

velt hij zijn oordeel: "Mien, het was niet goed"

Geen wonder dat deze naargeestige, wereldafzijdige criticaster in de literaire wereld zelden een goed figuur sloeg. Niets zo lonend voor schrijvers als om af te geven op degene die hen de maat nam.

Hier, een beeld van de criticus in Geerten Meijsings sleutelroman 'De grachtengordel': "Want zelf hadden die kraaien nog nooit een boek geschreven, al verzamelden ze af en toe hun stukjes in de vermomming van een boekband, en publiceerden ze soms een eerstejaars-syllabus met citaten als handboek voor de literatuurgeschiedenisboeken, als je ze zo kon noemen, die al verouderd en achterhaald waren voor ze gepubliceerd werden."

Renate Dorrestein op haar beurt had het over 'armzalige mutanten'.

Toch was de criticus van de afgelopen jaren al een andere figuur geworden, geen grijze muis meer met een sombere of waarderende pen, maar iemand die deelnam aan het literair debat, niet bang was om zich de vijandschap van schrijvers op de hals te halen of dat zelfs een eer vond, de knuppel in het hoenderhok te gooien.

Sinds de ouderwetse criticus Kees Fens er in de jaren tachtig publiekelijk de brui aan gaf omdat de invloed van de markt op het boek hem te groot was geworden en het niet meer om kwaliteit en verdiensten ging, hebben critici als wijlen Michael Zeeman, Arjan Peters, Arie Storm - critici met een grote bek zeg maar - het roer overgenomen. We kennen ze, uit de kroeg, van het Boekenbal, we kunnen op tijd een straatje omlopen als we ze in het vizier krijgen: ze zijn er en doen mee.

Ik ben er zelf zo een, criticus en mandarijn, voor deze krant en voor Vrij Nederland. Ik heb me wel eens afgevraagd hoe het zo gekomen is, want ik was toch ook dichter en op mijn studentenkamertje pende ik ooit aan een ambitieuze roman. Maar nee, als er één vastigheid is in mijn cv dan is het dit: ik ben criticus, literatuurcriticus, beoordelaar van het boek.

Hoewel ik wel degelijk op het Boekenbal en in café de Zwart kom, was het toch altijd een wat eenzaam, wereldafzijdig beroep. Hoe je het ook wendt of keert, je moet iets van een boekenwurm hebben. Maar de laatste tijd is er iets veranderd. Opeens word ik geconfronteerd met dat andere boek: Facebook. Er gaat een wereld open, dat zeker, maar ook een rare, niet helemaal duidelijke, ietwat intimiderende wereld. Niet langer zit ik met een boekje in een hoekje maar ik bevind mij ineens in de open lucht, zichtbaar voor iedereen. Overigens, niemand heeft gezegd dat je op Facebook móét zitten en áls je erop zit kun je er ook weer afgaan of allerlei filters aanzetten zodat je ongestoord verder kunt lezen. Maar met Facebook is het als met televisie: hij kán wel uit en je kúnt hem wel wegdoen maar in de praktijk lukt dat meestal niet, je bent ongemerkt verslaafd geraakt.

Geen literaire of literairkritische motieven dreven mij ooit naar Facebook. Het was de sociale mens in mij. Ik was op zoek naar oude vrienden die van de horizon waren getuimeld. Die kon je daar vinden, zeiden ze. Het klopte. Eén na één meldden de verloren gewaanden zich. We converseerden een keer of drie vier hevig met elkaar, opgewonden over zoveel gedeeld verleden, daarna doofde het digitale reünistengeluk en werden we weer gewone vrienden, zij het ver weg maar op Facebook is niks ver weg. Missie volbracht.

Maar inmiddels zat ik er op. Gezellig. Nieuwe vrienden meldden zich, zo nu en dan scharrelde ik er zelf nog eentje op. Maar ook mensen die ik niet kende. En schrijvers die mij, allicht tot hun verbazing, opeens in min of meer levende lijve aanschouwden, zagen dat ik kinderen had en wel eens met vrienden pokerde. Of ze ook vriend mochten worden. Wat voor indruk zou het maken als ik ze weigerde? Zouden ze denken dat ik hen niet goed gezind was? Bijna altijd liet ik ze toe, soms blij dat ze me zagen staan, soms schoorvoetend of met een half gevoel, maar niet de een wel en de ander niet. Niet discrimineren.

En langzaam druppelden ook de anderen binnen: uitgevers, literair agenten. Van de 450 vrienden die ik momenteel op Facebook heb is zeker de helft werkzaam in het literaire veld. Sommigen houden zich nogal koest, zoals ik zelf, anderen gebruiken Facebook als podium en etalage voor hun literaire activiteiten, weer andere laten ons ruiken aan hun autobiografie en vertellen wat hun kinderen doen of waar ze met hun geliefde op vakantie gaan. Zij nemen als het ware een voorschot op de steen die ze hopelijk ooit in hun huis gemetseld krijgen: Hier leefde en werkte Jan de Schrijver.

Dat alles trekt dagelijks aan de criticus voorbij, terwijl hij probeert zijn boek uit te krijgen. Er is niets aan te doen, hij zit nu eenmaal op Facebook. Hij zou eraf kunnen gaan om z'n rust te vinden, maar dat is ook weer zo'n daad, zo'n gebaar. En dus valt zijn oog zo nu en dan op al die ongewenste schrijversintimiteiten, dat waar Dr. C. Rijnsdorp en Kees Fens allemaal niks van wisten en wilden weten.

Niet langer maakt de schrijver met alleen zijn boek zijn opwachting maar hij dumpt zijn hele hebben en houden bij je: gezinsleven, ziekenhuisbezoek, zijn grappen, een muziekstukje waar hij van houdt en ja, ook zo nu en dan een column, een gunstige kritiek of zelfs een stukje van zijn nieuwe roman, niet zomaar zakelijk maar als vriend natuurlijk hè, want hij is toch je vriend?

Facebook is een exhibitionistisch medium en de criticus loopt op die ongevraagde tentoonstelling van schrijvers-ikken rond en kan niet ontveinzen wat hij ziet. Het is ook niet erg onpartijdig wat de schrijver hem aanbiedt, integendeel, het zijn zijn subjectieve aardigheidjes, hij toont zich op z'n gunstigst, of z'n leukst, of z'n kwetsbaarst, het is een charmeoffensief. En het cordon sanitaire dat de criticus vroeger op bijna natuurlijke wijze afsloot van de wereld der schrijvers, is verleden tijd.

Wat krijgt de criticus dan allemaal te zien? Hetzelfde als iedere Facebookvriend. Niks aan de hand dus, alleen cirkelt het voortaan ook rond in zijn professionele hoofd. Wat moet hij ermee?

Bijvoorbeeld. Schrijvers brengen soms kinderen voort, het is bekend, maar wat wisten we vroeger van ze? De kinderen van W.F. Hermans, Hella Haasse? Geen flauw idee, het speelde zich buiten ons gezichtsveld af. En schreef een enkeling er soms over dan werd het direct literatuur. Schrijvers op Facebook laten je tegenwoordig hun hele familieleven zien, tussen de schuifdeuren.

Hier, Herman Stevens, romancier te Rotterdam, gefotografeerd door zijn dochtertje. Onderschrift van de vertederde vader: "Krab maar aan je hoofd, papa, zei ze, volleerd portrettist." Of anders wel Jan van Mersbergen (laatste boek: 'Naar de overkant van de nacht') met een fotootje van zijn etende dochtertje. Wat eet ze? Tsjau min speciaal. Zalig. En over zijn zoon: "Mijn zoon moet gymspullen mee naar school en ik zeg: dan doe je gewoon dat VVV-shirt aan dat ik je gegeven heb. Hij zegt: dat trek ik echt niet aan, dat is de slechtste club ever!"

Hoe vertederend allemaal, maar onbedoeld worden het voor de criticus zo toch ook bedelende zigeunerinnen die je hun kinderen in het gezicht duwen. Kun je over zulke leuke, echte mensen wel iets lelijks schrijven als het nodig is?

Maar ook het literaire nieuws wordt je anders ingepompt. Tijdschrift Liter wil gekocht worden: "Chrétien Breukers ging naar Maastricht en nam Liter 69 mee. John Berryman's 'Eleven addresses to the Lord' lagen hem wat zwaar op de maag, maar stiekem knapte hij er best een beetje van op." Facebookvriend Chrétien, nee, dan moet het wel in orde zijn!

En uitgeverij Cossee laat weten hoe goed ze hun eigen auteur vinden: "Wow! Wat een rake en prachtige recensie schreef Jannah Loontjens over de nieuwe dichtbundel 'Maar zingend' van Mark Boog! Te lezen in het mooie poëzietijdschrift Awater. Nu beide te koop in de betere boekhandels."

Wow, goede vrienden, wow!

Ook doen sommige schrijvers er alles aan om lollig over te komen: Jamal Ouariachi bijvoorbeeld, die zich op de vernissage van Thomas Heerma van Voss 'door een of andere weirdo' aan zijn tepels laat likken. Fotootje erbij. Moet je allemaal maar weer zien te vergeten als je zijn bijzondere roman 'Vertedering' leest.

Ha, daar meldt Michael Vandebril zich als mijn nieuwe Facebookvriend. Poëziedebutant uit Vlaanderen. Over dat debuut schreef ik in poëzietijdschrift Awater weinig vleiend dat ik het 'zoetgevooisde lariekoek' vond, maar moet ik hem daarom weigeren als vriend? Hij mocht eens denken dat ik persoonlijk iets tegen hem heb, quod non. Het ging me om zijn werk: welkom, nieuwe Facebookvriend Michael Vandebril!

Facebook is kortom één grote sociëteit van elkaar bewierokende, uitdagende, leuke en maffe mensen en de criticus die zich, min of meer per ongeluk, op dit enorme boekenbal beweegt heeft er allemaal neefjes en nichtjes bij.

Hoe moet hij met ze omgaan?

Ik ben er eerlijk gezegd nog niet uit. Misschien een nieuwe methode vinden om afstand te houden en de schijn van nepotisme tegen te gaan en anders rest niets anders dan al die schrijvers te ontvrienden, zonder aanzien des persoons.

Rob Schouten

(1954) is dichter, literatuurcriticus voor Trouw en Vrij Nederland en columnist van deze krant.

Vroeger zat de criticus stilletjes thuis. Nu komen schrijvers virtueel bij hem over de vloer

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden