Christenen weten het niet beter

„Laten we wel wezen”, schrijft oud-politicus Erik Jurgens, „de geloofsgeboden uit het Credo – het geloof in de scheppende God, in de verrijzenis van Hem die ons van de erfzonde heeft verlost en in een eeuwig leven voor de zaligen – hebben aan het ontstaan van de grondslagen van onze samenleving geen directe bijdrage geleverd.”

Erik Jurgens

De politiek is de weg waarlangs wij samen, in openbare debatten én door machtsvorming, een Goede Samenleving proberen vorm te geven.

Dat ideaal van een goede samenleving is niet van oorsprong christelijk. ’Waartoe zijn wij op aarde?’, zo vroeg de catechismus uit mijn jeugd. Het antwoord luidde: „Om God te dienen en daardoor in de hemel te komen.” In de jaren zestig mocht daar, dankzij het Tweede Vaticaans Concilie, aan toegevoegd: „en gelukkig te zijn op aarde”. Een omvattender antwoord gaf De Nieuwe Katechismus van 1966. Maar deze Nederlandse poging Vaticanum II te verwoorden werd in 1968 veroordeeld door Rome, als in strijd met de geloofsleer.

Vooral na de Verlichting werd het mogelijk om de eschatologische visie op het ondermaanse te vervangen door een aards ideaal. De goede samenleving was mogelijk in het hier en nu. Denkers als Rousseau, Kant, Mill, Marx, Tolstoj, Weber en Popper hebben zich daaraan gewijd. Veel van hen waren christenen, maar zij hebben hun oplossingen niet geput uit hun geloof – althans niet rechtstreeks.

Dat werd hun ook moeilijk gemaakt, doordat de georganiseerde kerken zich juist tegen de Verlichting keerden. Daar hielden wij een politieke partij aan over (de Anti-Revolutionaire), en meerdere encyclieken uit Rome. Daarin werd een levensbeschouwing veroordeeld die zich baseerde op een zelfstandige waarde van de mens. In de encycliek Quanta Cura uit 1864 werd zelfs het verdedigen van het bestaan van onvervreemdbare mensenrechten als dwaling bestempeld. Zeven jaar later stelde het Eerste Vaticaans Concilie vast dat uitspraken van het pauselijk leergezag inzake geloof, maar ook zeden onfeilbaar zijn, en zelfs onveranderlijk. Irreformabiles. Als iemand het zou wagen deze definitieve uitspraken te weerspreken, dan was hij uitgesloten – anathema sit.

De kerk heeft de mensenrechten inmiddels moeten aanvaarden. Wat ’onveranderlijk juist’ was in 1864, is dat in 2009 gelukkig niet meer. (Quanta Cura is overigens nooit ingetrokken.)

Wij zijn dus nog steeds op zoek naar de goede samenleving. Sinds de Verlichting geldt daarvoor een geheel van morele voorschriften, geschraagd door een staatsbestel dat voldoet aan de volgende criteria: medebestuur der burgers via democratie, onderworpenheid van overheden aan wet en rechter via de rechtsstaat, en basisrechten voor de burger, geformuleerd in grondrechten.

En laten we wel wezen, de geloofsgeboden uit het Credo – het geloof in de scheppende God, in de verrijzenis van Hem die ons van de erfzonde heeft verlost en in een eeuwig leven voor de zaligen – hebben aan het ontstaan van deze grondslagen geen directe bijdrage geleverd. In het Credo staan geloofsuitspraken, maar er staat niets in over hoe wij onze samenleving moeten inrichten.

Hoezo zouden gelovigen dan waarden en normen kunnen leveren die de politiek niet zelf zou kunnen ontwikkelen? Morele normen voor de samenleving moeten immers redelijk te verantwoorden zijn, en voor tegenspraak vatbaar. Normen die zich baseren op een eenzijdige openbaring zijn dat bij uitstek niet.

In zijn ’Geografie van goed en kwaad’ spreekt de rechtsfilosoof Andreas Kinneging zelfs van een ’onveranderlijke morele orde’. Is het dan geen hoogmoed als het christendom pretendeert nog eens extra waarden en normen aan te kunnen leveren bij de vorming en instandhouding van een goede samenleving?

Onder geloof versta ik het aannemen op gezag, het voor waar houden van uitspraken die – onder meer – de bovennatuurlijke bestemming van de mens raken. Maar hoe gelovig ik in dit opzicht ook mag zijn, ik kan uit het Credo niet rechtstreeks waarden en normen putten die van belang zijn voor de vorming van de goede samenleving. Deze theologische dogmatiek is, politiek gezien, irrelevant.

In zijn essay uit 1996, ’Het geloof van een christen’, constateerde oud-bisschop H.C.A. Ernst – aan wiens inzet voor vernieuwing van de kerk wij destijds veel te danken hadden – dat waarden niet langer bepaald worden door de institutionele religie. „In religie”, zei Ernst, „is sprake van een gemeenschap, gekenmerkt door een credo, rituelen en praktijk van leven, waarin overdracht van waarden geschiedt.” Die religie was vroeger een bindende kracht in de samenleving. Tegenwoordig stellen gelovigen zich de vraag naar de religieuze wortel van de morele orde.

Volgen wij dit betoog, dan verschuift het probleem. We zoeken dan naar de morele waarden en bijpassende normen die over de eeuwen zijn ontstaan binnen die institutionele religie. De christelijke gemeenschap haalde deze waarden niet uit het transcendente geloof, maar uit de praktische voorschriften voor een goed leven, opgenomen in Tenach en Evangelie. In de vijf boeken van Mozes staan – behalve de Tien Geboden – gedetailleerde gedragsregels. Zij waren geschreven voor die tijd, maar voor vrome Joden gelden ze nu nog naar de letter, omdat zij door de Eeuwige zouden zijn gesanctioneerd. Het Evangelie is in dit opzicht wat minder precies. De navolging van Christus vergt niet zoveel letterlijke gedragsregels. Het gaat daar meer om een aantal primaire deugden, bijvoorbeeld te vinden in de Zaligsprekingen, die de nieuwe gerechtigheid tussen mensen beschrijven.

In zijn recente bestseller ’De filosofie van Christus’ (2007) somt de Franse filosoof en godsdiensthistoricus Frédéric Lenoir acht deugden op onder de noemer ’De ethiek van Christus’: gelijkheid, keuzevrijheid van het individu, emancipatie van de vrouw, sociale rechtvaardigheid, scheiding der machten (die van de schriftgeleerden van die van de overheid), geweldloosheid, vergeving en, natuurlijk, naastenliefde. Dit alles wist Jezus te halen uit de Joodse traditie waarbinnen hij was opgegroeid.

Als ethische grondslag voor een goede samenleving is dit waarlijk niet niks. Maar ook mensen die nooit een evangelie gelezen hebben kunnen deze deugden stuk voor stuk beredeneren. Gelukkig maar, want een beroep op een transcendent geloof is dan niet nodig om de geldigheid van deze morele normen te rechtvaardigen. Wie geraakt is door de charismatische boodschap van Jezus heeft hopelijk wel een extra, voor hem klemmende reden om deze morele waarden te onderschrijven.

Ik ben mij ervan bewust dat ik hier iets als vanzelfsprekend stel dat voor veel gelovigen in de monotheïstische godsdiensten niet vanzelf spreekt: de scheiding tussen geloofswaarheden aan de ene, en het deugdzaam leven in een goede samenleving aan de andere kant.

Voor veel rechtzinnige gelovigen vormen deze twee zaken een eenheid. Hun geloof geldt niet alleen dogma’s over zaken die zich inderdaad aan rationele beoordeling onttrekken – zoals de triniteit of de geboorte van Jezus uit een maagd. Hun geloof geldt evenzeer de zedenleer, die volgens hen in schrift, openbaring en kerkelijke leer te vinden is. De geloofsgemeenschap als zedenmeester.

Maar als een zedenleer bestaat op grond van de pretentie dat hij de wil Gods weergeeft, dan is die onbruikbaar in een samenleving die voor een deel, of zelfs in meerderheid, bestaat uit mensen die zulke gezagsargumenten niet aanvaarden. Een zedenleer kan alleen algemeen gelden als de grondslagen daarvan verankerd zijn in het gemeenschappelijke bewustzijn. Moraal is uiteindelijk altijd lekenmoraal.

Dat sluit geenszins uit dat waarden aangedragen vanuit een aanvaarden-op-gezag kunnen samenvallen met waarden die leven in een seculiere samenleving. Onze beschaving is daarvan een voorbeeld. De westerse samenleving, geënt op de sociale en democratische rechtsstaat, is doordrenkt van waarden afkomstig uit de Joodse en de christelijke traditie, aangevuld met die uit de Griekse en Romeinse overlevering. De Ethica van Aristoteles werd ruim driehonderd jaar voor Christus geschreven. Maar voor de dertiende-eeuwse moraaltheologie van een kerkleraar als Thomas van Aquino speelde dit werk een even grote rol als het Evangelie. Dat kon, omdat in beide de menselijke waardigheid vooropstaat.

Dat zijn de ’culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa’ waarover de preambule sprak van de zogenoemde Grondwet voor de Europese Unie die in 2005 werd verworpen.

Over die preambule had ik in 2004 in de Eerste Kamer een woordenwisseling met minister-president Balkenende. De regering wilde immers naast die ’culturele, religieuze en humanistische tradities’ ook ’de joods-christelijke traditie’ toevoegen. Dat vond ik onjuist, omdat dit zou suggereren dat de joodse en de christelijke traditie iets aparts zouden zijn, dat zij niet reeds volop en dragend aanwezig zijn in ’de Europese culturele, religieuze en humanistische tradities’. Die toevoeging is er niet gekomen.

Het is, nogmaals, van de grootste betekenis dat wij gemeenschappelijke waarden baseren op een zedenleer die gemeenschappelijk is ontwikkeld door gelovigen en niet-gelovigen.

Is er dan geen rol voor wat bisschop Ernst ’de institutionele religie’ noemde? Die kerken hebben immers de ethische waarden van Jezus in de loop der eeuwen uitgewerkt en verfijnd.

Elke gemeenschap ontwikkelt zulke levensregels voor haar leden. Het wordt pas vervelend als de autoriteiten binnen die gemeenschap stellen dat deze gedragsregels zijn gebaseerd op het geloof – en daarom bindend zijn. Dat zijn ze niet. Zelfs de ethische regels die Jezus zelf gaf zijn niet bindend omwille van het geloof. Wij aanvaarden ze omdat zij ook in rationele en emotionele zin een voortreffelijke basis vormen voor een goede samenleving.

Er zijn ook gedragsregels opgelegd aan gelovigen waarover Jezus nimmer heeft nagedacht, laat staan gesproken, maar die door kerkelijke autoriteiten – ik spreek nu specifiek van de kerk van Rome – zijn geformuleerd, en opgelegd. Dit meestal zonder enige inspraak van de gelovigen, en zonder verantwoording af te leggen jegens hen.

Als aan mevrouw Englaro, na zeventien jaar coma, verdere kunstmatige voeding wordt onthouden zodat zij komt te sterven, dan is nergens – maar dan ook nergens – in het geloof een reden te vinden waarom de zedelijke eis van barmhartigheid in dit geval geen voorrang zou mogen hebben boven het morele verbod om de dood te veroorzaken. Toch sprak het Vaticaan van ’moord’. Het baseerde zich daarbij op de scheppingsorde die God heeft verordonneerd. Waar heeft God die zo vastgelegd? Dit is een theologische constructie, waaruit een onwrikbare morele conclusie wordt getrokken.

Als Jezus een graf had, hij zou zich daarin – bij zo weinig barmhartigheid – omdraaien.

Vorig jaar herbevestigde het Vaticaan het verbod uit 1968 op het gebruik van voorbehoedsmiddelen, zelfs binnen een huwelijk. Dat is een schreeuwende zonde jegens hen die vervolgens, door zich niet te beschermen, besmet raken door het hiv-virus. En in Spanje presteren de bisschoppen het om te ageren tegen een liberalere abortuswet – met als thema dat beschermde diersoorten als de lynx in Spanje beter beschermd zijn dan ongeborenen. Dat is een grofheid waarmee de kerk zich buiten de discussie plaatst. Is dit niet bovendien een kwestie waarover de zwangere vrouw zelf, vanuit haar eigen geweten, moet beslissen?

Christenen hebben met zulke starre en liefdeloze gedragsregels een beschaafde samenleving kennelijk niets extra’s te bieden – waarbij ik mij verontschuldig voor het feit dat ik de voorbeelden alleen ontleend heb aan de praktijk van de kerk waartoe ik behoor.

Het past ons christenen dus om bescheiden te zijn.

Dat kunnen wij ook zijn, want de bijdrage van het christendom aan wezenlijke waarden van de westerse beschaving – aan het Europees humanisme zoals Thomas Mann dat verdedigde tegenover de barbarij der nazi’s – is hoe dan ook overweldigend, ondanks de vele obscurantistische ingrepen die kerkelijke autoriteiten in de loop der eeuwen hebben gepleegd.

Welke rol heeft dit alles nu voor mij gespeeld als christen in de actieve politiek, twintig jaar in de Tweede en vervolgens in de Eerste Kamer? Begonnen in de Katholieke Volkspartij botste ik in de jaren zestig al snel op het geïnstitutionaliseerde christendom in de politiek. We hadden het woord van W.P. Berghuis in de oren, toen voorzitter van de Anti-Revolutionaire Partij, over ’de radicaliteit van het Evangelie’. Daarmee bedoelde hij dat het Evangelie geen rustig bezit was, maar een oproep tot het plegen van gerechtigheid. Die acht morele waarden van de filosofie van Christus waren ondergesneeuwd geraakt, vonden wij ook.

Hoe kon het zijn dat de kerk in Zuid-Amerika aan de kant stond van de onderdrukkers, en dat Rome de ’theologie van de revolutie’, voor de Wereldraad verwoord en gesteund door vele prelaten, priesters en gelovigen in Latijns-Amerika, als ketterij afdeed?

Hoe kon het zijn dat een andere oproep, die van de hervormde synode in de jaren zestig om kernwapens in de ban te doen, geen fatsoenlijk antwoord kreeg uit de politiek?

Hoe kon het zijn dat het streven naar een open samenleving, met participatie in de besluitvorming en gelijkheid voor allen, als een gevaar werd gezien voor de religie?

Hoe kon het zijn dat het aggiornamento van het Tweede Vaticaans Concilie door paus en curie in de doofpot werd gestopt?

Al snel werd ons duidelijk dat ’christelijke politiek’ onvoldoende betekende: het met hartstocht werken aan de morele waarden van de filosofie van Christus. Het leidde in 1968 tot het uittreden van de christen-radicalen, waartoe ik behoorde, uit vooral de KVP.

Sindsdien is mijn argwaan gebleven als iemand komt aanzetten met de term ’christelijke politiek’.

Vanuit een geloof spreken over morele waarden wordt een pretentie als niet tevens de bereidheid bestaat om dat spreken te onderwerpen aan het oordeel van anderen. Via de wet kan de politiek normen opleggen. Veel morele normen zijn omgezet in dwingend recht. Maar we moeten als wetgever goed nadenken of we onze eigen normen voor het persoonlijke leven ook mogen opleggen aan anderen.

Het is jammer dat door hun banale optreden de kerkelijke autoriteiten ten onrechte de indruk wekken dat de christenheid moreel niet veel niet meer te melden heeft dan verboden op het gebied van seksualiteit en van dood en leven – hoe belangrijk die thema’s ook zijn.

Veel mooier zou het zijn als de christenheid vooral bekend zou staan om haar inzet tegen geweld, vreemdelingenhaat, vrouwenonderdrukking, genocide, godsdienstoorlog, consumentisme, overbevolking, milieuverwoesting, armoede. Dat zijn indrukwekkende morele kwesties die het publieke domein raken.

Het volbrengen van een messiaans visioen van een rechtvaardige samenleving is geen prerogatief van christenen. Wel kunnen zij, met niet-christenen, zo’n visioen koesteren, en daarbij ter bemoediging speciaal putten uit de rijke schat van Tenach en Evangelie, al dan niet ondersteund vanuit hun religieuze gemeenschap. Die gemeenschap blijft immers een zingevingsverband. Maar nooit moet de christen, met een beroep op de wil van de Eeuwige, de pretentie hebben het in de politiek beter te weten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden