Cioran, de man die boven God uitsprong

De Frans-Roemeense schrijver Emil Cioran (1911-1995) is volgens uitgever en schrijver Jan Oegema ' een zuiger, een amokmaker, een kapotmaker, een sater die de schallende lach propageert, maar zelden vrolijk is'. Ook als mysticus was hij extreem: ' elk aforisme een dolksteek, een genadeklap, een aanklacht tegen het leven'. Desondanks werd Oegema geraakt door de geestdrift en vindingrijkheid waarmee Cioran speculeert over God: ' Op één punt had hij werkelijk het gelijk aan zijn zijde. God is het beste wat de mens heeft verzonnen - en moet blijven verzinnen.'

Waarom werd liefde het verzwegen woord van Ciorans oeuvre?

Het kan niet anders of hij heeft het zichzelf dikwijls afgevraagd. Welke demon huisde er in hem? Hij vertelde zijn interviewers graag het volgende verhaaltje.

Toen hij nog bij zijn ouders woonde, had hij eens een gesprek met zijn moeder. Hij was een jaar of twintig en leed al geruime tijd aan slapeloosheid. Op een dag was hij zo ten einde raad dat hij wanhopig op de bank neerviel en zei dat hij niet meer kon. Waarop zijn diepgelovige moeder zei: ' Als ik dit had geweten, had ik me laten aborteren.' Die woorden hadden, zo beweert Cioran, een bevrijdend effect. Hij begreep opeens dat hij een toevalligheidje was, hij had evengoed niet kunnen bestaan. De last die toen van hem afviel heeft hij ook de mensheid willen afnemen. Alles kapot denken, elk idee, elk ideaal aan gruzelementen slaan, tot er een lichtheid overblijft waarin je als voor het eerst de vogels hoort fluiten.

Cioran heeft het verhaal van zijn bevrijdende inzicht vaak verteld. Dit aforisme is er een echo van: ' Ik zou vrij willen zijn, mateloos vrij. Vrij als een doodgeborene'. Hij had levensvrees en met zijn grenzeloze eerzucht, zo voorvoelde zijn moeder, zou hij die weten uit te bouwen tot een monumentale levenshaat.

Cioran had de potentie uit te groeien tot een uitermate invloedrijk en catastrofaal denker -maar gelukkig kwam hij op tijd bij zinnen. In Roemenië was hij een fascistisch intellectueel, tot hij in de tweede helft van de jaren dertig naar Frankrijk vertrok. Met veel zwarte koffie, sigaretten en alcohol begroef hij zich in woordenboeken en in het Franse classicisme, waarin hij zijn belangrijkste literaire voorbeelden vond. De zelfverbanning naar Parijs was de intelligentste daad van zijn leven. Hij erkende tijdig zijn echec als politiek denker; alleen al daardoor zal hij menig geëngageerd filosoof overleven.

Uiteindelijk maakte zijn aangeboren defaitisme een einde aan zijn politieke heethoofdigheid. In Roemenië sympathiseerde hij met de IJzeren Garde en omarmde hij het antisemitisme (de enige dwaling waarvan hij later duidelijk spijt had). Eenmaal in Parijs raakte hij zo doordrongen van de stompzinnigheid van elk handelen dat hij een marginaal bestaan verkoos. Vanaf 1949 bracht hij om de vijf, zes jaar kleine bundels uit, merendeels aforismen -niet het genre om je geliefd te maken bij een groot publiek. Hij leefde in armoede en bivakkeerde in bedompte zolderruimtes vanwaar hij uitkeek over een feestelijk verlichte doch overtollige schepping. Hij werd de dictator van de dakkapel, die alle tijd nam om te sleutelen aan zinnen in een taal die zich eerder leent voor esprit en ironie dan voor metafysische hamerslagen.

Cioran dacht een danser te zijn; hij was een dramaticus. Die tegenstrijdigheid tekent zijn werk, zoals Arnold Heumakers terecht signaleert. ' Ciorans oeuvre heeft iets van de doos van Pandora; zodra je het openslaat, komt je een troebele walm vol onrust en dreigend geweld tegemoet. Maar alles is opgeschreven in een glasheldere stijl, die met de dampende inhoud volstrekt in tegenspraak lijkt te zijn. De stijl houdt als het ware de inhoud in bedwang; de esthetiek beteugelt het geweld en maakt het uitzichtloze pessimisme leefbaar.'

Pope

Cioran groeide op in een vroom, Russisch-orthodox gezin; zijn vader was pope. Als jongeling wisselde hij periodes van lethargie af met vlagen van grote opgewondenheid en teugelloze energie. Gecombineerd met de slapeloosheid die hem een leven lang zou blijven plagen, leidde dat tot een verhit gemoed dat gedurig extremen zocht. Hij verdiepte zich een jaar lang in heiligenlevens vanuit de vurige wens zelf heremiet te worden, tot hij begreep dat hij de mentale hardheid miste voor een ascetisch bestaan.

Het vlees is zwak. Hij verkeerde met engelen, maar sliep met hoeren; Cioran pochte graag over zijn bordeelbezoek. Die engelen zijn overigens maar een manier van zeggen. Vast staat slechts dat hij momenten van mystieke extase heeft gekend die hij nadien nooit heeft kunnen vergeten. Wat hij op die momenten beleefde, is onbekend. Ik denk dat het om hallucinaties gaat waarin hij meende het wezen van tijd en materie te doorgronden en hun spoor terug te kunnen volgen tot aan het oerlicht waarin hij ze andermaal zag ontspringen. Visioenen van totaliteit, met een sterk cerebraal karakter. Cioran begreep alles.

Misschien hechtte hij, toen hij ouder werd en de extases uitbleven, daarom zoveel waarde aan luciditeit. Hij kon slechts teren op vroegere verrukkingen en verkeerde in een permanente toestand van acedia, de lange grauwheid die, zo weten we van middeleeuwse mystici, volgt op de genade van een enkele, flonkerende nacht.

Ger Groot, in Nederland de meest productieve kenner van Ciorans werk, karakteriseert het Franse deel daarvan als ' metafysische treurarbeid'. Dat is mooi gevonden, want uit menig aforisme spreekt heimwee naar de vervuldheid van weleer. Cioran verwerkt een verlies: van een episode uit zijn eigen leven, én van voorbije eeuwen waarin hardop en zonder gêne over God kon worden gespeculeerd. Op z'n Ciorans heet het: ' Het is volkomen begrijpelijk dat God een oplossing was en dat er nooit een bevredigender oplossing gevonden zal worden.' En: ' We kunnen er zeker van zijn dat de mens nooit meer zulke diepten zal bereiken

Soloreligieus

Cioran wekt in Ger Groot ' diepe irritatie' vanwege zijn simplisme, literaire kunstjes, afkeer van het redelijke en minachting van de nuance. Een kleine denker die wil imponeren met grootspraak, zo laat zich Groots antipathie samenvatten. Hij beschuldigt hem vooral van een moedwillige oppervlakkigheid, die slechts diepte suggereert om de diepgang van anderen te ontmaskeren en zichzelf te strelen met de waan van lichtheid en lichtvoetigheid.

Cioran is inderdaad niet alleen een ongemakkelijke, maar dikwijls ook een gevaarlijke en vervelende denker. Cioran een drammer, een zuiger, een amokmaker, een kapotmaker. Een sater die de schallende lach propageert maar zelden vrolijk is. Maar wie een bekwaam aforist van oppervlakkigheid beschuldigt, verwisselt de pyromaan met de rampendeskundige. Aforisten zijn erop uit om iets in hun lezers te ontsteken, zij schrijven niet voor de lange termijn, zij zijn magiërs van de luttele seconde. Een geslaagd aforisme werkt als de vonk die de motor in beweging zet. Ik heb Cioran pasgeleden leren kennen en ik kan niet anders zeggen dan dat hij me heeft geraakt. Maar Cioran moet je snel genieten. Als je studie van hem gaat maken, val je ten prooi aan mistroostigheid en korzeligheid. Groot mag gelijk hebben met zijn weinig vleiende oordelen, hij heeft hoe dan ook ongelijk met zijn trouw aan deze schrijver.

Wat mij helpt in mijn voorzichtige sympathie voor Cioran is dat ik de dakloze herken. Zoals elke soloreligieus heeft hij geen thuis meer, staat hij overal tussenin. Hij houdt het geen minuut uit tussen gelovigen, tegelijk heeft hij aan weinig zo het land als aan de middenstandse nuchterheid der ongelovigen. ' Het is niet gemakkelijk over God spreken als je noch gelovige, noch atheïst bent; en het is ongetwijfeld de tragedie van ons allemaal, theologen inbegrepen, dat wij het een noch het ander meer kunnen zijn.'

Ondanks die tragedie heeft Cioran over God gesproken. Vaak zelfs. En met een vrijmoedigheid en originaliteit die mij begeesteren. Zoals de militair Alcibiades verklaarde dat uitgerekend de knorrige, onbeholpen formulerende, mallotige Socrates hem dronken kon maken met zijn ondervragingen en monologen, zo is het uitgerekend Cioran de meedogenloze die eros in mij wekt, religieuze eros. Hij prikkelt me om opnieuw over dat drieletterige woord te mijmeren dat gewoonlijk iedere creativiteit dooft. Soms lijkt het alsof Cioran God opnieuw uitvindt, alsof hij de eerste is die zich gedachten over Hem permitteert. Bepaalde gedachten althans, soms getuigend van een griezelige vertrouwelijkheid. ' Ik zou niet willen leven in een van elk religieus gevoel ontdane wereld. Ik denk niet aan het geloof maar aan die innerlijke vibratie waardoor je, onafhankelijk van enige geloofsovertuiging, tot God wordt geroepen en een enkele maal boven hem uit.'

Spinoza

Bij die laatste toevoeging word ik draaierig. Ik zou nooit durven denken, zelfs niet in stilte, dat ik boven God uit zou kunnen springen. Cioran wel. Hij nodigt je uit je schroom af te werpen en de sprong te wagen. Om dan te merken dat je niet onmiddellijk in de armen van de duivel landt.

Mijn God is een mogelijkheid in de schepping. Als ik met Cioran de schim van deze beminde God tracht op te roepen, dan horen we Die Kunst der Fuge en denken we aan de ijzig-mooie regel van Spinoza: ' Hij is vrij van passie en wordt niet aangedaan door de affecten van blijdschap en droefheid.' Juist dat brengt een grote vreugde in ons teweeg: de wetenschap dat er in een denkbeeldige ruimte een onveranderlijk en onbeïnvloedbaar punt is stralend van eenvoud en klaarte. Zodra je dat punt hebt ontdekt valt het niet meer weg te denken, zomin als je Bach ongedaan kunt maken als je hem eenmaal hebt beluisterd.

Onze God is geest, een intelligentie waarvoor geen raadsels bestaan en die óns daarom raadselachtig voorkomt. Het is een troost deze geest te kunnen denken, hem op onze betere momenten aanwezig te weten. Hij verlicht onze eenzaamheid, want hij doet ons beseffen dat we doorgrond en gekend zijn (psalm 139), en dat we binnen de nauwe grenzen van ons bewustzijn ook hém kunnen kennen of tenminste verkennen.

Bestaat die God? Ach, dat is een kwestie voor interviewers en cabaretiers. De geest is en is niet. Hij is waar in de mate waarin wij hem waar willen hebben. En tegelijk schijnt zijn licht ononderbroken, onafhankelijk van onze waarneming, onverschillig voor onze wensen. De mens heeft hij niet van node, hij is zichzelf tot brandstof, voedt zich met zijn eigen helderheid. Abel Herzberg vertelt over een joodse vrouw in Bergen Belsen, die zwaar verminkt op de dood wacht. Haar verstijfde handen houden een boek omklemd, de Ethica van Spinoza. Op de pagina die de stervende heeft opengeslagen leest Herzberg deze woorden: ' God heeft zichzelve lief met oneindige geestelijke liefde.' Ik begrijp dat je die zin voor ogen wilt hebben als je dood gaat. Dat je bij het afscheid van deze mislukte schepping troost vindt in de gedachte aan een zuivere schim.

Kun je boven God uitgaan? Ik zou Ciorans formulering niet aandurven. Toch is die misschien niet eens zó vreemd. Als we op de toppen van ons kunnen deel hebben aan de geest, is het dan niet denkbaar dat we hem uitbreiden, hem een nieuwe gestalte geven? Cioran zegt daarop ja -al zal hij daarbij liever op Bach wijzen dan op zichzelf.

Cioran heeft de muziek lief boven alles --het enige domein, zo stelde hij vast, dat hij niet met de banvloek van zijn intellect had getroffen. Zijn muziekaforismen behoren dan ook tot de meest genietbare: ' Als er iemand is die alles aan Bach te danken heeft, dan is het wel God.' ' Buiten de materie om is alles muziek: God zelf is een sonore hallucinatie.' ' In de Saint-Severin, bij het beluisteren van Die Kunst der Fuge, heb ik tegen mijzelf gezegd en steeds weer herhaald: dat is nu de weerlegging van al mijn anathema's.'

Gaat Bach boven de geest uit? Laat ik zeggen dat hij ons erin leidt, zoals ook Cioran af en toe doet met zijn precieus gecomponeerde zinnen. Waarvan je de opzettelijk godslasterlijke niet direct kunt uitsluiten. Kan de mens boven God uit? Ik aarzel, ondanks de wetenschap dat je bij meester Eckhart (een van Ciorans favorieten) deze bede tegenkomt:

' Daarom bid ik God dat hij me leeg maakt van God, want mijn wezenlijke zijn is boven God, voor zover wij God begrijpen als het begin der schepselen.'

Mysticus zonder God?

Cioran is vaak aangeduid als een ' mysticus zonder God'. Dat is een flauwiteit die alles zegt over de verlegenheid met religie in seculiere tijden. Om de kwalificatie te logenstraffen zet ik acht Cioranaforismen op een rij:

1. Waarom zou je je van God ontdoen om terug te vallen op jezelf ? Waartoe dient die verwisseling van kadavers?

2. Jammer dat God het monopolie op het ' ik' niet heeft behouden en ons verlof heeft gegeven in onze eigen naam te spreken. Het zou zo simpel zijn geweest ons de plaag van het ik te besparen.

3. Waarom het Zijn of een ander woord met een hoofdletter? God klonk beter. Dat hadden we moeten houden. Want zijn het niet de redenen van welluidendheid die het spel van de waarheid moeten regelen?

4. Er zijn zielen die God zelf niet zou kunnen redden, al zou hij neerknielen en voor ze bidden.

5. God, een ziekte waarvan men zich genezen waant, omdat niemand er meer aan sterft.

6. Als ik in God geloofde, zou mijn verwaandheid grenzeloos zijn: ik zou spiernaakt door de straten wandelen''

7. Er zijn momenten waarop wij, hoe ver we ook van ieder geloof afstaan, ons alleen God als gespreksgenoot kunnen voorstellen. Ons tot een ander richten lijkt dan onmogelijk of waanzinnig. Eenzaamheid in extreme vorm vereist ook een extreme vorm van gesprek.

8. Plotseling het gevoel hebben dat je over alle dingen evenveel weet als God, en even plotseling merken dat die sensatie verdwijnt.

Verwarrend? Zeker. Eerste probleem bij de kennismaking met Ciorans oeuvre is de stapeling van godsbeelden en religieuze voorstellingen. Hij hanteert diverse scheppings- en eindtijdverhalen (soms van eigen makelij), put moeiteloos uit de levens van mystici en heiligen, is uitstekend thuis in het boeddhisme en heeft halverwege zijn schrijvende leven de gnostiek omarmd -voor hem een feest van herkenning.

Tweede probleem is dat Cioran optimaal gebruik maakt van de onbestemdheid en plooibaarheid van het woord God. Dat betekent alles - en helemaal niets. ' God' is een grammaticale spookcategorie -Cioran zinspeelt er vaak op, en dat maakt ál zijn uitspraken over God ambigue. Als dit onmogelijke teken al iets zou kunnen betekenen, laat hij graag in het ongewisse wie of wat. In bijna elk aforisme heeft God een Januskop, waarbij het van zijn luim en onze interpretatie afhangt welke zijde naar voren is gericht: de tronie van het Kwaad (de demiurg, de regisseur, de architect) of het gelaat van het Goede (Niets, Niemand, Licht, Stilte). Extra complicerend is dat hij elk van deze verschijningen zowel positief als negatief kan waarderen. Er is maar één constante: de drang om in een en dezelfde slag te bevestigen en te ontkennen, te heiligen en te schenden. Cioran brengt in het woord God tegenstellingen aan die onoverbrugbaar zijn -met sardonisch genoegen, als was hij ingehuurd om eeuwen metafysica en theologie met hun wisselvalligheid en heimelijke radeloosheid op het schavot te slepen. Cioran omklemt het beulszwaard met overtuiging, vooral omdat hij als geen ander meent bekwaam en bevoegd te zijn het vonnis te voltrekken. Hij overziet de geschiedenis van de mens, doorziet alle vluchtstrategieën van deze verburgerlijkte holbewoner en weet dat het einde daar is.

Het is deze aanmatiging die veel van zijn uitspraken een sinistere klank verleent. Wie alles meent te weten, is een handlanger van de duivel, ook wanneer hij oprecht ontzag voor diens meester etaleert. Cioran was ervan overtuigd dat de schepping berustte op een gruwelijke denkfout, zij had nooit mogen plaatsvinden. Op het einde van zijn leven vatte hij dit zo samen: ' Het zijn is een perversie van het niet-zijn.' Daarom was het aforisme hem op het lijf geschreven: ieder nummer een dolksteek, een genadeklap, een aanklacht tegen het leven.

Fantasie

Wat je als religieus mens met zo'n man aanmoet? Ik zou zeggen: niet al te serieus nemen, niet al te letterlijk. Zelf oppert hij ergens dat je als biograaf bovenal de leugens van de gebiografeerde aan het licht moet brengen, wat in zijn geval een verstandig advies lijkt. Het helpt je de adolescent te blijven zien die door de volwassen man blijft schemeren: de jongen die door zijn eigen moeder werd dood gewenst.

Ciorans grootste leugen is zijn onwil om met liefde te spreken over wat hem raakt. Zelfs zijn aforismen over Bach verraden het verlangen te imponeren, wat afbreuk doet aan de ontroering waaraan ze eigenlijk uiting willen geven. Cioran houdt de regie altijd strak in handen. Hij geeft zich nooit prijs, ook niet wanneer hij zich waardeloos en klein toont, want ook dan wil hij indrukwekkend zijn. Er zijn slechts een paar aforismen waarin hij vreugde verwoordt zonder er een rouwrandje om te leggen. Die gaan dan over een stilte die hem zo lief is dat hij het in zijn geval altijd luidruchtige woord God wijselijk inslikt. ' Je in jezelf terugtrekken en er een stilte waarnemen die ouder is dan het zijn, zelfs nog ouder.' ' Dat kleine beetje licht in ieder van ons, dat van vóór onze geboorte stamt, van vóór alle geboorten, dat moeten wij zien te bewaren als wij willen terugkeren tot die verre klaarte waarvan wij om redenen die wij nooit zullen kennen gescheiden werden.'

Dit kleine beetje licht kon Cioran slecht verdragen. Of hij het nu ontwaarde in nachtelijke uren of overdag in de aanblik van een verliefd stel -Cioran wendde het gelaat af. Terstond kwam de nee-zegger in hem overeind, in volle wapenrusting. Uit angst zich te compromitteren en mee te doen aan de bedriegerij van het leven verbood hij zichzelf om ja te zeggen. Zijn nee is een vooropgezet nee, een halsstarrig, eenkennig nee - en daar begint de leugen. Hij was bereid zichzelf het nodige te vergeven zolang hij zijn wereldbeeld kon handhaven, zolang hij zichzelf de illusie kon aanpraten consequent te zijn in zijn illusieloosheid. Natuurlijk was hij intelligent genoeg om deze nederlaag te onderkennen en literair uit te buiten. ' Als een stille verklikker ben ik om God heen geslopen; niet in staat hem aan te roepen, heb ik hem bespioneerd.' Fraai geformuleerd, deze bekentenis. Een trefzekere diagnose, zij het met de brakke nasmaak van vroegtijdige capitulatie.

Cioran is geen man om medelijden mee te hebben; enig betoon daarvan zou hem doen braken. Toch moet ik vaak aan de uitspraak van zijn moeder denken wanneer ik door zijn boeken blader. Ik wil haar één reden geven waarom het goed is dat ze haar zoon een abortus heeft bespaard. Cioran excelleerde in een nagenoeg vergeten liefhebberij: de metafysica. Hij speculeert over God en schepping met een geestdrift en vindingrijkheid waar geen theoloog of filosoof aan kan tippen. In dat opzicht vindt hij alleen zijn gelijke in gnostici, kabbalisten, mystici en een handjevol kerkvaders. Dat we die nog steeds niet vergeten zijn komt vooral door hun ongeëvenaarde fantasie. Cioran bewees dat die nog niet tot het verleden behoort.

Op één punt had hij werkelijk het gelijk aan zijn zijde. God is het beste wat de mens heeft verzonnen -- en moet blijven verzinnen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden