Confessies van een filosoof

Filosoof Frédéric Lenoir schreef veel over godsdienst, erudiet en afstandelijk. Voor het eerst schrijft hij nu over die lastige vraag: 'Gelooft u zelf?'

FRÉDÉRIC LENOIR

Frédéric Lenoir (1962) is filosoof, romancier, socioloog en godsdiensthistoricus. Hij werkt als onderzoeker aan de École des Hautes Études en Sciences Sociales te Parijs en is hoofdredacteur van Le Monde des Religions. Zijn werk is in vele talen vertaald.

'En u, gelooft u in God?" Aan het eind van mijn lezingen wordt me die vraag vaak gesteld. Terecht. Het is een onderwerp waarover je, naast eventuele objectieve kennis, wel een persoonlijke mening móét hebben.

Toen men aan Albert Einstein vroeg "Gelooft u in God?", antwoordde hij: "Vertelt u me eerst wat u onder God verstaat, en dan zal ik zeggen of ik erin geloof." Daar had zijn gesprekspartner niet van terug. Uiteraard niet, want als we 'God' zeggen, over welke god hebben we het dan? Over de god aan wie de Azteken kinderen offerden? Over de persoonlijke God uit de Bijbel die tot Mozes en de profeten sprak? Over de god van Spinoza die gelijkstaat aan de natuur? Over Voltaire's grote klokkenmaker? Over de onpersoonlijke god van de stoïcijnen? Zelfs binnen het christendom kent God talloze gezichten: wat hebben de liefhebbende Vader van Jezus en de boeman uit de negentiende eeuw met elkaar gemeen? Of de God van moeder Teresa en die van Dostojevski's grootinquisiteur?

Mijn idee van God is mijn leven lang aan verandering onderhevig geweest, zoals ik ook verschillende manieren waarop Hij wordt voorgesteld heb omarmd en verworpen. Het antwoord op de vraag op welke manier we ons tot God verhouden is zelden iets anders dan een momentopname. Voor velen onder ons, en dat geldt vooral voor Europeanen, verandert het antwoord voortdurend. We hebben een 'knipperlichtgeloof': het ontwikkelt zich, het verandert van vorm, het dooft uit of licht weer op, afhankelijk van de gebeurtenissen in ons leven, van de beproevingen of geluksmomenten die we meemaken.

Ik was een jaar of veertien toen ik in de bibliotheek van mijn vader de werken van Plato ontdekte, en de socratische gesprekken die ik ademloos las, maakten mijn geest rijp voor de grote filosofische vraagstukken: wat is de waarheid? Hoe kun je een goed en gelukkig leven leiden? Op welke fundamentele waarden moet je je bestaan baseren? Wanneer ben je werkelijk vrij? Wat is de zin van het menselijk leven? Met vragen over de ziel, de ethiek en het heil van de mensheid kwam ik dus eerst via filosofische, en niet via uitgesproken religieuze concepten in aanraking.

Van een overtuigd atheïstische vriend kreeg ik op mijn zestiende een boekje, 'The Third Eye', het autobiografische relaas van Lobsang Rampa, een Tibetaanse lama die vertelde over zijn inwijding in het kloosterleven van Lhasa, vlak voor de Chinese invasie. Hoewel ik er later achterkwam dat het boekje van begin tot eind verzonnen was door een Engelsman, kreeg ik door dit spannende verhaal zin om me te verdiepen in het Tibetaanse boeddhisme.

Tussen mijn zestiende en mijn twintigste las ik alles wat ik in handen kreeg - boeken die de existentiële kwesties op de uiteenlopende manieren benaderden: de romans van Dostojevski en Hermann Hesse, de werken van Carl Gustav Jung, de islamitische mystieke poëzie van bijvoorbeeld Rumi en Attar, de belangrijkste taoïstische en confucianistische geschriften, en de stoïcijnse en neoplatoonse filosofen. In India werd ik door Tibetaanse lama's ingewijd in de meditatie.

De enige grote religie die ik nooit echt had bestudeerd was die van mijn katholieke jeugd: het christendom. Daar had ik een weerstand tegen, met dank aan nare catechismuslessen en zalvende preken.

Mijn beste vriend, die wel erg gelovig was, stelde me voor dat ik een paar dagen op mijn eentje in retraite zou gaan in een cisterciënzerklooster in Bretagne. Die uitdaging stond me wel aan, dus ik begaf me, nog maar nauwelijks negentien, naar de abdij van Boquen. Ik werd getroffen door de sobere schoonheid van dat oord en door de bezieling van de contemplatieve zusters die er leefden.

Maar dat maakte me nog niet ontvankelijk voor het christelijke geloof. De idee van een persoonlijke, geopenbaarde God was me volkomen vreemd, hoewel ik van harte instemde met die van het onpersoonlijke Absolute uit de Chinese en boeddhistische traditie, of met filosofische inzichten als die van Epictetus, Plotinus of Spinoza.

En toen las ik voor het eerst het Nieuwe Testament. Ik sloeg het open op een willekeurige bladzijde en stuitte op het evangelie volgens Johannes. Na een paar minuten werd ik een van liefde zinderende aanwezigheid gewaar: de Jezus over wie dit evangelie sprak voelde ik diep in mijn wezen. In hevige beroering en zo goed en zo kwaad als het ging, las ik verder, om me als het ware aan iets tastbaars te kunnen vastklampen.

Wanneer een Samaritaanse vrouw aan Jezus vraagt waar ze God moet aanbidden, antwoordt hij: niet op de berg Samaria of in de tempel van Jeruzalem, maar in geest en in waarheid, want God is Geest. Daarop voelde ik een enorme vreugde. Jezus leste de dorst van mijn hart en beantwoordde de vraag waarmee ik, net als die Samaritaanse, mijn hersens afpijnigde: wat is de ware religie?

Voor mij was zijn boodschap glashelder: alle religies kunnen tot de waarheid leiden, maar geen enkele bezit de hele waarheid, en de ware tempel is de menselijke geest.

Daar, en alleen daar, kan de mens in zijn zoektocht naar de waarheid God vinden.

Sinds deze mystieke ervaring dertig jaar geleden ben ik altijd in Christus blijven geloven. Ik beschouw hem als mijn innerlijke meester, de ware gids van mijn spirituele leven. Ik zoek zijn gezelschap op elk moment van de dag om me te voeden met zijn woorden.

Drie jaar heb ik in een klooster geleefd, met het idee dat ik een roeping had voor het contemplatieve leven. Ik voelde een diepe behoefte aan een eenvoudig, volkomen ongekunsteld bestaan dat helemaal in het teken stond van spiritualiteit. Ik omarmde met hart en ziel het katholicisme: zijn theologie, dogma's en rituelen. In dat leven van armoede en strikte kuisheid heb ik momenten van grote vreugde gekend.

Maar er begon iets te wringen. Het drong tot me door dat ik niet voor een monnikenbestaan in de wieg was gelegd: ik kreeg last van angsten en was voortdurend ziek. Mijn lichaam protesteerde. En ik voelde me verstikt door de Kerk. De meeste monniken en geestelijken die ik ontmoette waren ervan overtuigd dat ze de waarheid in pacht hadden. Ondanks hun mooie woorden over ruimdenkendheid meenden ze in feite dat de andere christelijke gezindten ondergeschikt zijn aan het katholicisme en dat andere godsdiensten in het beste geval armzalige pogingen van de mens zijn om tot God te komen, en in het slechtste geval duivelse tradities.

Ik heb afstand genomen van de christelijke geloofsleer en van elke religieuze instantie. Toch blijf ik mezelf als christen beschouwen. Want wat ik uit de evangeliën heb begrepen is dat geloven niet in de eerste plaats inhoudt dat je het credo kunt opzeggen en naar de kerk gaat, maar dat je je verbonden weet met Christus, dat je zijn liefde toelaat en probeert je naaste lief te hebben.

Daarom geloof ik ook dat Jezus niet is gekomen om een nieuwe godsdienst te stichten (hij is trouwens geboren en gestorven als jood), maar om de aanzet te geven tot een universele spiritualiteit, die - zonder ze te verwerpen - boven alle rituelen en dogma's liefde stelt. God vereren betekende voor Jezus zijn naaste liefhebben - jood, Samaritaan, boeddhist of heiden. Johannes bevestigt deze revolutionaire gedachte: "Niemand heeft God ooit gezien. Maar als we elkaar liefhebben, blijft God in ons en is zijn liefde in ons ten volle werkelijkheid geworden. Ieder die liefheeft is uit God geboren en kent God."

Hoewel mijn verbintenis met het Absolute voornamelijk via Christus loopt, blijft de godsvraag voor mij onbeantwoord. In mijn hart weet ik dat er iets bestaat wat mij te boven gaat en me soms aangrijpt - een diep levensmysterie, een ander niveau van de werkelijkheid dan de stoffelijke, waarneembare wereld - maar ik kan niets over dit mysterie zeggen, behalve dat het bestaat uit liefde en licht.

Daarmee sluit mijn eigen ervaring aan bij die van vele spirituele denkers uit alle culturen en tijdperken die horen bij een mystieke traditie: van het neoplatonisme uit de Oudheid, de joodse kabbala, de christelijke negatieve theologie en het islamitische soefisme tot aan de theosofische mystiek van de Renaissance.

De tragedie van de monotheïstische godsdiensten is dat ze God voortdurend benoemen, ze weten hoe Hij is en wat Hij wil. Zo hebben ze hem uiteindelijk 'verstoffelijkt' en zijn ze tot afgoderij vervallen - die ze geacht werden te bestrijden.

Ik heb bij Meester Eckhart - de grote mysticus die op 27 maart 1329 door paus Johannes XXII werd verdoemd - uitspraken gevonden die precies weergeven wat ik ervaar. "Ik vraag God dat hij me van 'God' bevrijdt." Eckhart onderscheidt tussen 'God' en 'Godheid'. De Godheid is de onbenoembare goddelijke essentie, het onbeschrijfelijke Ene, waaruit alles voortkomt. En God is de manifestatie van de Godheid in de wereld. Het is de God met de vele namen en gezichten: Jahwe, Allah, de Drie-eenheid, de Trimur, de hoewa van de islamitische soefi's, de Ein Sof van de joodse kabbalis- ten, het sunyata (de absolute leegte) van het boeddhisme of het onpersoonlijke brahman van India.

Ik kan mediteren en vanbinnen de onuitsprekelijke diepzinnigheid van de geest ervaren, maar ook God aanspreken zoals je een vader aanspreekt. Ik weet dat het goddelijke me volkomen te boven gaat, maar ik kan Christus aanschouwen en me met hem als 'beeld van God, de onzichtbare' (Paulus) verbinden. Ik kan een pantheïstisch soort ervaring van het heilige beleven in de natuur, maar ook een kaars aansteken voor een beeld van de maagd Maria of bidden voor de monstrans. Ik kan mezelf christen noemen, maar sabbat vieren met mijn joodse vrienden of Allah loven met mijn islamitische vrienden.

Wat ik lang heb beschouwd als tegenstrijdig en onverenigbaar is nu één geworden, doordat mijn betrekkingen met het goddelijke niet meer eenduidig zijn en ik mijn hart evenzeer laat spreken als mijn hoofd, mijn ontvankelijkheid evenzeer als mijn intuïtie.

Elke letterlijke lezing van religieuze teksten leidt tot onverdraagzaamheid en geweld. Het ritueel en het instituut moeten als middel en niet als doel worden beschouwd. Elk dogma, elk theologisch discours is betrekkelijk, want bepaald door de heersende cultuur, maar ook door de beperkingen van de taal en het verstand. Uit zo'n absolute benadering van de geschriften, van het ritueel, van de traditie of het instituut komt religieus fanatisme voort. Tegenwoordig zijn het de islamitische extremisten en extreem-rechtse christenen die dood en verderf zaaien; en de joodse kolonisten die elk vredesproces dwarsbomen; en de katholieke kerkvoogden die pedofiele priesters de hand boven het hoofd houden om het instituut te beschermen; en de hindoeïstische nationalisten die moslims uitmoorden.

Ook als religieus fanatisme zich van een minder gewelddadige kant laat zien, blijft het een hardnekkig obstakel voor vrede en begrip. Dan denk ik aan die honderden miljoenen gelovigen van al die verschillende religies, die ervan overtuigd zijn dat ze de hoogste waarheid in pacht hebben. De grootste kloof gaapt niet tussen gelovigen en niet-gelovigen, maar tussen verdraagzame en onverdraagzame mensen. De filosoof Maurice Merleau-Ponty zei ooit enigszins verongelijkt: "Met katholieken kun je niet discussiëren, want zij weten." Hij had hetzelfde kunnen zeggen over veel atheïsten.

Wat de vooruitgang van de mensheid en de ontwikkeling van kennis het meest in de weg staat, is niet het geloof of het gebrek daaraan, zoals eeuwenlang gedacht werd, maar dogmatische zekerheid, van welke aard dan ook. Want die leidt altijd - op al dan niet heftige of uitgesproken manier - tot de afwijzing van de ander.

In een wereld waarin alles en iedereen met elkaar in verbinding staat, lijkt het me gevaarlijk om hevige twisten te voeren over religie en over de - onbeantwoordbare - godsvraag.

Waarin we ook geloven, gaat het er niet om dat we de universele waarden bevorderen waarvan de toekomst van de hele mensheid afhangt: gerechtigheid, vrijheid en liefde?

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden