Christendom, één groot proces van kappen en schiften

HAREN - “De jonge kerk van de eerste eeuwen van de christelijke jaartelling kende geen bisschop of zelfs synode, die in staat had kunnen zijn, op te leggen wat er in de canon van het Nieuwe Testament mocht komen en wat niet.” Daarom kan de in 367 gepubliceerde 'Paasbrief' van aartsbisschop

Athanasius van Alexandrië ook geen bewuste beslissing van 'hogerhand' worden genoemd, vindt de nieuwtestamenticus dr. A. F. J. Klijn.

In de brief somt Athanasius op welke 27 christelijke geschriften 'goddelijk' en 'geïnspireerd' waren en daarom als gezaghebbend konden worden erkend. De opsomming stemt exact overeen met de 27 bijbelboeken van het Nieuwe Testament.

Volgens Klijn moet de brief van Athanasius niet worden gezien als een machtsbesluit van de jonge kerk, maar als niets meer dan een bevestiging, een vaststelling van de teksten die toen in vrijwel alle christelijke gemeenten in omloop waren. “In 150 na Christus citeert de doorsnee kerkelijke schrijver uit vier evangeliën en niet meer. En in 200 wordt uitsluitend geciteerd uit de brieven van Paulus die wij kennen. Ik zie de canon van het Nieuwe Testament daarom meer als een eindproduct van een evolutieproces dan als het product van bewuste beslissingen. In de kerk worden besluiten àltijd pas na afloop vastgesteld, na veel voorafgaand wikken en wegen.”

Dat Athanasius met zijn opsomming van de 27 'fonteinen der verlossing' een doelbewuste èn geslaagde poging zou hebben gedaan om bij de vaststelling van de canon de gnostische stroming in het vroege christendom de nek om te draaien, gaat er bij dr. Klijn dan ook niet in.

We vroegen de Groningse emeritus-hoogleraar, specialist op het terrein van de wordingsgeschiedenis van het Nieuwe Testament, de handschoen op te pakken in de discussie, die het boek van de historicus Jacob Slavenburg, Valsheid in geschrifte, De gespleten pen van bijbelschrijvers, in Trouw heeft losgemaakt.

Hoofdredacteur Jan Greven (theoloog) opende deze discussie. In zijn column op de kerkpagina (24 februari) haalde hij onder meer Slavenburgs grote waardering voor het Evangelie van Thomas over de hekel. Dat de tekst van dit gnostisch-christelijke evangelie ouder, daardoor minder geschonden en derhalve authentieker zou zijn dan de bijbelse evangeliën, noemt Greven grote onzin.

Een week later (2 maart) pareerde Slavenburg op de Podiumpagina de aanval van Greven, terwijl de week daarop (6 maart) op de kerkpagina de recensie van Valsheid in geschrifte verscheen, van de hand van ds. Aart Mak. Mak denkt dat Slavenburg gelijk heeft met zijn veronderstelling dat vooral in de vierde eeuw na Christus allerlei machtsprocessen een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de canon van het Nieuwe Testament. Maar of die machtspolitiek ook heeft ingehouden, dat er bewust en opzettelijk gnostische geschriften, zoals het Evangelie van Thomas, buiten de canon zijn gehouden, betwijfelt Mak. De christelijke gnosis was immers al aan het eind van de tweede eeuw op haar retour, stelt hij.

Ook de nieuwtestamenticus C. J. den Heyer mengde zich in de discussie. Hij beschuldige Slavenburg op de Podiumpagina (23 maart) onder andere van eenzijdig gebruik van de wetenschappelijke literatuur. Ook dwingt hij volgens Den Heyer zijn lezers een keuze te maken: tegen de canonieke evangeliën en voor het apocriefe evangelie van Thomas. Een nieuw keurslijf waar Den Heyer weigert in te kruipen.

Genuanceerd

Dr. KLijn, die geheel instemt met zijn collega Den Heyer, neemt een genuanceerde positie in de discussie in. “Als het de bedoeling van Slavenburg is om onder de aandacht te brengen dat het christendom in de eerste eeuwen veel breder en veelkleuriger is geweest dan je vanuit hedendaags perspectief gezien zou zeggen, dan kan ik het daarmee eens zijn. Zoals ik het ook met hem eens ben dat er eerder sprake is geweest van honderden christelijke geschriften dan van de 27 die uiteindelijk het Nieuwe Testament zijn gaan vormen. Die geschiedenis is heel interessant en verdient een nadere bestudering.”

Dat er in het vroege christendom zoveel verschillende geschriften in gebruik waren, kan volgens Klijn godsdiensthistorisch worden verklaard. “In de diverse landen en plaatsen waarheen het christendom zich uitbreidde, bestonden meerdere, onderling vaak sterk verschillende religieuze stromingen die allemaal op hun eigen wijze vorm gaven aan hun religieuze gevoelens. Dat betreft zelfs de situatie binnen het toenmaals aanwezige jodendom. Toen het christendom doordrong, gaf elke stroming ook weer een eigen invulling aan de overleveringen aangaande Jezus. Hij werd ingepast in de in die verschillende culturen bestaande heilsvoorstellingen, levensopvattingen en begrippenapparaten. Dat dat heel verschillende Jezus-beelden opleverde, ligt voor de hand. In een hellenistische omgeving leefden immers heel andere voorstellingen omtrent een betere toekomst dan in een joodse omgeving.”

Evolutietheorie

Toch ontwikkelde zich hierin gaandeweg een bepaalde hoofdstroom. Waar die hoofdstroom precies is ontstaan, in Rome of ergens anders, hoe dat precies is gegaan en waarom die hoofdstroom nu juist zùs van karakter was en niet zó, is heel moeilijk na te gaan, zegt Klijn. “Net als bij de evolutietheorie is het moeilijk te traceren waarom het ene element is afgestoten en het andere levensvatbaar is gebleken.”

Dat er bij het ontwikkelen van een christelijke monocultuur niettemin bepaalde krachten aan het werk zijn geweest, wil Klijn niet ontkennen. Overleveringen in het Aramees en Hebreeuws bijvoorbeeld telden vanaf een bepaald moment niet meer mee, omdat de zich ontwikkelende hoofdstroom zich van de Griekse taal bediende. Maar dat er krachten en machten zijn geweest die, zoals Slavenburg veronderstelt, de ontwikkeling bewust een bepaalde kant hebben opgeduwd, dat er dus sprake is geweest van een van buiten af opgelegde dwang en moraal, is niet te bewijzen en ligt volgens Klijn ook niet voor de hand. “Van eenvormigheid was juist lange tijd helemaal geen sprake. Men was in de eerste eeuwen nog volop aan het experimenteren in de diverse christelijke groepen. Er waren, om maar een voorbeeld te noemen, groepen waarin men de besnijdenis nog in stand hield en andere waar men dat niet meer deed.”

En ook het feit dat er maar liefst vier evangeliën in de canon van het Nieuwe Testament zijn opgenomen, bewijst volgens Klijn dat het aanvankelijk juist helemaal niet mógelijk was één opvatting over Jezus vast te stellen. Het Johannes-evangelie noemt hij een sprekend voorbeeld van die veelkleurigheid en pluriformiteit van de jonge christelijke kerk. “Johannes is, anders dan de drie andere bijbelse evangeliën, een heel esoterisch en diepzinnig evangelie. Het spreekt van geest en waarheid, licht en donker, dag en nacht, binnen en buiten, zien en niet-zien, leven en dood, waarheid en leugen, materie en geest. Dat zegt sociologisch en religieus veel over de groep waarbinnen dit evangelie is ontstaan. Het moet een gesloten kring geweest zijn, met een specifieke levensfilosofie en bijbehorende begrippen, waar de figuur van Jezus werd ingepast. In de begripstegenstelling licht-donker bij voorbeeld kon Jezus worden geïntroduceerd als degene die het licht heeft laten zien. En in het begrippen-duo waarheid-leugen past Jezus als degene die de waarheid heeft geopenbaard.”

Sociologische

Ook de gnostiek is, aldus Klijn, zo'n specifiek bestaand stelsel van voorstellingen en begrippen geweest, waarin de figuur van Jezus wel òf ook niet kon functioneren. “In de hermetische gnosis bij voorbeeld speelt Jezus praktisch geen rol. In de christelijke gnosis uiteraard wel. Kern van de gnosis is dat de mens tot een bewustzijn komt dat Jezus heeft gewekt.”

Dat de gnostische stroming uiteindelijk in de verdrukking is geraakt, heeft volgens Klijn eerder sociologische dan kerkpolitieke gronden. “Om te beginnen is de gnostische stroming, behalve in Egypte, naar mijn mening lokaal vrij beperkt gebleven. Het waren kleine, introverte groepen, die niet opvielen door grote leidersnamen, maar vaak alleen werden genoemd naar hun stichters, zoals Valentinus, Basilides, Marcion en Mani. Het zat in het karakter van die groepen dat ze geen vaste structuur en organisatie hadden. Ze leefden een geïsoleerd, naar binnen gekeerd bestaan en timmerden niet aan de weg. Groepen in de apostolische traditie daarentegen waren wèl goed georganiseerd en traden naar buiten met duidelijke leiders. Daardoor konden zij wèl overleven en meekomen in de ontwikkeling van de kerk.”

Overigens is Klijn de laatste om te ontkennen dat de jonge kerk, toen ze eenmaal de canon van het Nieuwe Testament had vastgesteld en zèlf niet meer werd vervolgd, fanatiek de gnostische christenen en hun geschriften ging vervolgen en verketteren. Vooral uit 'angst', denkt hij, dat de pas verworven eenheid van het christelijk geloof in gevaar zou komen. Het beeld dat de gnostici van Jezus hadden - dat van een soort 'wijsheidsleraar' - week sterk af van het geloof in Jezus die het offer van zijn leven had gebracht om de mensen te redden, zoals Paulus onder anderen verkondigt. De zelf-verlossing van de gnostici stond haaks op de redding die van buiten werd gegeven en ook het geloof in de toekomst - de wederkomst des Heren - deelden zij niet - de gnostici hadden een geheel andere visie omtrent plaats, tijd en omstandigheid van het heil. Bovendien was men volgens Klijn ook bang voor “de oncontroleerbare diepten van het menselijk wezen en de inspiratie vanuit de Heilige Geest, waaruit de gnostiek grotendeels is te verklaren.”

Legitiem

“Helaas zijn mooie en behartigenswaardige zaken verdwenen, die wel degelijk legitiem zijn met betrekking tot het Jezusgebeuren. Het is goed, dat wij ons in het christendom weer te binnen brengen dat er ook nog zoiets is als intuïtie en dat we ons opnieuw bewust worden van de oerbeelden en oergedachten die aanwezig zijn in de gnosis.” Je kunt het jammer vinden dat een stroming als de gnostiek ondergesneeuwd is geraakt. Maar moreel óórdelen over de evolutie van het christendom, zoals Slavenburg doet, vindt Klijn daarentegen onzinnig.

Er is één onderwerp in het boek van Slavenburg, waarover dr. Klijn zich bijzonder heeft verbaasd, en dat is de grote waarde die Slavenburg hecht aan de datering van oude handschriften. “Ook al zou het Evangelie van Thomas in 50 zijn geschreven - wat ik niet waarschijnlijk acht - en dus tien tot twintig jaar ouder zijn dan de bijbelse evangeliën, geeft dat dan een garantie dat het dichter staat bij wat de historische Jezus heeft gedaan? Dat betwijfel ik ten zeerste. Een datering zegt relatief weinig over authenticiteit en betrouwbaarheid van een tekst.”

Overlevering

“Het hele christendom is eigenlijk één groot proces geweest van kappen en schiften. Alleen al het op schrift stellen van de mondelinge overlevering is schiften geweest. Daarom zegt een jaartal bij een tekst niet zoveel over de authenticiteit van de bronnen. Het is immers àllemaal overleveringsliteratuur. De betrouwbaarheid van een tekst is naar mijn mening meer afhankelijk van de groep waarin ze is ontstaan, dan van het jaartal waarin ze op schrift werd gesteld.”

Het Evangelie van Thomas bevat 114 logia - dat zouden uitspraken zijn geweest van Jezus. De helft van deze 'woorden' heeft parallellen in het Nieuwe Testament, de andere helft niet. “Natuurlijk zitten daar Jezuaanse opmerkingen tussen. Maar krijg je door die te lezen een beter beeld van wie Jezus is geweest? Wordt de wáárheid over Jezus groter of helderder door het Evangelie van Thomas of andere apocriefe vroeg-christelijke bronnen te bestuderen?”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden