Cito begon naast het Vondelpark

Begonnen als klein toetsfabriekje, heeft het Cito zich in 45 jaar opgewerkt tot de bekendste leverancier van schooltoetsen. Oud-adjunct-directeur Djien Thio (77) blikt terug op zijn instituut dat het nooit helemaal goed kan doen in onderwijsland.

Vier wasmachines breed. Zo groot was de computer die eind jaren zestig de eerste antwoordformulieren van de Citotoets uitlas en ponskaartjes met de uitslagen uitspuwde. Djien Thio (77) strekt zijn armen uit om te laten zien hoe groot het bakbeest was dat in de Amsterdamse vestiging van computerfabrikant IBM stond. "Hoge priesters van het bedrijf bejegenden die computer heel eerbiedig", grinnikt hij, terwijl hij zich bedenkt hoe compact en handig de computers tegenwoordig zijn. Zelf mocht hij nog geen knopje aanraken.

Ruim veertig jaar geleden stond Thio aan de wieg van de Citotoets, de driedaagse eindtoets voor de basisschool waaraan gisteren weer tienduizenden leerlingen uit groep acht zijn begonnen. Al jaren neemt 85 procent van de scholen de Citotoets af. Volgend jaar moet dat 100 procent zijn. Het kabinet wil de leerprestaties van kinderen met één en dezelfde toets kunnen meten en wil daarom de Cito-eindtoets verplicht stellen voor alle scholen.

Dat het zo hard zou gaan - tot aan een monopoliepositie op de basisschool aan toe - had Thio 45 jaar geleden niet verwacht, bekent hij in zijn huis in Arnhem, de stad waar de toetsfabrikant zich in de jaren zeventig vestigde. Hij werkte zich op tot adjunct-directeur en bleef er tot zijn pensioen. "Maar we wisten toen we begonnen wel dat we iets nieuws en bijzonders aan het doen waren."

Dat begin was in 1965. Krap dertig was Thio toen hij zijn Amsterdamse pedagogiekdiploma op zak had. Een goed jaar om af te studeren, zou blijken. Nog datzelfde jaar besloot het kabinet dat het oordeel van de lagere school niet langer genoeg was om te bepalen welk vervolgonderwijs een kind moest volgen. Er moest ook een 'onafhankelijk gegeven' komen, vond men in Den Haag. Want een dubbeltje moest een kwartje kunnen worden.

Thio viel met zijn neus in de boter. De gemeente Amsterdam wilde dat er een toets zou komen die het niveau mat van leerlingen in de laatste klas van de lagere school. Vol enthousiasme sprong wijlen professor Adriaan de Groot, geïnspireerd door een studiereis in Amerika, in dat gat. Hij nam Thio, die hij college had gegeven, in de arm, zette hem met nog wat jonge onderzoekers in het souterrain van zijn herenhuis bij het Vondelpark en samen stampten ze binnen mum van tijd de eerste vragenlijsten uit de grond.

"Een hele onderneming", herinnert Thio zich. "We moesten alles op alles zetten om die toets voor elkaar te krijgen." Hoe dat was? "Net een jongensboek", twinkelt hij. "Hartstikke avontuurlijk, om het in modern jargon te zeggen."

Niet alleen de tijdsdruk maakt het voor Thio een avontuur - de eerste toets moest er binnen een paar maanden liggen - ook technisch gezien was de Amsterdamse schooltoets behoorlijk revolutionair. Meerkeuzevragen waren een noviteit, net als de manier van beoordelen. Voor de verandering keek de toets niet naar het individu, maar vergeleek het de prestaties van de hele groep. Je scoorde als leerling geen vijfje of een dikke negen, maar kwam erachter hoeveel procent van je klasgenoten in het land beter of slechter scoorde dan jijzelf.

Nieuw was ook de computer die de antwoorden automatisch nakeek. Met tal van potloden en gummetjes waren collega's van Thio langs scholen geweest om te kijken wat het beste invulmateriaal zou zijn. Desondanks toog hij dat eerste jaar vol spanning naar de grote nakijkcomputer bij IBM aan de Weesperstraat. Hij wist: alles kon nog misgaan. Zou de machine alle formulieren wel accepteren, vroeg hij zich af. "Soms vlakken leerlingen wat uit. Wat voor de computer niet leesbaar is, spuugt hij uit. Dan moest ik kijken wat een kind bedoelde."

Mis ging het niet. De formulieren waren veelal leesbaar, de uitslagen duidelijk. Veel scholen, ook buiten Amsterdam, omarmden de toets de jaren daarop. Vulden het eerste jaar nog maar twee honderd klassen de antwoorden in, tien jaar later, in 1976, deden al 40.000 leerlingen mee. Anno 2012 ligt dat getal boven de 160.000. Andere toetsen kwamen, maar wisten de grote broer niet meer meer van de troon te stoten.

Al snel werd het souterrain bij het Vondelpark te krap. Onder de vlag van de overheid verhuisde het Cito naar Arnhem. Thio en zijn vrouw verhuisden mee. Met andere toetsmakers begon hij in de woonkamer van de toenmalige boekhouder aan het maken van nieuwe meerkeuzevragen. Knus, maar nog steeds krap. Ruimere kantoren volgden. Inmiddels zitten de zeshonderd medewerkers van het Cito - dat in de jaren negentig is geprivatiseerd - in een gloednieuw gebouw aan het spoor bij het hoofdstation. Achter veiligheidshekken sleutelen knappe koppen er in twee jaar tijd een nieuwe Citotoets in elkaar. Thio komt er nog wel eens voor een borrel. Hoewel hij er dertien jaar geleden voor het laatst de deur dichttrok, blijft hij goed bij. Leesbril in de hand wuift hij naar de krant op tafel. "De discussie blijft: geven scholen niet te veel aandacht aan de Citotoets?"

Eigenlijk wel, vindt Thio. Begonnen als toets om leerlingen een eerlijke kans te geven hogerop te komen dan hun vader of moeder, lijkt voor ouders en scholen inmiddels alles af te hangen van dat getalletje tussen de 501 en 550. Eindeloos oefenen sommigen om die score wat op te krikken.

Niet nodig, zegt Thio. "Onderwijs gaat populair gezegd over de vraag wat de leerling ervan opsteekt. Een leerling kan niet een week lang gaan stampen en er tijdens de Citotoets enorm op vooruitgaan." Een paar weken hard leren haalt weinig uit op acht jaar basisonderwijs, schetst hij. "Als u mij zou vragen alle vlaggen van landen die door de Verenigde Naties zijn erkend, te leren, ga ik stampen en weet ik er daarna vast een paar. Maar daar gaat mijn Citoscore niet ineens van omhoog."

Over de Rotterdamse plannen is Thio eveneens kritisch. Daar wil de gemeente subsidies aan achterstandsscholen staken als de Citoscores van hun leerlingen niet met een paar punten omhooggaan. Die plannen lijken hem 'niet reëel'. "Je kunt niet van iedereen vragen heel goed viool te spelen. Als je geen goed gehoor hebt, red je dat niet."

Hoewel het Cito met regelmaat onder vuur ligt, is Thio vooral een trotse oud-medewerker die vindt dat het onderwijsbureautje waar hij ooit begon een vooraanstaande instelling is geworden. "Op bepaalde vlakken hebben we veel gezag verworven", zegt hij. Zo maakt het Cito nu tussentoetsen voor meerdere basisschooljaren, is het leverancier van de eindexamens op scholen voor voortgezet onderwijs en krijgt ook de commerciële tak van het bedrijf in binnen- en buitenland voet aan de grond. "Dat kan ik niet anders dan mooi vinden."

Tijdlijn
1965 Startschot voor het Cito: kabinet-Cals bepaalt per koninklijk besluit dat er naast het schoolhoofdoordeel een onafhankelijk oordeel over een basisschoolleerling moet komen.

1966 Eerste Amsterdamse Schooltoets afgenomen bij tweehonderd zesde klassen.

1968 Centraal instituut voor toetsontwikkeling (Cito) opgericht.

1969 Cito verhuist naar Arnhem en neemt de Amsterdamse Schooltoets over.

1971 Eerste eindexamens van het Cito afgenomen op middelbare scholen.

1990 100.000 leerlingen uit groep acht maken de Citotoets.

1999 Cito privatiseert en gaat deels commercieel. Er komen vestigingen in Duitsland, de Verenigde Staten en Turkije.

2012 162.000 leerlingen maken de Citotoets.

2013 Alle basisscholen moeten voor het eerst verplicht de Citotoets afnemen.

Vragen uit de eerste Amsterdamse Schooltoets (1966)
1. In welke plaats kan een A.N.W.B.-bord staan met de volgende aanduidingen:

Amsterdam41 km

Den Haag17 km

Utrecht57 km

a. Alkmaar

b. Eindhoven

c. Haarlem

d. Leiden

2. Welke grondsoort kiest men voor het telen van suikerbieten?

a. Hoogveen

b. Klei

c. Laagveen

d. Zand

3. Als in een land ongeveer 50% van alle 14-jarige jongens en 30% van alle 14-jarige meisjes een fiets heeft, hoeveel procent van alle 14-jarige kinderen heeft dan een fiets? Neem maar aan, dat er even veel jongens als meisjes zijn.

a. 15%

b. 20%

c. 40%

d. 80%

4. Truus had geen zin om haar poppen op te bergen. In deze zin is haar poppen:

a. Bepaling

b. Gezegde

c. Lijdend voorwerp

d. Meewerkend voorwerp

5. Henk heeft 296 knikkers. Hij verlies 1/8 deel. Hoeveel knikkers houdt hij over?

a. 37 knikkers

b. 222 knikkers

c. 259 knikkers

d. 333 knikkers

Antwoorden: 1d 2b 3c 4c 5c

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden