Couperus is groter dan we dachten

Maandag viert Nederland zijn 150ste geboortedag. Louis Couperus dacht dat niemand zijn boeken na zijn dood zou lezen, maar de thema's die hij aansneed blijken juist heel actueel. En voor 'het Onuitzegbare' hoeft hij zich niet langer te schamen.

Een jaar of tien, vijftien geleden kocht ik bij De Slegte voor een habbekrats allerlei losse delen uit de Volledige Werken van Louis Couperus (1863-1923) die ik nog niet bezat. De hele handel lag daar, maar mij ging het om onbekende titels als 'Herakles', of 'Van en over alles en iedereen', of 'Het snoer der ontferming'.

Wat een indruk maakte zelfs die onbekende Couperus op mij! Neem alleen al de openingszin van 'Herakles', toch een van zijn minder bekende en misschien ook wel mindere romans. De held zoekt zijn verdwenen kameraad: "Door de dichte wouden van Myzië, waar de zware eikenstammen als een drang van donkere reuzen naderden de blauwe, in de zon breidende zee, dreunde zijn moede, zoekende stap en vertrapte zijn voet de heesters. En de wilde dieren vluchtten en de vogelen fladderden hooger en zijn roep vulde heel het woud met de davering van zijn wanhopige buldering:

- Hylas!"

Daar snoof je toch de echte Couperus uit op, de woordkunstenaar, de schilder van mysterieuze krachten, de verfijnde estheet, en ja de zoeker naar een vriend, de onderdrukte homoseksueel.

Een buitenkansje vond ik het, maar het betekende vooral dat Couperus in de ramsj lag, net zoals die andere grote Nederlandse oeuvrebouwer S. Vestdijk overkwam. "Lezer, lees mij niet meer", schreef Louis Couperus in zijn bundel 'Brieven van den nutteloozen toeschouwer'. Maar zo zal hij dat toch niet bedoeld hebben.

Couperus had werkelijk geen hoge verwachtingen van de houdbaarheid van zijn werk. In de grote Couperus-biografie van Frédéric Bastet lezen we dat hij aan het eind van zijn leven een buurman verwittigde: "Lang zal ik niet meer leven. Dat voel ik. En na mijn dood zal niemand mijn werk meer lezen. Dat staat voor mij vast."

Die verwachting hing samen met Couperus' idee dat er geen toekomst was voor psychologisch realisme in de literatuur, het soort romans dat hij schreef: "Ik kan mij vergissen, maar voor mij staat vast, dat geheel deze literatuur - op een enkel meer dan talentvol en representatief werk na - ten ondergang is gedoemd binnen een halve eeuw, binnen tien jaren, binnen morgenochtend." Hij vergiste zich inderdaad grondig. Het was de vooravond van het modernisme, waarin schrijvers als James Joyce, Virginia Woolf en Franz Kafka het romangenre geheel nieuwe impulsen zouden bezorgen. Zijn sombere gedachte paste beter bij zijn eigen boeken over noodlot en vergankelijkheid dan bij de werkelijkheid.

Toch raakte Couperus na zijn dood wel degelijk enigszins in de vergetelheid. Wat hij geschreven had was, ondanks het algemeen erkende hoge niveau, algauw ouderwets spul geworden, horende bij een vorige generatie.

De schrijvers die de komende tijd de toon in de Nederlandse literatuur zouden zetten, de mannen rond Forum, hadden andere idealen. Niettemin zou Menno ter Braak, na aanvankelijke miskenning, Couperus nog omhoog steken als een schrijver van 'Europees formaat', maar dan voornamelijk vanwege zijn Haagse romans: 'De boeken der kleine zielen', 'Van oude mensen, de dingen, die voorbijgaan'.

De talloze andere werken in het oeuvre van veelschrijver Couperus liet hij ongenoemd. Wel werd er niet lang na de dood van de schrijver een Couperusgenootschap opgericht en verscheen er de eerste biografie van Henri van Booven, maar onder het lezerspubliek was de belangstelling al gauw tanende.

Bastet signaleert in zijn biografie uit 1987 een herleving van die belangstelling, ook omdat het in die dagen eindelijk tot een uitgave van de Volledige Werken kwam, waaruit ik dus bij De Slegte de krenten pikte. Maar een heel andere Couperusgolf negeert hij volledig. Begin jaren zeventig werden drie romans van Couperus tot televisieseries omgewerkt, 'De kleine zielen', 'De stille kracht' en 'Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan'. Veelbekeken, ook door mij. Je zou zelfs van een hype kunnen spreken maar voor Bastet waren ze kennelijk geen factor in de Couperus-receptie; hij vond ze de moeite niet waard.

Misschien niet helemaal terecht, maar ik snap het. Ook ik denk dat de verfilming van zijn werk de schrijver geen goed heeft gedaan, al was ik er indertijd danig aan verslingerd. Door Couperus voor een groot publiek in beeld te brengen raakte zijn literaire belang als het ware ondergesneeuwd. Zijn romans veranderden in exotisch kostuumdrama, in de grond niet verschillend van contemporaine series als 'De kleine waarheid' of 'Dagboek van een herdershond'.

Precies wat Couperus doet uitsteken boven die andere schrijvers, zijn stilistisch vermogen om een hele wereld uit te beelden en het onderhuids verwerken van sociale problematiek, komt niet erg uit de verf.

Wat er bij mij van is blijven hangen zijn dan ook voornamelijk bijzaken. Van 'De kleine zielen' bijvoorbeeld de druilerige Haagse melancholie, wel mooi vertolkt door de Canzone uit het hoboconcert van Alexander Voormolen dat de makers er als begintune bij hadden bedacht. En uit 'De stille kracht' onthield ik vooral de blote Pleuni Touw. Nog jarenlang citeerden wij haar dialoog, als de kokette en overspelige Léonie van Oudijck, met huissloof Oerip: "Ben ik mooi Oerip? Ja, njonja is mooi. Njonja is erreg mooi." Ongewild was Couperus scenarioschrijver geworden en zijn verhaal soap voor kijkers met gevoel voor camp.

Na de jaren zeventig zakte de Couperusmarkt dan ook weer in en leidde het werk voornamelijk een sluimerend bestaan op eindexamenlijsten, en, zoals gezegd, de door Bastet nog zo hevig verbeide Volledige Werken belandden al snel in de ramsj.

De laatste tijd lijkt de belangstelling weer te herleven. In de aanloop naar dit Couperusjaar beschreef Bas Heijne (in 'Echt zien, Literatuur in het mediatijdperk') Couperus als 'de grootste romancier die Nederland gekend heeft'.

Elsbeth Etty publiceerde een studie over 'Langs lijnen van geleidelijkheid', uitgeverij Athenaeum komt met de brieven van Couperus en als bijvangst verscheen zelfs een boekje over de vader van Louis Couperus, John Ricus Couperus.

Maar belangrijker is dat het werk zelf weer daadwerkelijk in de roulatie lijkt te komen, vooral in kringen van kenners en neerlandici die boeken als 'De stille kracht' of 'De berg van licht' lijken te hebben herontdekt. Onlangs kwam ik hem zelfs een paar keer op Facebook tegen, gewone lezers die een treffend Couperus-citaat loosden.

Het is eigenlijk niet verwonderlijk. Achter het misschien ouderwetse, altijd prachtige maar misschien ook wel eens misleidend-esthetische taalgebruik van Couperus gaat immers een nog steeds relevante kijk op de wereld schuil. Multatuli, die andere grootheid, schreeuwde het van de daken maar Couperus ('met zijn fijne handjes en zijn geestesdistinctie', schreef toneelman Willem Royaards ooit) verstopte het in subtiele, dubbelzinnige romans, die lang niet altijd goed begrepen werden.

Misschien heeft die miskenning iets te maken met onze volksaard; zo heel anders geaarde schrijvers als Nescio liggen ons beter dan die van de omfloerste, dandyeske boodschapper uit Den Haag: simpel, zakelijk, direct.

Niettemin, honderd jaar na dato zijn we nog steeds bezig Couperus' boodschappen uit te pakken. Zo houdt Elsbeth Etty in 'Het bloed van de barones' een gloedvol betoog voor Couperus als protofeminist. 'Langs lijnen van geleidelijkheid', altijd voor een antifeministische sleutelroman gehouden omdat hoofdpersoon Cornélie de Retz na een vrijheidslievend avontuurtje toch weer slaafs terugkeert bij haar dominante ex-man, is in haar ogen een boek over mannelijk machtsmisbruik.

Een zin als 'haar vlees trilde haar tegemoet' zou in plaats van vrouwelijk seksueel verlangen te beschrijven juist angst voor de macho uitdrukken, de 'manmachtige overheersing', zoals Couperus zelf het noemt.

Of Etty gelijk heeft weet ik niet. Cornélie de Retz 'verlangde, dat hij komen zou' lees ik toch ook. Maar het is juist de dubbelzinnigheid van Couperus' beschrijvingen, zijn onderdrukte en weggemoffelde boodschap die het zo boeiend maken om hem te lezen. Vrijwel nooit spreekt hij zich rechtstreeks uit. Hij voert zijn complexe, vaak paradoxale personages op en laat het aan de lezer om conclusies te trekken.

Ongetwijfeld hangt die ambiguïteit samen met zijn positie als homoseksueel: voor het maatschappelijk oog getrouwd met zijn nicht, nooit uit de kast gekomen, altijd moeten veinzen en wegstoppen.

De literatuur was zijn uitlaatklep, maar nog altijd met een flinke demper erop. Personages die het achterste van hun tong niet lieten zien, zoals de bejaarde in 'Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan', met zijn achter dikke folianten verborgen pornoblaadjes - ze waren in zekere zin Couperus zelf.

Zulks is ook het geval met de niet toevallig door Oscar Wilde geprezen vroege roman 'Noodlot', waarin de even onmiskenbaar als onuitgesproken homoseksuele fat Bertie met zijn intriges zichzelf en zijn vrienden de dood in jaagt.

Couperus, waarschijnlijk juist bekomen van een hevige verliefdheid, lijkt er de krochten van de homoseksuele ziel in te onderzoeken. Indertijd werd het boek gezien als een gevaar voor de volksgezondheid, dominees fulmineerden er vanaf de kansel tegen. Tegenwoordig geldt het als een sleutelwerk. Overigens verwierp Couperus 'Noodlot' later zelf ook; zo repressief was het moralistische klimaat begin twintigste eeuw nog wel.

Een boek dat op een andere manier een hedendaags thema in beeld brengt is 'De stille kracht'; niet blote Pleuni maar een heel andere zaak eist de aandacht van de tegenwoordige lezer op. De door de stille oosterse kracht ontheiligde Léonie van Oudijck vertegenwoordigt het deficit van de koloniale wereld.

Bas Heijne constateert terecht dat in deze roman 'het westerse geloof in de rede', 'het westerse geloof in verheffing door schoonheid en kunst', 'de hegemonie van de westerse vrouw' wordt gelogenstraft.

Wie het boek nu leest, in tijden van oosterse reuring, van de strijd tussen het Westen en het Oosten om de culturele suprematie, moet wel constateren dat Couperus een scherp oog had voor veranderingen in de wereld die nog steeds actueel zijn.

In sommige opzichten zou je hem dan ook een profetisch schrijver kunnen noemen, met ideeën die in zijn tijd nog niet konden. Vandaar de intrigerende besmuiktheid over thema's die pas vijftig jaar later bespreekbaar werden: de onvrijheid van de vrouw, seksuele taboes, misplaatste culturele arrogantie, Couperus raakte dingen aan die nog steeds aan de orde van de dag zijn. Nieuw is dat hij zich voor lezers van nu niet langer hoeft te generen voor al 'het Onuitzegbare'.

Vergetelheid
Dat de waardepapieren van een schrijver kunnen stijgen en dalen bewijst het succes van John Williams' roman 'Stoner'. Ten tijde van de eerste publicatie, in 1965, niet veel meer dan een bescheiden succes, is het nu ongeveer dé literaire hype van het jaar. Shakespeare, allang onomstotelijk, werd ooit voor een charlatan gehouden. En andersom, wie leest nog de werken van de meest gelauwerde Engelse dichter uit de negentiende eeuw, Alfred Lord Tennyson?

Het oeuvre van Louis Couperus is door de jaren heen steeds wisselend gewaardeerd. Honderdvijftig jaar na zijn geboorte komt er zo te zien weer een Couperusgolfje aan.

Veel schrijvers lijken na hun dood moeite te hebben literair in leven te blijven.

Simon Vestdijk, vroeger voor veel lezers en kritici de maat, is inmiddels een literair fossiel geworden. Simon Carmiggelt, jarenlang vaste prik, dreigt weg te vallen omdat mensen zijn wereld niet meer herkennen. Ook W.F. Hermans heeft het moeilijk na zijn dood. Hetzelfde lijkt het geval te zijn met Jan Wolkers, wiens ooit schokkende romans lijden onder de wet van de remmende voorsprong.

Gerard Reve en Harry Mulisch lijken daarentegen hun lezers vast te houden, net zoals de altijd al stabiele Hella Haasse.

Hoe het met de papieren van de onlangs overleden Gerrit Komrij, Rutger Kopland en Bernlef gaat moeten we afwachten, maar die van cultuurpessimist Komrij lijken voorlopig de grootste kans te maken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden