Colijn past in patroon: imperia bestaan dankzij slachtpartijen

In de berichtgeving over de wandaden van de latere premier Colijn als luitenant in het toenmalige Nederlands-Indië, komt te weinig uit de verf dat de expedities in Atjeh en het eiland Lombok sowieso slachtpartijen waren (Trouw 15 april, voorpagina). Kennelijk is het al in 1937 uitgegeven boek 'De levensgeschiedenis van Dr. Colijn' van Rudolf van Reest altijd selectief gelezen.

HUIB GOUDRIAAN

Jan Kuijk signaleert wel, in zijn rake recensie gisteren bij het verschijnen van de Colijn-biografie van Herman Langeveld, dat meedogenloos optreden tot de koloniale praktijk behoorde; en ook dat er mensen waren die erdoor in gewetensnood raakten. Nu zijn er de brieven opgedoken waarin Colijn meedeelt vrouwen en kinderen te hebben laten executeren. Dat is nieuws. Maar ik mis in de verdere berichtgeving, onder meer in het tv-programma Nova van dinsdagavond 14 april, de accentuering dat Colijn handelde volgens een bepaald patroon, binnen een structuur. Het zal niet prettig zijn om als natie te erkennen dat de koloniale geschiedenis nogal door slachtpartijen wordt gekenmerkt. Maar het besef dat imperia, en dus ook het toenmalige Nederlands-Indië, niet bepaald werden gebouwd met 'de zachte krachten', had waarlijk tientallen jaren gemeengoed kunnen zijn.

De biografie van Rudolf van Reest sprak al boekdelen. De Nederlanders, en met hen luitenant Colijn, onderdrukten met een wreedheid die nu wordt geassocieerd met de Duitse Waffen-SS. De criminoloog prof. W.H. Nagel wees hier al op in zijn 'Van het kleine koude front'. In deze onder het pseudoniem J.B. Charles in 1962 verschenen verhandeling 'over de oorlogvoerende mens' wijdt hij een hoofdstuk aan Colijn onder de veelzeggende titel 'Het Bataafse christendom'. Niet zonder cynisme citeert hij volzinnen van Rudolf van Reest over de 'onmenselijk wrede Baliërs' en het 'uur der wrake' waarop de Nederlandse troepen zich verheugen.

Van Reest: “Het is een vreselijke strijd. Het doet zich voor, dat de mannen zich verbergen achter hun vrouwen die voor hen om 'ampon' (genade - red.) gillen. Maar...de plicht van het zelfbehoud kent hier geen pardon.” Hij beschrijft hoe vrouwen zich in de strijd tegen de Nederlanders werpen: “Vrouwen, prachtig gekleed (...) storten zich, met voorovergebogen hoofd en gevelde lans, blindelings op de troepen, om een ogenblik later door onze kogels of bajonetten getroffen ineen te zakken!” En terwijl Colijn zijn Ambonese soldaten aanmoedigt voorwaarts te gaan, “vermengen de zegekreten onzer soldaten zich met het krijgsgeschrei der Baliërs”.

Nadat de strijd om Lombok beëindigd is, schetst Van Reest hoe het eraan toegaat in de in 1904 beëindigde oorlog om Atjeh. “Een paar Atjehers, die de weg kenden, dienden als gidsen, maar ze waren niet te vertrouwen. Daarom liepen ze met touwen om de halzen; bij de minste poging van verraad, wisten ze dat ze neergeschoten zouden worden.”

J.B. Charles vroeg zich in 1962 na deze en andere citaten af of deze praktijk een andere is dan die van de Britten in de Boerenoorlog en van de Duitsers in 1940-'45. Zijn antwoord luidt: 'Neen, ganselijk niet'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden