Competentie-conflict premier en minister is oneigenlijk probleem

De auteur is oud-ambassadeur.

EDY KORTHALS ALTES

Terecht is de bewindsman geprezen op grond van zijn grote deskundigheid en onvermoeibare inzet gedurende ruim tien jaren. Weinig collega's kunnen hem evenaren als het op dossierkennis en ervaring aankomt; een niet onbelangrijk voordeel tijdens de permanente onderhandelingen in de Raad van ministers van buitenlandse zaken in Brussel.

Het is dan ook een goede zaak dat de Nederlandse regering de sterkste kandidaat voor de vrijkomende plaats in de Europese commissie naar voren heeft gebracht. Toch lijkt het mij dat in een nuchtere beoordeling van het buitenlands beleid over de afgelopen periode, die gekenmerkt is door wereldschokkende veranderingen, niet voorbij gegaan kan worden aan een enkele kritische kanttekening.

Het veiligheidsconcept. De evolutie naar een ruimer veiligheidsconcept, dat veel meer omvat dan de militaire factoren, heeft lang geduurd. in de 'moeder van alle redevoeringen' van minister Van den Broek, gehouden in september van dit jaar in Leiden, kunnen we enigszins verstopt lezen dat: "...veiligheid een veelkleurig gezicht heeft gekregen, zowel in als buiten Europa. Politieke, sociaal-economische, zelfs ecologische aspecten spelen nu een prominente rol. Militaire instrumenten blijven uiteraard van groot belang voor het bewaken en bevorderen van de vrede" .

Reeds veel eerder - al tijdens de Koude oorlog - is er door vooraanstaande wetenschappers en staatslieden met kracht op gewezen dat veiligheid niet langer gebaseerd kan worden op de wapens, volgens het klassieke recept 'Wie de vrede wil, moet zich op de oorlog voorbereiden'. Zij verwierpen de gedachte van de 'wederzijds verzekerde vernietiging', op grond van de enorme vernietigingskracht van de moderne wapens en de zo sterk toegenomen kwetsbaarheid van de huidige samenleving (zowel voor nucleaire als conventionele wapens). Over de beheersbaarheid van de wapenwedloop - gezien de dynamiek daarvan en de menselijke factor - maakten zij zich terecht zorgen.

Het is de historische verdienste van de Palme-commissie geweest het concept van de 'gemeenschappelijke veiligheid' te pousseren. In de verschillende varianten daarvan, zoals bij 'wederzijds verzekerde veiligheid', werd de betekenis van de militaire component steeds verder teruggebracht en die van de politieke, economische en ecologische kant verdiept, mede gezien de groeiende onderlinge afhankelijkheid tussen de naties. Voortaan geldt dat 'wie geen oorlog wil, zich actief dient voor te bereiden op de vrede'.

Belangrijker echter dan deze kritische reflectie op het verleden - waarover de meningen zullen verschillen - is de vraag, of de nieuwe Commissaris bereid is aan het door hem in Leiden uitgesproken veiligheidsconcept inhoud te geven. De grote milieuconferentie van dit jaar in Rio heeft niet alleen duidelijk gemaakt dat er een nauwe band bestaat tussen ontwikkeling en milieu, maar ook dat 'veiligheid', in ruimste zin, in hoge mate afhankelijk is van de gemeenschappelijke inspanning van alle landen in de wereldgemeenschap. Juist de EG kan door een veel kritischer beoordeling van de negatieve gevolgen van het door haar gevoerde beleid op tal van landen in de Derde wereld een wezenlijke bijdrage leveren aan het voorkomen van conflicten, waaraan economische en ecologische oorzaken ten grondslag liggen.

Is er met voldoende creativiteit gereageerd op de fundamentele veranderingen die zich in de afgelopen jaren, dankzij het door Gorbatsjow ingezette proces, hebben voorgedaan? Moet niet worden vastgesteld dat het Nederlandse buitenlandse beleid in de afgelopen jaren te weinig creatief is geweest bij het vormgeven aan een nieuwe structuur van samenwerking in geheel Europa?

Jarenlang is reikhalzend uitgezien naar de dag waarop de dodelijke tegenstelling tussen twee vijandige blokken zou verdwijnen en de scheiding dwars door Europa zou komen te vervallen. Het viel te voorzien dat er in Centraal- en Oost-Europa een machtspolitiek vacuum zou ontstaan. Ook de Adviesraad Vrede en veiligheid heeft hier bij herhaling op gewezen. Had het niet voor de hand gelegen zich met kracht in te zetten voor een pan-Europese vorm van samenwerking?

Ik blijf erbij dat het niet vertalen van de goede voornemens van de CSVE-top, neergelegd in het Handvest van Parijs eind 1990, een kardinale blunder is geweest. Was de terughoudendheid ten aanien van een zware CVSE niet te veel ingegeven door de VS en de vrees dat de klassieke en vertrouwde organisaties uit het verleden zouden worden ondermijnd?

Maar Navo en WEU zouden rustig kunnen voortbestaan en goede diensten kunnen bewijzen bij de totstandkoming van de nieuwe pan-Europese opzet. Naarmate deze meer gestalte kreeg zou uiteraard de klassieke taak van beide organisaties, die uit een totaal andere tijd stammen, zich wijzigen. Doch in plaats van te streven naar een krachtige institutionele opzet - waarbij uiteraard ook de consensusregel zou moeten sneuvelen - is er heel bewust gekozen voor een uiterst zwakke, over drie hoofdsteden verspreide structuur. Daarvan worden nu onder andere in het voormalige Joegoslavie de wrange vruchten geplukt.

Tegen deze achtergrond doet het nogal hypocriet aan wanneer, door degenen die bijgedragen hebben aan de slappe structuur, nu wordt geschamperd over de CVSE als zijnde een 'praatgezelschap'.

Het niet tijdig onderkennen van de in Europa radicaal gewijzigde situatie, waarbij de oude dreiging is vervallen en geheel nieuwe problemen zijn opgekomen die geheel nieuwe antwoorden vergen, maakt dat we thans getuige zijn van een historisch drama. Is het niet onbegrijpelijk dat met name de EG tot dusverre niet gekomen is met een goed doordacht Europees economisch samenwerkingsprogramma dat een perspectief biedt aan de desperate burgers in een groot deel van Europa? Is Nederland bereid daaraan overeenkomstig draagkracht mee te werken? Waarom moest een van de weinige initiatieven - Europese samenwerking - uit de koker van premier Lubbers komen?

De Derde wereld. In de nieuwe fase waarin de wereld verkeert sedert het wegvallen van de Oost-West tegenstelling dient juist aan de Noord-Zuid relatie bijzondere aandacht te worden besteed. Het succes van enkele landen kan niet verhullen dat er sprake is van een toenemende ellende in grote delen van de wereld. De kloof tussen arm en rijk neemt toe zowel tussen landen als in landen zelf. Afgezien van morele redenen, die het onmogelijk maken te berusten in een wereld waarbij een klein deel zich koestert in grote rijkdom terwijl het merendeel verkommert, zijn er tal van overwegingen die pleiten voor een actief Noord-Zuid beleid. Deze zijn zowel van politieke, economische, sociale en ecologische aard.

Tegen deze achtergrond zou een constructieve, ja zelfs krachtig ondersteunende samenwerking met de minister van ontwikkelingssamenwerking voor de hand hebben gelegen. Dit is helaas niet gerealiseerd. Keer op keer kwam minister Pronk onder druk te staan. Ook als er geld gevonden moest worden bijvoorbeeld voor Centraal- en Oost-Europa gingen de ogen van de minister van buitenlandse zaken allereerst in de richting van Ontwikkelingssamenwerking en niet naar Defensie. Een merkwaardige zaak, vooral omdat de minister van defensie terecht tot de conclusie was gekomen dat de zeer hoog opgetrokken defensiebegroting niet langer te rechtvaardigen viel toen de communistische dreiging verdween. Het lijkt paradoxaal maar het is juist minister ter Beek geweest die al vroeg onderkend heeft dat de nieuwe bedreigingen in de zo sterk veranderde wereld een totaal andere aanpak vereisen.

Het Verdrag van Maastricht voorziet in de mogelijkheid van een veel sterkere coordinatie van het ontwikkelingsbeleid tussen de EG en de lidstaten. Tegelijkertijd zijn er mogelijkheden gecreeerd om het EG-ontwikkelingsbeleid te integreren in het totale beleid. Dat kan van zeer grote betekenis zijn voor ontwikkelingslanden.

Dat betekent dat voor de Raad van de ministers van buitenlandse zaken het meewegen van de consequenties van het EG-beleid voor de Derde wereld een steeds groter plaats kan worden toegekend. Daarvan kan een heilzame impuls uitgaan op het EG-landbouwbeleid, het handelsregime, de schuldenregeling.

Het is in deze context dat de door minister Van den Broek in Leiden uitgedragen opvatting over het verbrede veiligheidsconcept een sterk positieve betekenis moet worden toegekend. Een constructieve benadering van de Noord-Zuidrelatie is immers van cruciale betekenis. Ook voor onze toekomstige veiligheid! Het huidige EG-beleid legt echter de kiem voor toekomstige conflicten en uitbarstingen van wanhoop.

Het competentieconflict tussen de minister-president en de minister van buitenlandse zaken met name ten aanzien van het optreden in de EG. Ook al kom ik uit de stal van Buitenlandse Zaken en ook al voel ik mij daar nog steeds mee verbonden, het moet mij van het hart dat het hier om een oneigenlijk probleem gaat. Wanneer door Nederland destijds volstrekt terecht gekozen is voor de Europese integratie dienen daarvan ook de consequenties aanvaard te worden. Dit houdt onder andere in dat de premier over dezelfde instrumenten en het gezag moet kunnen beschikken als het merendeel van zijn collega's. Het is een slechte zaak voor ons land als deze positie wordt verzwakt door een star vasthouden aan een op dit punt sterk verouderde grondwetsbepaling die uit een totaal andere tijd stamt. Een initiatief tot grondwetswijziging zou veel nodeloze irritatie en wrijvingen uit de weg kunnen ruimen en tevens kunnen bijdragen aan een betere coordinatie van de zaken die in Brussel aan de orde komen. Dat kan de slagvaardigheid van het Nederlandse optreden bevorderen.

Tenslotte: Nederland mag er op vertrouwen dat minister Van den Broek zich, mede gezien zijn persoonlijke kwaliteiten, niet de kaas van het brood zal laten eten. Dat is een geruststellende gedachte omdat de zinnige regel dat de Europese Commissarissen zich onafhankelijk van hun eigen land dienen op te stellen, lang niet altijd gerespecteerd wordt.

Met de nieuwe minister Kooymans is een voortreffelijke keuze gedaan. Hij beschikt over een grote internationale ervaring en kennis van zaken. Zijn persoonlijke kwaliteiten dwingen alom respect af. Hij kent het departement.

Dat zijn visie op de internationale samenleving sterk bepaald is door een langjarige ervaring met de Verenigde Naties is een groot voordeel op een tijdstip waarin er dringend behoefte bestaat aan de vormgeving van een nieuwe wereldorde. Ook de vaderlandse discussie over een herstructurering van de Verenigde Naties kan een nieuwe impuls verwachten.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden