Christenslaaf, moslimmeester

Kusten die ontvolkt raken door mensenroof, het doet eerder denken aan West-Afrika en de beruchte trans-Atlantische slavenhandel dan aan overvallen door moslims vanuit zee in Europa.

Het woord slavernij roept bepaald niet automatisch beelden op van ontvoerde Europeanen. Toch hebben vanaf het begin van de zestiende tot het eind van de achttiende eeuw minimaal een miljoen Europeanen in Noord-Afrika een slavenbestaan geleid. Het waren vooral zeelieden van gekaapte koopvaardijschepen. Maar ook bewoners van Spaanse, Italiaanse en Griekse kustgebieden leefden eeuwenlang in angst voor Noord-Afrikaanse plunderaars en slavenjagers.

De roof van Europese slaven door Noord-Afrikanen is een niet onbelangrijke episode in de moeizame relaties tussen de moslimwereld en de christelijke wereld, maar bij het grote publiek is dit onderdeel van de wereldgeschiedenis weinig bekend. De halve maan en het kruis hebben elkaar geregeld pijn gedaan. Niet alleen bij vakhistorici, maar ook bij een redelijk groot publiek bestaat er minstens een notie over de kruistochten en wat de Middeleeuwse ridders bij die expedities aan de oostelijke kusten van de Middellandse Zee hebben aangericht onder moslims. Of over Spaanse moslims, die op bootjes naar Noord-Afrika werden gezet als ze weigerden katholiek te worden.

Maarten Harpertszoon Tromp
Maar de ellende van de Europese, christelijke slaven in Noord-Afrika en de rooftochten tegen Zuid-Europese kustbevolkingen in een periode van een kleine drie eeuwen lijken een goed bewaard geheim. Terwijl er toch ook bekende historische personen slaaf zijn geweest in Noord-Afrika, zoals de Nederlandse vlootvoogd Maarten Harpertszoon Tromp en Miguel de Cervantes, schrijver van Don Quichot. Het Noord-Afrikaanse slavenverhaal werpt ook een bijzonder licht op de geschiedenis van de slavernij in zijn algemeenheid. Europeanen waren doorgaans daders, maar het was dus ook weleens andersom: Europeanen als slachtoffers van slavenroof en -handel, niet door zwarte Afrikanen maar door Noord-Afrikaanse moslims, die vooral opereerden vanuit Algiers, Tunis en Tripoli.

De titel van een boek over dit onderwerp van de Amerikaanse historicus Robert C. Davis, verschenen in 2004, drukt het duidelijk uit: 'Christian Slaves, Muslim Masters'. Dat idee van moslimmeesters en christelijke (Europese) slaven lijkt strijdig met het moderne zelfbeeld van Europeanen, zoals zich dat in de negentiende en twintigste eeuw moet hebben ontwikkeld. De westerse suprematie werd in die periode zo enorm, dat op zeker moment het Britse Rijk een derde van het aardoppervlak omvatte. Ook Frankrijk, Rusland en Nederland hadden hun imperia. Op den duur stond vrijwel de hele moslimwereld onder direct of indirect Europees gezag. Als je overmacht zo totaal is, ben je misschien geneigd een verleden waarin de machtsverhoudingen evenwichtiger waren en Europeanen slaven van moslims konden zijn, te vergeten.

Er is van dat Europese slavenverleden in Noord-Afrika zelf ook weinig of geen tastbaar spoor terug te vinden. Met de trans-Atlantische slavernij is dat anders. In Noord- en Zuid-Amerika zijn er grote bevolkingsgroepen die afstammen van de zwarte, Afrikaanse slaven. Een soortgelijke zichtbare groep van afstammelingen van Europeanen is er in Noord-Afrika niet. In Noord-Afrika waren de slaven voor 90 procent mannen. Het strenge verbod op voortplanting werd vrij effectief gehandhaafd.

Staatsslaven
Ook de grote gevangenissen voor 'staatsslaven' zijn verdwenen. Huisslaven konden het geluk hebben dat ze een aardige eigenaar hadden. Andere slaven, de meeste, waren eigendom van de staat. Ze hadden het gruwelijk slecht. Ze werkten als roeiers op galei-schepen of deden loodzwaar werk op bouwprojecten, vooral in de havens. Ze leefden onder de dreiging van bestraffingen die even erg waren als destijds op de slavenplantages in Amerika of Suriname. Hun gevangenissen heetten bagno's.

Niet een van die gebouwen staat er nog. Er is in Noord-Afrika niet zoiets als het slavenfort Elmina in Ghana, een indrukwekkend monument van de trans-Atlantische slavenhandel. Tragisch is ook dat er van de bouwprojecten, die de slaven onder zulke barre omstandigheden hebben uitgevoerd, vooral in havens, niets meer over is.

De kapers beperkten zich niet tot de Middellandse Zee, ze teisterden soms het stroomgebied van de Theems en in 1627 namen ze vierhonderd mensen gevangen in IJsland. Er is geen nauwkeurige boekhouding bijgehouden van de Noord-Afrikaanse slavernij. Daardoor is het moeilijker om het totaal aantal slaven te berekenen dan bij de trans-Atlantische slavenhandel. Op basis van allerlei bronnen komt Davis uit op minimaal een miljoen, en dan alleen maar in Algiers, Tunis en Tripoli.

Het aantal moet nog hoger liggen, want de auteur houdt zich bijvoorbeeld niet bezig met Marokko, dat ook Europese schepen kaapte. Hij gaat ervan uit dat er in de drie genoemde steden tussen 1580 tot 1680, het 'hoogtepunt' van de slavernij, permanent 35.000 Europese slaven moeten zijn geweest, de meeste in Algiers. Dat aantal was nodig om de economie draaiende te houden. Jaarlijks waren ruim achtduizend nieuwe slaven nodig om het aantal van 35.000 op peil te houden.

Bekering
Vier oorzaken noemt Davis voor de structurele afname van het aantal slaven. Drie waren marginaal, zoals vluchten, wat jaarlijks maar aan 1 procent lukte. Iets vaker gebeurde het dat geluksvogels werden vrijgekocht door filantropen uit hun moederland of door geestelijke ordes die zich het lot van de Europese slaven aantrokken. Dat kunnen er zo'n 3 procent op jaarbasis zijn geweest. Dan was er nog de mogelijkheid van bekering tot de islam. De bekeerling bleef voorlopig slaaf, maar hoefde niet meer te werken op galeischepen of op bouwprojecten in de havens. Christelijke geestelijken die werkzaam waren onder de slaven probeerden massale bekeringen tot de islam te voorkomen. Blijft over de veruit belangrijkste oorzaak van de achteruitgang van het aantal slaven: vroegtijdige dood. Gemiddeld stierf per jaar een zesde van de slavenbevolking. Als er een pestepidemie was, lag dat percentage nog een stuk hoger.

Davis plaatst de Noord-Afrikaanse slavernij tegen de achtergrond van een soort djihad, die drie eeuwen lang woedde tussen de moslimwereld en Europa en eigenlijk pas eindigde met de geleidelijke kolonisatie van de moslimwereld in de negentiende en twintigste eeuw. De kaping van Europese schepen en de aanvallen op Europese kusten waren een soort djihad ter zee, waarin religieuze ijver en hebzucht hand in hand gingen.

Deserteurs
De situatie was overigens nogal verwarrend. Veel kapiteins van de kaperschepen waren Europese avonturiers. Samen met de geroofde slaven kwamen er ook Europeanen vrijwillig naar Noord-Afrika. Het waren gedeserteerde soldaten of boeren die de tirannie van de Europese adel beu waren. Ze bekeerden zich vrijwillig tot de islam. Davis vertelt het verhaal van een overgelopen Italiaan, die met een kaperschip zijn geboortestreek overvalt. Hij neemt familieleden, die net als hij blij zijn dat ze verlost zijn van de tirannie van de Italiaanse landadel, mee naar Algerije. Ze gaan vrijwillig en worden moslim.

Een vast ritueel met een religieuze lading was de diefstal van kerkklokken door de kapers. Ze deden dat niet alleen om het geld, maar ook om het moreel van de mensen te breken. Van de staat hoefden die geen hulp te verwachten, zeker niet in het politiek versplinterde Italië. Maar met die kerkklokken kon je tenminste God nog bereiken, of een beschermheilige.

Woekeraars
Niet altijd namen de kapers hun slaven mee naar Noord-Afrika. Liever onderhandelden ze op het strand met familieleden over losgeld. Ze hesen eerst een witte vlag om duidelijk te maken dat er veilig gepraat kon worden.

Een probleem was dat Italiaanse keuterboeren nauwelijks deel hadden aan de geldeconomie. Ze kregen 24 uur de tijd om de gevraagde som te betalen. Dat lukte vaak toch, omdat bij het zien van de witte vlag ook woekeraars naar het strand snelden om het losgeld voor te schieten in ruil voor wurgcontracten.

De Noord-Afrikaanse slavenroof beleefde zijn hoogtepunt tussen 1580 en 1680. Daarna was er minder vraag naar slaven, doordat de galei-schepen plaatsmaakten voor zeilschepen. Ook raakte de Europese verdediging beter georganiseerd. De verwarring in Europa door de Napoleontische oorlogen benutten de Noord-Afrikanen om de kapingen te hervatten. Uiteindelijk nam het nog piepjonge Amerika het initiatief om een eind te maken aan de wantoestanden, met twee expedities, in 1805 en 1815. In 1816 brak een Britse vloot, gesteund door Nederlandse schepen, het laatste verzet van Algiers, dat vijftien jaar later een Franse kolonie werd.

Robert C. Davis: Christian Slaves, Muslim Masters, Palgrave Macmillan, New York ISBN 0-333-71194-7 Euro 32,50

Wanhopige slaven.

.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden