Componisten genoeg maar wie speelt ze?

Morgen wordt het onthuld, een 'kopstuk' van Hendrik Andriessen. Niet de bedadigde blik van de oudere, succesvolle muziekmaker zal in de toekomst de entree van het Haarlemse Concertgebouw doorvorsen, maar de vriendelijke snuit van de negentienjarige die in zijn geboorteplaats Haarlem als 'jong en veelbelovend' bekend stond. Zo heet dat nog steeds wanneer het gaat over musici die hun eerste stappen op het podium zetten, of jonge componisten van wier stukken eerste uitvoeringen gaan.

Hendrik Andriessen heeft zijn omgeving niet teleurgesteld: kamermuziek, liederen, orkestwerken (waarbij vier symfonieen), solo-concerten, pakken orgelstukken, tientallen missen en andere liturgische composities voor de r.-k. eredienst, ja zelfs twee opera's vloeiden er uit zijn pen. Alles even zingbaar en speelbaar, in een mengeling van degelijk vakmanschap en Frans geinspireerde creativiteit. Hij was bovendien een voortreffelijk klavierspeler, koordirigent (r.-k. kathedrale kerk Utrecht), conservatoriumdirecteur (Utrecht en Den Haag) en pedagoog. Toen hij in 1981 stierf, kon in bijbelse termen gezegd worden dat de goede werken hem in een lange stoet begeleidden.

Honderd jaar geleden werd hij geboren. Zo'n man moet herdacht worden, oordeelden ijveraars in ons muziekleven en zetten een 'Stichting Eeuwfeest Andriessen 1992' op poten. Morgen zet die organisatie het herdenken in gang met de onthulling van het beeldje dat Jan Bronner in 1911 van klei boetseerde en in gips afgoot. De kunstzinnige familie zal er zeker blij mee zijn geweest. Nu is het in brons afgegoten: voor het Haarlems Concertgebouw.

Daar wordt morgenavond zelfs een concert gegeven door het Noordhollands Philharmonisch Orkest met uitsluitend werk van Hendrik. Dat hoort zo bij een herdenking. En het geweten wordt weer even gesust. Want wanneer staat er nou een stuk op het concertprogramma van Hendrik (die voornaam moet er bij, want het muziekleven kent ook zijn talentvolle zonen Jurriaan en Louis)? Heel af en toe de Kuhnau-variaties, het enige stuk dat repertoire hield. Maar zijn vier symfonieen? Zijn opera's 'Philomela' en 'De spiegel van Venetie'? Een slinkend aantal kerkkoren kan nog een mis van hem aan ('Christus Rex' als meest bekende) of zijn 'Te Deum' (uit 1944 met de aangrijpende wending op de slotregel 'in te Domine speravi, non confundar in aeternum' - 'op U Heer heb ik gehoopt, ik zal in eeuwigheid niet beschaamd worden').

Ineens wordt de redactie overspoeld met persberichten in de trant van 'wij herdenken Andriessen'; van Forum Filharmonisch tot Brabants Orkest, van de christelijke oratoriumvereniging 'Hosannah' uit Alphen aan de Rijn (met een concerten in hervormde en gereformeerde (!) kerken) tot de Schola cantorum van de Bossche Janskathedraal.

Ondertussen scheppen honderden componisten in Nederland onverdroten door. Tweemaandelijks, soms zelfs maandelijks stuurt Donemus, de Documentatie Nederlandse Muziek, keurig de lijst rond van werken die in het fonds zijn opgenomen. Februari levert 36 werken op, de meeste in 1990 en 1991 geschapen. Zoals een opera van Ton de Leeuw ('Antigone, drame musical'; duur 55 tot 60 minuten), de 'Trois positions pour piano' van Louis Toebosch, zijn opus 150 liefst, duur 13 minuten, of 'Pandora', 20 tot 25 minuten voor solo-slagwerker en harmonieorkest van Jan Masseus.

Alle drie zijn zij componisten die in hun pensioengerechtigde jaren zijn, maar de Muze strooit de creatieve korrels waar Zij dat wil. Er blijkt ook een nieuw werk van Louis Andriessen uitgekomen, 'Floria Tristan' voor gemengd koor a cappella op Spaanse, Engelse en Franse tekst (zestien minuten). Louis (1939), behoort tot de middengeneratie. Bart de Kemp (1959) ziet zijn 'Putti' voor kamerorkest (tien minuten) gedrukt. Maar gespeeld? Daar maakt de concertlijst met muziek uit het Donemus-fonds geen melding van.

Die over februari en maart wordt heel positief gekleurd door het grote aantal Hendrik Andriessenconcerten in grote zalen en abonnementsconcerten. In 'normale' tijden echter speelt de uitvoering van Nederlandse of in Nederland wonende buitenlandse composities zich af in de marge: De IJsbreker en het Stedelijk Museum in Amsterdam, Korzo in Den Haag, De Unie in Rotterdam, het Kruithuis in Den Bosch, Intropodium in Maastricht, bieden redelijk en vrij constant aandacht aan Nederlandse werken in hun doorlopend op de twintigste eeuw gerichte programmering. Maar het zijn kleine zalen, voor beperkte ensembles. Hun namen? Nieuw Ensemble, Asko Ensemble, Schonberg Ensemble, Orkest De Volharding, Mondriaan Kwartet, Crea Orkest, Koor Nieuwe Muziek, Amsterdams Universiteits Koor, en een handvol solisten die vasthoudend de nieuwere muziek dienen.

De Muze strooit voort. De 30jarige Reinhold Selen bijvoorbeeld, vond de tijd rijp om een symfonie te schrijven. Hij had zich eerst toegelegd op kleinere vormen, zoals een strijkkwartet, dat vorig jaar bekroond werd op het Carl Maria von Weber-concours in Dresden. Hij begon te schetsen aan zijn symfonie, ook al was er nog geen podium in zicht. Toch: hij boft, want hij kreeg kort daarna het verzoek om een symfonie te schrijven voor het respectabele Amsterdamse amateurorkest Con Brio. Dat houdt wel in dat hij voor een grotere bezetting moet schrijven dan voorzien. Alsof je meubels koopt voor een drie-kamer woning en je krijgt plotseling een vijf-kamerwoning toegewezen, zo verwoordde hij zijn situatie. In juni moet het stuk af zijn, volgend jaar zal het klinken. Dat is de droom van iedere componist: te klinken. En niet om als 'kopstuk' bij de ingang te staan.

FRANZ STRAATMAN

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden