Clair werpt sombere schaduw over Biennale

Alle exposities, ook die in de diverse musea, kerken en paleizen, lopen tot en met 15 oktober. De Giardini di Castello is tot en met 23 september alleen op maandag gesloten. De tweedelige Engelstalige catalogus kost 160.000 lire (ca. ¿ 160,-).

Niet bekend

Uitgerekend deze man werd door het bestuur van de Biennale gevraagd om het eeuwfeest glans bij te zetten. Clair deed wat er van hem verwacht kon worden. Hij stelde een keurige terugblik op honderd jaar Biennale op, voegde er een grote tentoonstelling bij die over honderd jaar 'lichaam in de kunst' gaat en schrapte onderwijl datgene wat de Biennale vooral zo interessant maakt: een overzicht van de kunst die nú wordt gemaakt.

Clair vindt dat de hedendaagse kunst op een dood spoor zit. Hij is daar zeer pessimistisch over, heeft ook geen zin veel rond te kijken of zijn oordeel juist is. De kunst is dood, vindt hij, we kunnen alleen nog terugkijken op de kunst van het verleden. Maar de Biennale van Venetië is, net als trouwens die andere biënnales van Johannesburg, Sydney en Sao Paulo, van origine een manifestatie die de stand van zaken in de hedendaagse kunst wil laten zien. Historische tentoonstellingen zijn het terrein van de musea, maar de hete adem van de actualiteit is voorbehouden aan de biënnales. Dat Picasso in het verleden weinig in Venetië te zien was -een manco dat Clair met deze editie wilde verhelpen - zal de meeste bezoekers worst zijn. Wat Clair met de expositie 'Identiteit en anders-zijn' (het laatste in de betekenis van eigenheid)' voor heeft, zijn allemaal herhalingsbewegingen.

Hoezeer het hem aan oorspronkelijkheid in het bedenken van een overkoepelend thema schort, blijkt uit het feit dat hij de hoofdtentoonstelling heeft aangegrepen om de geschiedenis van het lichaam in de kunst van de laatste honderd jaar aan te grijpen. Het lichaam in de kunst is in: je hoeft maar aan de tentoonstelling 'Ik+de Ander' te denken of aan het door Mike Kelley samengestelde onderdeel van de laatste Sonsbeek-manifestatie in Arnhem om te weten wat Clair bedoelt. Het leidt tot een deels onsmakelijke hoeveelheid afbeeldingen van geïsoleerde lichaamsonderdelen. Zo krijg je een staalkaart van (afgerukte) voeten, benen, handen, koppen, onder- en bovenlijven, rompen en stukken mensenvlees te zien die hun weerga niet kennen. En het nare is dat sommige landen, die autonoom zijn in de keuze van hun afvaardiging, zich ook nog netjes aan Clairs thema hielden. Engeland bijvoorbeeld brengt in zijn paviljoen in de Giardini een hommage aan de geserreerde schilder Leon Kossoff, maar pakt in de voormalige rouwkapel Scuola di San Pasquale op bijster bloederige wijze uit. Al direct bij de entree hangen de geamputeerde bodies die de broers Dinos en Jake Chapman bedachten. Balancerend tussen kunst en kitsch (de beide figuren ogen realistisch, maar verwijzen ook naar de wassen beelden zoals die bij Madame Tussaud zijn te zien) verwijzen de Chapmans zowel naar de 'Verschrikkingen van de oorlog' van Goya als naar de kermisspooktenten die niet serieus genomen hoeven te worden. In de duister gehouden bovenzaal van de kapel, waar twee jaar geleden nog de Nederlandse groepstentoonstelling was te zien, draait een intrigerende film over een vrouw uit het begin van deze eeuw die door de twee artsen voor haar toevallen wordt behandeld.

Ook de Nederlandse inzending ontkomt niet aan deze 'lijvige' aandacht, al was het niet bij voorbaat de bedoeling van samensteller Chris Dercon dat hij het thema er bij wilde halen. De geschilderde meisjesportretten van Marlene Dumas, de gefilmde douchende man van Marijke van Warmerdam en de glazen volborsten van Maria Roosen in het Nederlandse paviljoen, doen niet onder voor de dierelijkjes van John Olsen in het Deense paviljoen, de blindstarende portretten van de Venezuelanen Sammy Cucher en Anthony Aziz, de vervreemdende dubbelportretten van de Duitser Thomas Ruff of de naakte, soms copulerende paren van de Australiër Bill Henson. Het lichaam is dé trend in de beeldende kunst, maar is dat al weer zo lang dat je je gaat afvragen of er toch niet iets nieuws te vinden moet zijn. De allerjongste generatie Nederlanders en Vlamingen moet er inmiddels niets van hebben. In het klooster van de San Francesco della Vigna laat een groepje zien dat kunst helemaal nergens over hoeft te gaan. Een ronddraaiende Franciscus overziet een partijtje onnozele krakerskunst die zijn weerga in de geschiedenis van de Nederlandse inzendingen niet heeft.

Niet Jean Clair, die de jongerenpresentatie Aperto van tafel veegde, maar sommige landenpaviljoens tonen aan dat er wel degelijk ontwikkelingen zichtbaar zijn. Zo maakt de Biennale in weerwil van haar organisator twee zaken duidelijk: de schilderkunst is definitief dood verklaard, want wordt niet meer bedreven, anders dan door gevestigde namen, en ten tweede zijn het de nieuwe media die nieuwe betekenissen in de kunst inluiden. Opvallend is dat juist de architectuur op deze Biennale wordt gebruikt om nieuwe trends duidelijk te maken. Als het in de beeldende kunst niet meer mogelijk is dat er vernieuwing kan plaatshebben, dan zoeken we naar architecten, de laatste vormvernieuwers. Zo dachten ze ook in Japan waar het paviljoen met behulp van veelkleurig plastic werd verbouwd door Kengo Kuma, met de bedoeling om er een eigentijdse suki-ya van te maken, een ruimte waar in Japan thee op ceremoniële wijze wordt opgediend. Kuma slaagde er in de gedachte aan het oorspronkelijke paviljoen - een ontoegankelijk ogende schoenendoos met een verdekte ingang - volledig teniet te doen. Het helkleurige plastic heet op papier ordinair en schreeuwend te zijn, maar als huid om het gebouw heen getrokken geeft het een feestelijk, welhaast chique uiterlijk. Binnen gaat het om een ander verhaal: de bezoeker wordt gevraagd om een tocht te maken langs verschillende verschijningsvormen van de natuur. In de benedenruimte vertoont een rij videomonitoren langzaam verschuivende beelden van microkosmossen, terwijl in de bovenzaal een kunstmatig meer is aangelegd dat over een smalle vlonder bewandeld kan worden. Vanuit verschillende perspectieven is uitzicht mogelijk op muurschilderingen met mensen als onderwerp. De rondgang wordt voorafgegaan door, alweer, een presentatie van videobeelden waarvoor, om ze virtual te kunnen beleven, een 3-d brilletje mag worden opgezet.

Er is naast bestaande ook geheel nieuwe architectuur op het toch al zo overbevolkte Biennale-terrein te zien. Wie nog een plekje kon vinden, liet in de afgelopen decennia een nieuw onderkomen neerzetten, maar de landen die in het verleden een collectieve accommodatie kregen in het Italiaanse paviljoen, werden nu gedwongen om elders in de stad een ruimte te vinden. Voor hen was de voormalige Corderie (Touwslagerij) een prachtige plek geweest, maar dat gebouw was oorspronkelijk bedoeld om er de architectuur-biennale te houden die dit jaar met de beeldende kunsten zou samenvallen. De architectuur-organisator vond de Corderie echter te klein en schoof de manifestatie naar het volgende jaar door. Een groot aantal landen zit nu onvindbaar buiten de Giardini, zelfs buiten de wijk Castello en daarmee niet meer op loopafstand van de Biennale. De Slowenen en Kroaten vonden elk een paleis aan weerszijden van het San Marcoplein, de Taiwannezen kropen in het Dogenpaleis, niet ver van de Latijns-Amerikanen die broederlijk een kerk delen. Voor vrijwel al deze landen geldt dat de bezoekers er bewust naar moeten zoeken (de stedelijke structuur van Venetië vergt van de Biennale-bezoeker enig inlevingsvermogen) wat veel tijd kost.

Wie nu nog op het terrein van de Giardini een plek heeft gevonden, mag zich gelukkig achten. Korea wrong zich tussen het Japanse en het Duitse paviljoen, waar het goed verscholen staat. Toch is dit een van de aardigste gebouwen, helder van structuur en zeer uitnodigend. De Koreanen hebben een inzending die een Gouden Leeuw waard was (die ging nu naar het Egyptische paviljoen, een rommelachtige uitstalling van onnavolgbare amateurkunst) in een soms ademstokkende ambiance. De toegang tot de eigenlijke expositie is een installatie op zich, de bezoeker loopt een brede entree binnen die net als bij de gangen van een Nautilus-schelp naar de kern toe steeds smaller wordt. Waar tenslotte een trapje naar de eerste verdieping gaat, ziet hij een waterval over zich heen komen die alleen door een glazen wand wordt tegengehouden. Boven lijken archeologen bezig geweest. Over een glazen vloer waaronder verroeste huishoudelijke voorwerpen liggen, loopt de bezoeker tussen een opgegraven schat van honderden beeldjes, grafvondsten die aan een Chinese vorst moeten hebben toebehoord.

Wat verbeeldingskracht betreft, is deze inzending veel sterker dan wat in dat andere nieuwe paviljoen wordt gepresteerd. Luxemburg wilde in de onmiddellijke nabijheid van Nederland en België zitten. Beide paviljoens, die van grote architectonische waarde zijn, werden kortelings gerestaureerd en zien er pront uit. Luxemburg doet het aanzien van de beide gebouwen echter volledig te niet door ze met een schutting aan elkaar te koppelen. In de grijze is een deur gemaakt waarachter slechts een stukje tuingrond ligt. Volstrekt overbodig staan er nu enkele ligstoelen met een opschrift, die uitnodigen om er even te vertoeven. Meer aandacht heeft het argeloze publiek voor een grof gehakt gat in de wand van een achterliggende schuur. Daar zit een van geen aandacht bewuste vrouw achter een schrijfmachine te werken. Het beeld blijkt niets met de installatie van Luxemburger Bert Theis te maken te hebben.

Ook Oostenrijk doet aan architectuur, door het duo Coop Himmelb(l)au te vragen hun gedachten te laten gaan over de opzet van een media-gebouw waarvoor het nationale paviljoen als aanleiding mocht fungeren. Het Oostenrijkse paviljoen is nog gebouwd door Josef Hoffmann, een typerend voorbeeld van de bouwkunst uit de jaren '30. Coop Himmelb(l)au stak het gebouw in een stalen huls die veel weg heeft van een vleugelvorm, die de bestaande architectuur ontkent en er zelfs mee weg wil vliegen. De binnenruimte is op veel manieren aangepakt: een zeskoppig collectief heeft allerlei vormen van mediatechnieken gebruikt om tot een nieuwe beeldtaal te komen. Het interieur van het paviljoen is aanzienlijk minder geslaagd dan het exterieur, dat vragen over de betekenis van de vorm veel langer weet vast te houden.

Het inpakken of van karakter veranderen van landenpaviljoenen kan nog veel radicaler. Het Griekse gebouw bijvoorbeeld zit op slot. Dat is geen beslissing van de Griekse overheid, maar van de uitverkoren kunstenaar, de al vele jaren buiten zijn land levende beeldhouwer Takis. Naar eigen zeggen is zijn handelwijze op het paviljoen geen politieke daad noch wil hij zich daarmee tegen de Biennale als zodanig kanten. Takis ziet zichzelf als wereldburger, en als een van die vele Grieken die buiten hun eigen land willen wonen. Vóór het paviljoen, in het hobbelige grasveldje dat anders plaats biedt aan vermoeide Biennale-gangers die even rust zoeken, heeft Takis overigens wel een aantal eigen beelden gezet. Ze zijn ruw gearticuleerd, in een stijl die dertig jaar geleden werd gewaardeerd, maar die nu gedateerd is.

Takis is als nationale Griekse beeldhouwer een van die reputaties die op deze Biennale bij bosjes bevestigd moeten worden. Hun faam ontlenen ze aan werk dat ze sinds de jaren zestig maken en sindsdien nooit veel veranderd hebben. Ooit een uitvinder (hij introduceerde het element beweging in een statische vorm, waarmee hij verwant was aan Alexander Calder met zijn mobiles) is Takis blijven stilstaan bij een eenmaal gekozen uitgangspunt. Diezelfde instelling koestert ook de Fransman César. In de tijd dat de Zéro-kunst actueel was, maakte hij sculpturen op basis van samengeperste autowrakken, die zich op vierkant formaat gemakkelijk tot wanden lieten stapelen. Zo'n muur staat er nu in het Frans paviljoen, wat de relatief kleine ruimte nog eens extra smal maakt. Om de muren van de zij-zalen te bedekken mocht César fonkelnieuwe voertuigen van het Franse staatbedrijf Renault in de shredder plaatsen: niet dikker dan luttele decimeters blijven ze toch heel herkenbaar als auto's.

Het is een aardig idee, maar eindeloos herhaald is het natuurlijk dodelijk. Weinige van dergelijke reputaties weten zich nog op gevorderde leeftijd te vernieuwen. Dat lukt ook de bijna zeventigjarige Leon Kossoff niet. Hij lijkt volledig stil te staan in zijn ontwikkeling.

Het is wellicht toeval dat de twee grootste landen ter wereld ook de meest indrukwekkende inzending hebben gemaakt. Videokunstenaar Bill Viola trekt in het Amerikaanse paviljoen lange rijen bezoekers die de striemende regen, c.q. scherpe zon uren lang willen trotseren. Door de keus van Viola laten de Amerikanen zien dat ook zij de nieuwe media als expressiemiddel beheersen. Viola's werk betekent een vormvernieuwing in de beeldende kunst, terwijl hij zich toch bezighoudt met eeuwenoude thema's. In zijn beeldtaal roept hij tegenstellingen op: leven tegenover dood, orde en chaos, ratio en gevoel, dat alles samengebundeld onder de hoofdstukken wetenschap, religie en filosofie.

Hoewel van een andere orde speelt dit gegeven ook een rol in het Russische paviljoen. De drie Russen (de architecten Evgeni Asse en Vadim Fishkin en de theoreticus Dmitri Gutoff) willen definitief afrekenen met de cultuur en de sociale orde van de oude Sovjet-Unie in de vorm van een hardhandige kritiek. Een luid afgedraaid filmpje van een kunstfluiter snerpt door het gebouw, terwijl je overal naar tekenen van protest staat te kijken. Net als Ilja Kabakov die het Russische paviljoen in 1993 tot zijn beschikking kreeg, worden deze drie Russen nog volledig in beslag genomen door de doem van het verleden. Anders dan Kabakov laten ze wel zien, dat er een nieuw soort kunst op de puinhopen van het verleden kan groeien. Dat is een van de meest optimistische visies op deze 46ste Biennale, die organisator Jean Clair in zijn zak mag steken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden