Essay

Christenen kunnen niet schrijven

Beeld Brandtner Staedeli/Corbis/HH

Stevo Akkerman, auteur van het beste religieus-literaire boek van het jaar, vraagt zich af waarom literatuur onder behoudende gelovigen zo slecht valt.

Het is mijn gewoonte een beetje vroeg en nerveus te arriveren als ik ergens een lezing moet geven, en zo ging dat ook op de zonovergoten voorjaarsdag dat ik in Gouda verwacht werd om te spreken op de Driestar-hogeschool. Ik had mijn auto geparkeerd op de geheel verlaten Kiss&Ride-voorziening van de reformatorische onderwijsinstelling en was een rondje gaan lopen, om een beschaafde vijf minuten voor aanvang bij de zaal aan te komen.

Rare minuten zijn dat altijd, die minuten voor aanvang, met bange vragen over aard en omvang van het publiek. Ik wist niet of het publiek wel blij met me zou zijn, en ik had mijn twijfels over de vraag of ik wel de 'christelijke schrijver' was waarvoor de studiegids mij hield.

Maar ik werd geacht te praten over een heerlijk thema: 'Vreemdelingschap'. In mijn boek 'Donderdagmiddagdochter' noem ik mezelf 'een blinde in het land der zienden'; als dat geen vreemdelingschap is, weet ik het ook niet meer.

God op het spoor
Ik stak maar gewoon van wal. De vreemdeling die schrijver is, gooit gemeenschappelijke vanzelfsprekendheden om, zoiets zei ik. En: wat wij ervaren als diep in ons gewortelde over-tuigingen, zijn de wankele waarheden van de wereld en tijd waarin wij leven. In de pauze vroeg de organisator een beetje bezorgd of ik wist voor wie ik sprak. Ik zei van wel en voegde eraan toe dat ik dacht dat het wel goed zou komen tussen het gehoor en mij, en ik geloof ook dat dat uiteindelijk gebeurde.

Dit is, in verkorte vorm, wat ik vertelde.

Afgelopen najaar publiceerde Letter&Geest 'Bijna-levenervaring', een adembenemend essay van Willem Jan Otten. Hij behandelde het werk van de Amerikaanse schrijver Christian Wiman, oud-hoofdredacteur van het tijdschrift Poetry. Wiman is opgegroeid in een gewelddadig en, zoals hij zelf zegt, christelijk-fundamentalistisch milieu in Texas. Na twintig jaar agnost te zijn geweest, is Wiman - die lijdt aan een zeldzame vorm van mergkanker - God weer op het spoor gekomen. Hij schreef daarover 'My Bright Abyss' ('Mijn heldere afgrond'), een verzameling breekbare, ik zou bijna zeggen tedere stukken, zo mooi dat ik ze nauwelijks durf te lezen.

Wiman ervoer het christendom van zijn jeugd als de dood voor de kunst, die 'het moet hebben van openheid'. Er bestaat een vorm van geloof, dat is zeker, die kunst niet kan verdragen als kunst de menselijkheid van mensen centraal stelt en dus ook twijfel, wanhoop en rebellie belichaamt. Dan gaat dat geloof verongelijkt stampvoeten; het heeft de antwoorden en wil hooguit ruimte aan vragen geven om die antwoorden nog eens goed voor het voetlicht te brengen.

Kinderen van de antithese
Ik ken het uit het omheinde gereformeerd-vrijgemaakte universum waarin ik ben opgegroeid. Kunst was niet afwezig, maar er ging wel altijd een zekere dreiging van uit. Bij ons in de boekenkast stond de waarschuwende titel 'Een boos en overspelig geslacht, moderne literatuur als teken des tijds' en in het Nederlands Dagblad schreef G.J. Nijhof het ene na het andere artikel tegen popmuziek als satanische uitvinding - mijn ouders, die samen Schubert speelden en zongen aan de piano, konden zich daar goed in vinden.

Er bestond niet zomaar spanning tussen ons en de rest van de wereld, nee, wij waren kinderen van de antithese, de vijandschap tussen de slang en de vrouw. Wij waren 'geheel anders', en dat zette ons niet alleen vierkant tegenover de wereld, het dwong ons ook 'de wereld in onszelf' te ontkennen.

Ik werd daar aan herinnerd door een bespreking op het boekenblog van Evelien de Nooijer. Zij boog zich over 'Tegen de ruit', waarin Hans Werkman gedichten van Kees van Duinen (1907-1950) heeft samengebracht, aangevuld met een biografische schets van deze Groningse dichter. Van Duinen, die leed onder depressies, voelde zich zeer afgewezen door zijn gereformeerd-vrijgemaakte omgeving die zijn gedichten niet kon waarderen. "Het is alles niets! En al zou het wel wat zijn, ze nemen het, bij ons, toch niet!", schreef hij aan een kennis. En inderdaad, na zijn dood werd gesuggereerd dat hij zijn gedichten beter had kunnen verzwijgen of vernietigen, omdat er zo weinig 'christelijke troost' van uitging.

'Verantwoorde' boeken
Volgens Evelien de Nooijer, jarenlang actief in de christelijke boekenbranche, is 'er niet veel veranderd'. Ze zegt: "Er is bij christelijke uitgevers geen vraag naar literatuur, er is vraag naar 'verantwoorde' boeken die het geloof bevestigen, uiteenzetten, uitspitten, bekrachtigen en - neem mij niet kwalijk - soms zelfs voorkauwen."

Dat is al verdrietig, maar het wordt nog erger: er is volgens De Nooijer in christelijke kring niet alleen geen vraag naar literatuur, er is ook geen aanbod. Want, en nu komt het: 'Christenen kunnen niet schrijven'. Zij zijn net zo 'onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad' als iedereen, maar tegelijkertijd 'leven zij niet zelf, maar Christus in hen'. "Daarom kunnen gelovigen in feite niet authentiek zijn, en dus ook niet 'echt' schrijven."

Beeld Flickr/George Carter

Als dit zo is, ben ik of niet gelovig of niet authentiek of kan ik niet schrijven - of misschien wel alle drie. Tenzij, en dat is wat ik liever denk, authentiek-zijn en gelovig-zijn elkaar niet uitsluiten. Tenzij, en dat is wat ik eigenlijk denk, authentiek-zijn en gelovig-zijn elkaar nodig hebben. De bijbelse helden discussiëren en vechten met God, Christus zelf roept tot zijn vader: 'Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten'. Ze kiezen er niet voor hun zwakheid of opstandigheid te verstoppen - eerder werpen ze die God voor de voeten. Met andere woorden: het inslikken van je eigenheid is wel het laatste wat je in de richting brengt van de Schepper van hemel en aarde.

Iets anders is of er binnen de christelijke gemeenschap ruimte is voor authenticiteit. Zelf heb ik ervaren dat dat niet vanzelf spreekt, om het zacht uit te drukken. Daarbij geldt dat orthodoxie en authenticiteit omgekeerd evenredig aan elkaar zijn. Dat vloeit niet alleen voort uit de zorg om de zuiverheid van de leer, het is ook een sociale kwestie: hoe afgescheidener een groep, hoe groter de behoefte de gelederen gesloten te houden en hoe minder genade voor de eigenwijze eenling.

Bevrijden
Marilynne Robinson, de Amerikaanse auteur van 'Housekeeping', 'Gilead' en 'Lila', schrijft in haar essaybundel 'When I Was a Child I Read Books' het volgende: "Hecht gesmede gemeenschappen waarvan de leden aan elkaar hun identiteit ontlenen, en ook betekenis en waarde, zijn vaak gemankeerd en gevaarlijk, hoe mooi hun vernis ook is gepoetst."

Robinson, die met elk van haar boeken bewijst dat er in elk geval één gelovige is die wel degelijk kan schrijven, zegt dat zij 'door de jaren heen heeft geleerd zichzelf bij het schrijven te bevrijden' van de beperkingen die zij voelde. Ze doelt enerzijds op de beperkingen die de wetenschappelijke en culturele mode van het moment oplegt aan het denken, en zegt dat 'haar religie, en religie in het algemeen' deze beperkingen 'kan en moet verstoren'. Anderzijds zegt ze dat ook religie vaak beperkingen teweegbrengt door zich te verzetten tegen 'het cultiveren en eren van kennis en schoonheid, door dommer te zijn dan nodig is, alsof mensen minder zijn dan God ze gemaakt heeft en nergens zoveel behoefte aan hebben als aan neerbuigendheid'.

Schrijven zonder beperkingen, dat is ook wat mij voor ogen stond bij 'Donderdagmiddagdochter'. Alle onderdrukte vragen de lucht in gooien alsof het duiven zijn die te lang in hun mand hebben gezeten. Niet iedereen denkt dat ik daar goed aan heb gedaan.

Dit is wat de recensent van het Reformatorisch Dagblad schreef: "Het boek heeft te sterk een discussiekarakter gekregen, waardoor het neigt naar een zelfrechtvaardiging van de schrijver, met bijbehorend en soms heftig taalgebruik, inclusief een enkele vloek. En daarmee gaat grotendeels de troost verloren die mensen in vergelijkbare omstandigheden eruit zouden kunnen putten. Dat Akkerman geen zicht heeft op de 'God van ontferming' is de diepste tragiek van dit boek."

Vreemdelingenschap
Ik hoor de echo van de stemmen die Kees van Duinen hoorde in Groningen, zestig jaar geleden. De omstandigheden waarover de RD-recensent spreekt, zijn die van een ouderpaar dat een kind verwacht waarvan tevoren vaststaat dat het zal sterven. Het meisje (de 'donderdagmiddagdochter') heeft geen nieren en kan buiten de baarmoeder niet leven.

Als ik erover vertel op avonden met lezers, komen er na afloop altijd wel een paar naar me toe met verhalen over onheil dat hen zelf heeft getroffen, vaak niet op dezelfde manier, maar toch: op mysterieuze wijze is een boek in staat de 'vreemdelingschap' tussen wildvreemden op te heffen, zij het niet met iedereen.

Als ik in een vervelende bui ben, mag ik de orthodoxie graag een totalitair systeem noemen. Het geloof waarin ik ben grootgebracht, was een ingenieus bouwwerk van op elkaar gestapelde premissen, een volslagen logisch en rationeel systeem, waarin alles klopte. Maar het was een tandwiel dat wel mooi draaide, maar niet aansloot op dat andere tandwiel, dat van de persoonlijke werkelijkheid. En een stelsel dat alles wil verklaren, zonder ruimte te laten voor individualiteit en mysterie, draait dol.

Christian Wiman zegt: "Christus spreekt in verhalen omdat het bestaan niet een puzzel is om op te lossen, maar een vertelling die we erven." En de Joodse filosoof Emmanuel Levinas, die zijn hele denken grondvestte op de confrontatie met de ander, ofwel de vreemdeling, ziet in de geschiedenis van het westerse denken het volgende: "Een poging tot een universele synthese waarin iedere ervaring, alles wat betekenis heeft, wordt herleid tot een totaliteit waarin het bewustzijn greep heeft op de wereld, niets buiten beschouwing laat en op die manier een absoluut denken wordt... Overal in de filosofie waar het spirituele en het zinvolle op het vlak van de kennis wordt gesitueerd, herken je die nostalgie naar de totaliteit."

Authentieke taal
Van totaliteit naar totalitair is een kleine stap, en ik zou die graag vermijden. Wat is het alternatief? Een geloof met gaten, noem ik het in 'Donderdagmiddagdochter'. Gaten die ik niet wil dichtsmeren met de plamuur van de orthodoxie, maar ook niet groter wil laten worden dan God zelf. En daarom zoek ik, al ben ik dan een vreemdeling, het gezelschap van andere gelovigen, zowel lijfelijk (in de kerk) als via de overlevering. Soms tref ik daar, als er een taal wordt gesproken die authentiek is en niet gezwollen en ook niet afgesleten, meer waarheid dan ik zelf onder woorden zou kunnen brengen.

Dat de ene taal dit kan en de andere niet, laat zien hoezeer geloof verbonden is met cultuur - en wij kunnen niet anders dan culturele wezens zijn. Alles wat wij ervaren bij het horen van bepaalde woorden, het zien van bepaalde beelden en het beluisteren van bepaalde klanken, heeft te maken met waar wij vandaan komen, in samenspel met wie we geworden zijn. Wat voor de een roomse poppenkast is, is voor de ander de mystieke uitdrukking van een goddelijke werkelijkheid; wat de een ziet als onnozele opwekkingsliedjes, ziet de ander als ontroerende lofprijzing; wat hier wordt beleefd als zwaarmoedige treurigheid, wordt daar beleefd als gepaste eerbied.

Het onoverbrugbare van de meest wezenlijke ervaringen - religieus of niet-religieus - draagt bij aan de eenzaamheid, noem het de vreemdelingschap, die we kunnen voelen, juist te midden van degenen die ons nabij zijn. Maar die eenzaamheid is niet alleen negatief, ze vloeit voort uit ieders eigen unieke identiteit, en uit de vrijheid of zelfs de plicht om die identiteit te koesteren.

23 gedichten
Als er een taal is die mij het meest bereikt, dan is het die van Czeslaw Milosz, dichter, Nobelprijswinnaar, Pool uit Litouwen, geboren in 1911, gestorven in 2004. Een man over wie Hilbrand Rozema in het tijdschrift Liter schreef: "De catastrofes in zijn leven waren zo groot dat hij al heel vroeg de ridderslag kreeg van een volledige vrijheid van spreken."

Aan het einde van zijn leven schreef Milosz een cyclus van 23 gedichten en noemde die 'Theologisch traktaat'. De eerste aan wie hij het liet lezen, was Johannes Paulus II, de paus die uit Krakau kwam, waar Milosz zijn laatste jaren sleet. De cyclus is een gedicht op zichzelf, beginnend met een dichter die 'in moeilijkheden komt als gevolg van zijn geloofsgenoten', eindigend met een dichter die zich toch in hun midden - nee, niet voegt, maar vindt. "Heb begrip voor mensen met een zwak geloof."

Stevo Akkerman (1963) is redacteur van Trouw. Met 'Donderdagmiddagdochter' won hij vorig jaar de Literaire Juryprijs van het Christelijk Literair Overleg en de Belgische prijs voor 'het beste spirituele boek'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden