Concilies van vroege kerk wezen reïncarnatie wel af

De auteur is gereformeerd predikant in Amsterdam en wetenschappelijk onderzoeker aan de Theologische Universiteit te Kampen.

Wat betreft Quispels tweede argument, dat is juist. Er waren gnostici die een verregaande verbinding aangingen tussen het geloof in Christus en de oosterse en Griekse opvattingen van die tijd. Daarbij hoorde inderdaad de overtuiging, dat de ziel van een mens op aarde kon terugkomen.

Volgens de oude gnostiek was het echter alleminst ideaal dat een ziel opnieuw aan een lichaam werd verbonden; dat gebeurde alleen als zij in haar leven op aarde niet de juiste geestelijke kennis had verworven. Zo'n ziel zou dan door engelmachten die bij de planeten de wacht hielden, niet worden doorgelaten naar de hemel en worden teruggestuurd naar de aarde. Reïncarnatie was dus een jammerlijk lot, want het betekende dat de ziel nog was gehecht aan de materiële wereld. Het ging volgens de gnostiek juist om een hogere, geestelijke bestaanswijze, weg van de aarde. De hele schepping van de wereld was volgens gnostici dan ook een tragische vergissing van een van God afgevallen lagere geestelijke macht.

Ook de kerk ging verbindingen aan met het oosterse en Griekse denken van die tijd, maar niet in de zelfde mate als de gnostiek. Een groot verschil was dat de kerk heeft vastgehouden aan het geloof in de God van het Oude Testament, die hemel en aarde heeft geschapen. Dit geloof bracht een positievere waardering van het leven op aarde met zich mee. De grotere distantie die de kerk heeft ingenomen tegenover het oosterse en Griekse denken van die tijd, blijkt ook uit haar afwijzing van de reïncarnatieleer.

Dit brengt mij op Quispels eerste argument: Kranenborg zou er niet in zijn geslaagd aan te tonen, dat de kerk reïncarnatie ooit heeft afgewezen. Inderdaad zijn de vier bladzijden die in zijn boek 'Reïncarnatie en christelijk geloof' zijn gewijd aan het standpunt van de kerk van de eerste eeuwen, niet genoeg om dit afdoende aan te tonen. Maar dit wil niet zeggen dat zijn overzicht onjuist is.

Zelf heb ik wel geprobeerd, deze kwestie grondig uit te zoeken (Gereformeerd Theologisch Tijdschrift, 92,4/93,1). Wie de oude teksten onderzoekt, komt tot de bevinding dat de kerk zich de eeuwen door van de reïncarnatieleer heeft gedistantieerd. Zo heeft bijvoorbeeld de grote theoloog Origenes van Alexandrië (derde eeuw) zich vaak hiertegen gekeerd. Een van zijn redenen hiervoor was, dat reïncarnatie niet in de Bijbel voorkomt. De uitleg ten gunste van reïncarnatie die door aanhangers hiervan werd aangevoerd, ontkrachtte hij met een keur van argumenten.

Wel ging Origenes ervan uit, dat in een ver verleden de geesten in de hemel van God waren afgevallen en dat veel van deze geesten als gevolg hiervan als zielen aan een aards lichaam waren verbonden. De menselijke zielen zouden volgens Origenes dus al hebben bestaan vóór zij op aarde kwamen. Ook speculeerde hij over de mogelijkheid, dat als deze wereld tot voleinding zou zijn gekomen, alles weer geestelijk zou zijn. Bepaalde geesten zouden dan echter opnieuw van God kunnen afvallen en opnieuw in aardse lichamen terecht kunnen komen. Er zou zelfs sprake kunnen zijn van een cyclus van werelden, met steeds nieuwe 'incarnaties'.

Vooral monniken hebben in de eeuwen na Origenes diens speculaties als een geheime leer gekoesterd. Anderen verdachten Origenes hierom van het leren van reïncarnatie, ook al had hij reïncarnatie voor deze huidige wereld duidelijk afgewezen.

Afgezien van die monniken heeft de kerk deze speculaties van Origenes veroordeeld. Dit is uitgesproken door de synode van Alexandrië van 400 en door de synode van Constantinopel van 543. Een van de argumenten hiervoor was dat het christelijk geloof zo te veel werd aangepast aan de Griekse filosofie van Plato.

Ten aanzien van de veroordeling van reïncarnatie wordt vaak het grote concilie van Constantinopel van 553 genoemd. Dit is echter slechts ten dele juist. Ter gelegenheid van dit concilie is wel de theologie van Origenes veroordeeld. Afgewezen werden dus onder meer zijn ideeën over de val van de geesten uit de hemel, hun bestaan vóór het leven op aarde (vóór hun 'incarnatie') en een geheel vergeestelijkte wereld aan het einde.

Dit dwingt tot de conclusie, dat de concilievaders des te minder ruimte boden voor het leren van reïncarnatie: die leer veronderstelt immers dat de ziel niet maar één keer, maar diverse keren zich aan een lichaam verbindt. Waarschijnlijk werd reïncarnatie in 553 verzwegen, omdat het niet geheel duidelijk was of Origenes die nu wel of niet had geleerd; hij had zich immers zo duidelijk hiertegen gekeerd! Maar als er al geen plaats was voor de speculaties van Origenes omtrent een zelfstandig bestaan van de ziel vóór die in een menselijk lichaam kwam, hoeveel te minder voor reïncarnatie!

Quispel schijnt gezegd te hebben dat reïncarnatie niet is te verenigen met een calvinisme van dolerende (dus: gereformeerde) snit. Dat klopt. Maar dan verzwijgt hij dat het niet is te verenigen met welk calvinisme dan ook, ook niet van hervormde snit, en evenmin met het geloof van de katholieke en orthodoxe kerk van de eerste eeuwen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden