Review

Colijn was ook een ambitieuze opportunist

Het is best mogelijk dat het begrip van de man een beetje weggezakt is in het collectieve geheugen van de Nederlanders en er zelfs Kamerleden rondlopen die glazig kijken bij het noemen van zijn naam. Maar dan lijkt de zojuist verschenen biografie van Herman Langeveld 'Dit leven van krachtig handelen' een probaat middel tegen een dreigende vergetelheid.

Het is een goedgeschreven verhaal, dat soms trekken toont van een schelmenroman (de hoofdpersoon noopt daartoe) en dat de polemiek niet schuwt. In de termen van 'óf voor óf tegen' is Langeveld niet halfslachtig. Voor alles is hij behept met een gezonde dosis scepsis.

Colijn blijkt wél een doener met een grote werkkracht (en bij alle nuchterheid toch ook nog bezeten van een romantisch verlangen om groots en meeslepend te leven - 'ik kan niet opgaan in klein werk', schrijft hij uit Indië), maar ook een ambitieuze opportunist, met het blote oog soms zelfs moeilijk te onderscheiden van een leperd en een linkmiegel. Hij was toegerust met een grote zelfverzekerheid (die op den duur gemakkelijk in zelfoverschatting overgaat) en een hardheid die schokkend kan zijn.

Colijn wordt in dit boek tot wat overzichtelijker en aardser proporties teruggebracht. En dan te bedenken dat we hier nog maar met het eerste deel van de biografie te maken hebben, want Langeveld sluit zijn verhaal af in 1933. Dan hebben we nog vier kabinetten-Colijn voor de boeg. En het is juist het decennium daarna dat bepalend is geweest voor de mythe-Colijn, zoals die in het collectieve geheugen is blijven hangen. De helft is ons dus nog niet aangezegd.

Het is ook een opmerkelijk boek, in zoverre dat het stamt uit de traditie van de Vrije Universiteit: Langeveld is als docent verbonden aan de vakgroep nieuwe geschiedenis van de VU. Tot voor kort zweeg men daar het liefst over Colijn, of maakte omtrekkende bewegingen als men geen kans zag al te vriendelijk over hem te blijven.

Langeveld is zich dit terdege bewust en in zijn inleiding bepaalt hij in een poging tot dialoog met de VU-traditie zijn eigen standpunt. Van Deursen, de grand old man van de geschiedenisbeoefening aan de VU, heeft ooit betoogd dat het bijbelse gebod van de naastenliefde zich ook tot de doden, de tot geschiedenis geworden personen, moet uitstrekken. Langeveld ontkent dat niet, maar hij maakt er in dezelfde alinea geen geheim van dat in de afweging voor hem de eis aan de historicus tot het zoeken en meedelen van de waarheid zwaarder weegt.

De hoofdlijnen van Colijns levensverhaal zijn uit eerdere, door hemzelf geïnspireerde beschrijvingen wel bekend: de boerenzoon van West-Brabantse emigranten in de net drooggelegde Haarlemmermeer, die geen zin heeft in het boerenbedrijf, geen succes is als kwekeling in een onderwijzersopleiding, voor een militaire loopbaan kiest, daar wél hard werkt en zelfs tot officier wordt beëdigd, voor een loopbaan in het Indische leger kiest, de aandacht op zich vestigt bij expedities om de 'pacificatie' van Lombok en Atjeh en aan de zijde van de pacificator van Atjeh (en latere gouverneur-generaal) Van Heutsz ook bestuurlijke ervaring opdoet. In zijn vrije tijd en doorwaakte tropennachten leest hij ondertussen Kuypers 'E voto Dordraceno' en 'Encyclopedie der Heilige Godgeleerdheid'.

Langeveld bevestigt op één punt het op zichzelf komische detail dat de historicus Puchinger ons eerder van Colijn heeft onthuld. De man die jaren later in de Nederlandse politiek de aura van de grote bezuiniger om zich zal spreiden, had een gat in zijn hand. Een leven op een te grote voet en een daarmee samenhangende schuldenlast (voor die tijd gigantische rekeningen bij de sigaren- en wijnhandelaar) hebben in hoge mate Colijns carrière in Indië en later in het bedrijfsleven bepaald, zoals hij het ideaal van een andere politicus, Jacob Cats, tot het zijne maakte: 'Godtsaligh en oock ryck'.

Colijn gaat naar Lombok en Atjeh, omdat dat beter betaalt. Hij schnabbelt als oorlogsverslaggever voor het christelijk-historische dagblad 'De Nederlander', en hij heeft zich, wanneer hij in 1911 voor de eerste keer minister wordt, van tevoren bij het bedrijfsleven ingekocht. 'Een ministerschap met een achterdeurtje' is de niet onaardige omschrijving die Van Heutsz daarvan geeft.

Langeveld doet geen poging tot diepzinnige psychologische duiding. Dit is ook in zoverre verstandig dat het grootste deel van zijn bronnen van zakelijk-ambtelijke aard is. Alleen uit de eerste huwelijksjaren, als Colijn in Lombok en Atjeh als officier vecht, zijn er brieven aan zijn vrouw Helena Groenenberg overgeleverd, waarin hij haar een inkijkje in zijn ervaringen en overwegingen geeft. Kort samengevat: voor Colijn houdt in de oorlog menslievendheid op en in de keuze tussen utiliteit en recht, legt het recht het af.

In een brief aan zijn Lena horen we daarvan een echo wanneer hij verslag doet van een gevecht waarbij ook vrouwen betrokken waren:

“Wij mochten geen genade meer geven. Ik heb 9 vrouwen en 3 kinderen, die genade vroegen, op een hoop moeten zetten en ze zoo dood laten schieten. Het was onaangenaam werk, maar 't kon niet anders. De soldaten regen ze met genot aan hun bajonetten. 't Was een verschrikkelijk werk. Ik zal er maar over eindigen.”

Ook zijn ouders hoorden het verhaal, maar in dat geval heeft hij zoiets als een verontschuldiging bij de hand (hij moest net een sigaar opsteken en toen lette hij even niet op):

“Zelfs jonge, schoone vrouwen met zuigelingen op den arm streden mee en wierpen uit de daken stukken lood op ons, terwijl anderen zelfs de lans hanteerden. Gelukkig stonden mijn dappere Amboneezen als een muur. Na den 8en aanval bleven nog eenige weinigen over, die genade vroegen, ik geloof 13. De soldaten keken mij vragend aan. Een 30-tal mijner manschappen was dood of gewond. Ik keerde mij naar achteren om een sigaar op te steken. Eenige hartverscheurende kreten klonken en toen ik mij weer omdraaide waren ook die 13 dood.”

En na het gevecht, als de Lombokkers terug komen om hun doden te begraven, worden zij opgewacht en wacht hen hetzelfde lot. 'Een kind van zijn tijd' klinkt het bij deze verhalen al gauw verontschuldigend, want het begrip oorlogsmisdaad was nog niet gedefinieerd en bij de koloniale expedities en guerrilla's van andere Europese landen ging het net zo toe.

Tja. . . Maar er was wel een andere christen-officier in het Indische leger, de infanteriekapitein J. J. B. Fanoy, die kennis had van deze praktijken, er met Colijn over sprak en in gewetensnood zich tot De Savornin Lohman wendde. Een heel gedoe, toen eenmaal de kwestie begon te rollen en het ene memorandum het andere opriep. Ook Colijn zelf ontkwam al mopperend niet aan het schrijven van nota's, waarin hij meteen in de aanval ging, zijn tegenstander als 'lasteraar' een plaats wees en van zichzelf schreef:

“Ik ben Calvinist, krachtens opvoeding en overtuiging (...) Nu was het nimmer een kenmerk van den man van Calvinistische belijdenis om zijn kracht te zoeken in stilzitten of weeklagend zuchten. En van Cromwell - Calvinist bij uitnemendheid - is het woord: 'Bidt God, maar. . . houdt het kruit droog'. Ik heb mij altijd beijverd iets althans van het Ora et Labora te doen blijken uit mijn werk.”

Een kind van zijn tijd, maar dan wel met een geweten als een hooischuur en het daarmee samenhangende gebrek aan zelfkennis. Colijn was erop gefixeerd dat hij nu eenmaal niet van een klein inkomen of vermogen kon rondkomen. “Wij kunnen ons zoo slecht behelpen met geringe inkomsten. Geen van beiden kunnen we dat”, schreef hij al in Indië aan zijn vrouw, ter rechtvaardiging van zijn keuze voor een gevaarlijk (en daardoor beter betaald) leven.

De politiek vormt voor hem omstreeks zijn veertigste jaar de toegang tot het grote geld van het internationale bedrijfsleven en met het grootste gemak gebruikt hij diezelfde politiek voor de belangen van dat bedrijfsleven. Oorlogsmisdaden mochten in die tijd nog niet gedefinieerd zijn en dus voor een ruim geweten niet bestaan; het begrip 'belangenverstrengeling' zal toen toen toch ook wel in een of andere vorm aan de orde zijn geweest. Kuyper in elk geval had in zijn laatste dagen de grootste moeite met Colijns intieme omgang met de Mammon - het is vermakelijk bij Langeveld te lezen hoe Colijn als zijn eigen impresario zich Kuypers geestelijke erfenis toe-eigent.

Voor Colijn echter zijn er geen problemen met tweeërlei belangen. In 1918 wordt zelfs de combinatie van twee baantjes - minister-president en directeur van een multinational - onder ogen gezien, en dat alleen maar omdat voorkomen moest worden dat er een rooms-katholiek minister-president zou worden (Wilhelmina zag er om die reden wel wat in) en omdat Colijn in zijn verblinding en zelfoverschatting dacht dat hij en niemand anders geroepen was, de natie te leiden. Een contract met Shell tot 1924 mocht daarvoor geen belemmering zijn.

Het is allemaal niet doorgegaan. Ruys de Beerenbrouck werd in dat jaar toch echt de eerste roomse minister-president van ons land. Maar als illustratie van een wereld waarin met meer dan één bal wordt gespeeld, is dit verhaal onovertroffen.

Er is nog een opmerkelijk historiografisch aspect aan dit boek, en wel de manier waarop Langeveld afrekent met zijn voorgangers als biograaf. Dat heeft één keer onverwachte trekjes, die het terrein van de mentaliteitsgeschiedenis raken. Wanneer Colijn bij een scheepsongeluk in Indië op bed ligt en zijn slaapbroek verliest, moet hij spiernaakt naar het dek: 'in Adamscostuum', schrijft hij aan zijn vrouw, die eerder al niet gesticht bleek toen zij hoorde dat haar man op zijn eenzame post wel eens naakt sliep.

George Puchinger omzeilt in zijn 'Colijn - momenten uit zijn leven' (een reeks gebundelde Trouw-artikelen) het probleem van de ontbrekende kleding door het eenvoudig niet te noemen, maar Rudolf van Reest laat in zijn 'De levensroman van dr. H. Colijn' zijn hoofdpersoon toch nog in nachtgoed aantreden. Misschien is dat nog niet eens een echte geschiedvervalsing voor wie bedenkt dat Marilyn Monroe op de vraag naar haar nachtkleding fluisterde: 'Chanel 5' (al zal Colijn op bed wel een sigaar gerookt hebben).

Erger is dat Van Reest en Puchinger, Colijns verslag van de gebeurtenissen in Lombok kennend, de schokkende gebeurtenissen (“. . .die een duidelijk licht werpen op een bepaalde kant van Colijns persoonlijkheid”, zegt Langeveld nogal onderkoeld) aan hun lezers onthouden. De naastenliefde voor de doden, die Van Deursen bepleit?

Van Rees' boek is van 1937, Puchinger bundelde zijn Trouw-artikelen in 1962. Langevelds biografie is het afscheid van deze wereld.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden