Clichés

In alledaagse gesprekken zijn clichés van het grootste belang

Nu oktober, de feestelijkste boekenmaand van het jaar, weer op zijn einde loopt, nu de grote prijzen zijn uitgereikt en ook de Frankfurter Buchmesse volgens het persbericht 'hoopvol' is afgesloten, vallen we terug in de harde waarheid dat het boekenvak het moeilijk heeft. De enige troost lijkt te komen van de paar bestsellers die ook vandaag nog geld in het laatje brengen. Dit seizoen was dat natuurlijk 'Vijftig tinten grijs', eigenlijk een zelfhulpboek. Romans die verkopen zijn er gelukkig ook nog, dankzij auteurs als Charles Lewinsky, Tatiana de Rosnay en Carlos Ruiz Zafón.

Toch wordt er op deze pagina's zelden over hen geschreven, of hooguit in negatieve zin. Is dat erg? Verdienen deze trekpaarden van het boekenvak niet wat meer lof? Zijn critici (zoals u weet allemaal gemankeerde schrijvers) soms jaloers op zoveel succes?

Ik ben bang dat het probleem dieper ligt: in een verschillende reactie op clichés. Zoals bekend hebben de meeste recensenten een hekel aan gemeenplaatsen. Ze verafschuwen de metafoor die al duizend keer werd gebruikt, het voorgestanste karakter, de slordige, sleetse observatie. Recenseren is door de Engelse schrijver Martin Amis zelfs wel eens 'de oorlog tegen het cliché' genoemd. En als je er zo over denkt, is Carlos Ruiz Zafón inderdaad de vijand. In zijn nieuwe roman vind je zinnen als: "De rest van de ochtend bracht ik door in de magie van de muziek en de geur van boeken en ik genoot van de kalme voldoening die eenvoudig werk dat goed wordt gedaan met zich meebrengt."

'De magie van muziek', 'de geur van boeken' - het wonderlijke is natuurlijk dat de lezers van Zafón zulke clichés helemaal geen punt vinden. Hoe valt dat toch te begrijpen?

De verklaring ligt volgens mij in de vaak onderschatte functie van clichés in het dagelijks leven. Als je een praatje maakt in de wachtkamer, of met onbekende buurtgenoten, kun je je maar beter zo clichématig mogelijk uitdrukken. Vage gemeenplaatsen over het weer of de hoge prijzen werken vriendelijk en verbindend. Zeg je iets waarachtigers (''Ik ben niet dol op kinderen"), dan kan het gesprek opeens helemaal doodvallen.

Die gezelligheid zoeken veel lezers, vermoed ik, ook in romans. Ze hoeven de wereld of zichzelf niet zo nodig beter te begrijpen, ze willen niet meer of scherper zien - al die dingen die critici en literatuurliefhebbers van een boek verwachten. Ze zoeken een veilige verbondenheid die niet op de proef gesteld wordt.

In 'Minima Moralia'(1951), een bundel essays van de inderdaad niet zo gezellige Duitse denker Theodor Adorno staat het er zo: "Wie zich bij het formuleren richt op de zaak in kwestie, en niet op het communiceren, is verdacht: de precieze, niet aan schematisme ontleende uitdrukking doet onbeleefd aan, een teken van eenzelvigheid, bijna van mentale verwarring. (...) De vage formulering biedt de lezer de kans zich ongeveer dat voor te stellen wat hem gelegen komt en wat hij toch al dacht."

Misschien zijn schrijvers en critici die vechten tegen het cliché wel rare, eenzelvige types. Maar reservaten waar het waarachtige niet voor het gezellige wijkt hebben óók hun waarde.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden