Compromis over rituele slacht bevat juridische denkfout

PvdA, VVD, D66 en GroenLinks stellen een compromis voor over de rituele slacht. Zij wilen een verbod, maar met de mogelijkheid om een uitzondering te maken voor rituele slacht die geen extra dierenleed veroorzaakt. Religieuze organisaties zullen zelf de uitzonderingssituatie moeten bewijzen. Juist deze uitzondering maakt duidelijk waarom het verbod noch het compromis de juridische toets kunnen doorstaan.

Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) vraagt van de staat een actieve opstelling bij de verwezenlijking van de godsdienstvrijheid. Dat religieuze organisaties straks zelf moeten bewijzen dat er geen sprake is van extra dierenleed, strookt daar niet mee.

Een verbod op ritueel slachten is een inbreuk van de godsdienstvrijheid. Dat lijdt geen twijfel. De mogelijkheid voor religieuze groeperingen om gevolg te geven aan eigen voorschriften en riten is een van de oudste verworvenheden waarin de godsdienstvrijheid zich eeuwen geleden openbaarde. De discussie spitst zich dan ook toe op de vraag of een inbreuk in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd is. Daarbij moet het EVRM als leidraad dienen.

Volgens het EVRM mogen grondrechten alleen ingeperkt worden als dit een legitiem doel dient en als de inperking noodzakelijk is ter verwezenlijking van dat doel. Daarmee stuit het verbod op ritueel slachten al meteen op een paar juridische obstakels. Het doel van het voorgenomen verbod is dierenwelzijn, maar dat is geen doel dat is omschreven in het mensenrechtenverdrag. Het verdrag noemt wel andere doelen die inperkingen van grondrechten rechtvaardigen: de openbare veiligheid, de openbare orde, gezondheid of goede zeden, de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Anders dan de Partij voor de Dieren lijkt te betogen, zijn dieren vooralsnog geen dragers van rechten en vrijheden die onder de laatste categorie vallen. Ook de openbare orde en gezondheid zijn geen reden voor het verbod. Hooguit kan misschien worden betoogd dat de 'goede zeden' in het geding zijn, omdat de heersende moraal over het welzijn van dieren is veranderd.

De vervolgvraag is dan: is de maatregel ter verwezenlijking ook noodzakelijk? De rechter in Straatsburg kijkt daarvoor of het verbod proportioneel is en of het doel niet door minder vergaande maatregelen kan worden bereikt. Mij dunkt dat de mogelijkheden om het welzijn van dieren te verbeteren talloos zijn. Waarom niet beginnen met het verbeteren van het leven van het dier in plaats van zijn te vroege dood? Neemt met een verbod op ritueel slachten - mede gelet op het aantal dieren dat ermee is gemoeid - het algehele dierenwelzijn in Nederland werkelijk toe?

In het voorgestelde 'compromis' schuilt alvast één juridische denkfout. Het maakt een uitzondering voor situaties waarin dieren niet onnodig lijden bij onverdoofd slachten. Maar als die situaties bestaan, is het toestaan van een uitzondering geen gunst, maar een verplichting. En het onderzoeken van die mogelijkheid is geen taak van de religieuze organisaties, maar van de staat.

Godsdienstvrijheid houdt niet alleen in dat de staat gelovigen en religieuze organisaties de ruimte moet laten om hun godsdienst te belijden, maar ook dat de staat actief maatregelen neemt ter verwezenlijking ervan. Dat heeft het Hof voor de Rechten van de Mens in verschillende zaken nadrukkelijk bepaald.

Dat de staat erkent dat het verbod misschien niet noodzakelijk is, om vervolgens religieuze organisaties op te dragen het onafhankelijk bewijs daarvan te leveren teneinde hun godsdienstvrijheid te kunnen uitoefenen: dat is de wereld op zijn kop.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden