Column Jos Brink: 'Een stervende koning'

Of je nu op de kansel staat of op het podium, zei Jos Brink in een interview met Trouw in 1992, je draagt een boodschap uit. De pastor in de vorige week overleden tv- en theaterman schreef jaren voor Trouw. Zijn eerste bijdrage, over Advent, verscheen op 16 december 1986. Van januari 1988 tot augustus 1995 verzorgde hij de driewekelijkse column ’Kerkplein’. Vandaag, op de dag van zijn begrafenis, herplaatsen we Jos Brinks Kerkplein van 29 mei 1993, kort voor Pasen. Over lijden, dood en rouw.

Jos Brink

In deze weken concentreren we ons op het lijden van Christus, waarbij de kranten en het journaal ons gelukkig een beetje helpen. Het gaat hierbij niet om medelijden, maar om meelijden. Enfin, dat begrijpt een ieder. We doen ons best, maar we kunnen ons het leed van de ander zo moeilijk voorstellen.

De lijdensgeschiedenis van de Heer maakt ons wel het een en ander duidelijk: Hij heeft het onvermijdelijke zien aankomen, Hij wist dat er verraad zou worden gepleegd, Hij wist ook dat zijn vrienden Hem zouden verloochenen, al riepen die om het hardst dat zoiets nooit zou gebeuren. We lezen over eenzaamheid en angst, gevangenneming en vernedering, van kruisgang en pijn. De Zoon van God, jawel. Maar je leert hieruit toch meer hoezeer Jezus de Zoon des mensen was, wat Hijzelf ook altijd zei. De hele Via Dolorosa is diepmenselijk. Maar meegaan? We moeten nog boodschappen doen. Wat Hij tijdens zijn leven wel klaarspeelde: een volkomen mededogen met de minsten, de zwaksten, de ongelukkigsten en de verdrietigsten, halen wij eenvoudig niet. Een beetje misschien. En toch geldt het altijd 't verdriet van een ander.

Omgekeerd werkt dat ook zo. Hoe lief iedereen ook voor je is wanneer een groot lijden jou treft, dat wat er echt diep binnenin je zit, laat zich niet verklaren en je kunt er ook niets van meedelen. Ook hier blijkt al gauw dat de omstanders het druk hebben, met een gezin, met het werk, met hun eigen leven. Bovendien moet je in onze tijd niet te lang zeuren over verdriet. Een rouwproces mag een jaar duren en dan moet er maar weer eens worden aangepakt. Het is dan het beste om wijs te zijn en niets te zeggen. Terwijl het de pijn van eenzaamheid verergert. Zo is het toch? De mensen om je heen gaan slapen, net als de discipelen, die toch heus zeer begaan waren. „Slaap maar” , zei Jezus toen, „rust maar. Het is trouwens zo ver.”

Is het bovendien niet ook zo dat het meeste verdriet dat ons wordt opgelegd, door anderen wordt veroorzaakt? Iemand gaat dood, jij zit ermee. Je liefste verlaat je, jij blijft achter. Je wordt heel erg ziek, jij moet de klus zien te klaren. Je moet zelf het kruis dragen. Je wordt er gewoon toe gedwongen, net als toen Simon van Cyrene, de man uit Jeruzalem, vader van Alexander en Rufus. Als het op kruisdragen aankomt kun je rustig stellen dat iedereen, zonder uitzondering, zich tegen die moeizame arbeid verzet. Instinctmatig wil je het niet. Alle worsteling, alle strijd, heeft te maken met dingen van buitenaf. Je stapt het leven welgemoed binnen en hup, daar heb je de eerste dreun al te pakken. En het zal niet lang meer duren of je krijgt het kruis op je nek. Daar sta je dan. Alleen. Toch is dit ook niet waar...

Ik heb ooit ergens een verhaal gelezen over een jonge koning, die lang geleden regeerde, want er komen boden in voor. De vorst was doodziek en zijn volk wist dat hij stervende was. ’s Konings moeder was ten einde raad want zij hield heel veel van haar zoon. En toen bedacht de zieke iets wat haar, na zijn dood, zou kunnen troosten. Hij ontbood zijn opperraadsheer en vaardigde een decreet uit: een jaar na zijn overlijden moest er een schitterend gastmaal worden aangericht voor alle mensen in het land die nog nooit een groot verdriet hadden gehad. De raadsheer beloofde het uit te voeren. De koning stierf. De moeder was verscheurd van smart, maar de voorbereidingen voor de grootse maaltijd begonnen meteen. Men had weliswaar nog een jaar de tijd, maar er moest rekening worden gehouden met zeer veel gasten. Toen het jaar voorbij was, ijlden boden door het ganse land om de mensen uit te nodigen. Op de avond van het diner stonden honderd koks en duizend lakeien klaar. Maar er kwam helemaal niemand! Want er was niemand in het koninkrijk die nog nooit een groot verdriet te verwerken had gekregen. En gek, dat troostte de moeder. Had haar zoon dat geweten? Er was bij haar een plotseling besef dat zij deel uitmaakte van dat heel grote leger van lijdenden.

Een mooi, wijs verhaal, vind ik. Al is verdriet een strikt persoonlijke zaak, je bent daarin toch niet uniek. Je kunt het van de ander niet echt invoelen, zoals dat modieus heet, je kunt er wel weet van hebben.

En zo hebben wij weet van Bosnië en hebben wij weet van Somalië. We hebben weet van ontslagen Daf-werknemers en we hebben weet van onze goede bisschop Bür. Wij kunnen hun kruis, net als Simon van Cyrene het met dat van Christus deed, maar even helpen sjouwen. De slachtoffers moeten het zelf volbrengen. Het is het verschil tussen omkomen en ontkomen, al is dat laatste vaak uitstel van executie. Ook al begrijpen we er maar een deel van, het gaat om het gevoel van verbondenheid, om de solidariteit met elkaar. Ieder huisje heeft zijn kruisje. Dat is waar en we hebben voldoende te stellen met onze eigen sores. Maar soms krijgt iemand een doornenkroon op het hoofd gedrukt. Je kunt je de pijn voorstellen, maar verder kom je niet, daarin schieten mensen nu eenmaal te kort.

Maar de druppel bloed die op je handen valt, kun je voelen.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden