Christen Reünie

De ChristenUnie viert morgen dat de partij tien jaar geleden ontstond uit de politieke krachtenbundeling van het GPV en de RPF. Waarom lukte toen wel wat in 1972 mislukte met een voorloper van de RPF, het Nationaal Evangelisch Verband?

Op 22 januari 1966 gaven vijftien conservatieve gereformeerden in een Amersfoorts bovenzaaltje een aanzet tot de vorming van de ChristenUnie 34 jaar later. Ze beseften het toen niet, ze waren ook helemaal niet van plan een nieuwe partij op te richten, integendeel. Ze wendden zich alleen teleurgesteld af van de ’linkse’ Antirevolutionaire Partij (ARP) en vonden steun aan Pieter Jongeling en diens Gereformeerd Politiek Verbond (GPV) een beter alternatief. Zijn parlementaire debuut met het GPV in 1963 had indruk gemaakt. Zijn stem wilden ze versterken.

Deze ’sympathisanten met de politiek van het GPV’ sympathiseerden echter niet met de bijbehorende gereformeerd-vrijgemaakte kerkelijke belijdenis en zouden daarom als GPV-lid worden geweigerd. Toch wilden ze iets betekenen voor het GPV. In Amersfoort vergaderden ze over de oprichting van een zelfstandig campagnecomité voor het GPV dat stemmen zou werven buiten gereformeerd-vrijgemaakte kring.

Zo ontstond het Nationaal Evangelisch Verband (NEV). Hoewel de leden extra stemmen voor het GPV zouden werven, groeide het NEV toch uit tot concurrent bij de stembus. In 1975 was het verband medeoprichter van de Reformatorische Politieke Federatie (RPF) die pas na een kwarteeuw aandringen politiek mocht fuseren met het GPV. Op 22 januari 2000 was hun ChristenUnie een feit. Waarom was de tijd pas zo laat rijp voor krachtenbundeling?

Voor orthodoxe christenen lagen de heikele thema’s immers voor het oprapen in de roerige jaren zestig en zeventig. Nieuwe opvattingen over politiek, seksualiteit, gezag en geloof buitelden over elkaar heen. Hoewel veel belijdende gelovigen zich verzetten tegen de culturele revolutie, zoals in de jonge Evangelische Omroep (EO), speelde hun politieke hergroepering zich af in de politieke marge. De PvdA dwong de achterban van de grote, maar slinkende confessionele partijen tot een keuze tussen linkse of rechtse politiek in die jaren van ontzuiling en secularisatie.

Ook orthodox-christelijke kiezers zochten een antwoord op deze polarisatiestrategie. Hun aandacht richtte zich echter niet massaal op het GPV en het NEV, maar op de fusiebesprekingen die de ARP, de Christelijk-Historische Unie (CHU) en de Katholieke Volkspartij (KVP) in 1967 aangingen over christendemocratische samenwerking. Zo probeerde dit invloedrijke drietal een groot deel van de stilaan twijfelende achterban te blijven aanspreken in een periode van een afnemende kerkgang en een individueel beleefde, minder publieke geloofsbeleving.

Hun nieuwe CDA zoog de aandacht weg van de initiatieven van organisaties als het NEV, dat eerst campagne voerde voor het GPV en vanaf 1977 als de RPF aan de verkiezingen meedeed. De achterban van de ARP en de CHU stapte ’en masse’ in het CDA volgens historicus George Harinck. Het contrast tussen de buitenparlementaire RPF en de GPV-eenmansfractie in 1977 en de zes zetels tellende regeringspartij ChristenUnie in 2010 kan amper groter zijn. In de tussenliggende tijd is de verzuilde gereformeerd-vrijgemaakte exclusiviteit als belemmering voor een samenwerking verdwenen. De historie van het NEV biedt echter meer inzichten in de moeizame politieke hergroepering van orthodoxe protestanten sinds de jaren zestig, want het GPV had het supporterscomité aanvankelijk toegejuicht.

De ontkerkelijking ging grotendeels aan de orthodoxie voorbij, constateerde politiek historicus Ruud Koole over de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) en het GPV. Ook in de ARP en de CHU bleven behoudende protestanten op hun vertrouwde plek. Het GPV onderscheidde zich met een afgebakende gereformeerde achterban die uit de kerkelijke Vrijmaking van 1944 voortkwam. Kwam het GPV daarmee in 1959 nog zestien stemmen tekort voor een Kamerzetel, in 1963 kwam de partij wel in het parlement.

Waar de orthodoxe achterban van de SGP en het GPV de culturele revolutie van een afstand gadesloeg via nieuwe eigen media, raakten vooral de behoudende leden van de ARP hun politieke zekerheden en invloedrijke posities rond 1963 kwijt. Onder hen was partijideoloog Johan Mekkes, hoogleraar Calvinistische Wijsbegeerte. Hij nam contact op met het GPV om deze jonge antirevolutionaire partij voortaan te steunen. Mekkes verliet de ARP en werd het boegbeeld van het NEV. Enkele honderden ARP-kiezers volgden vanaf 1966, maar de ARP ervoer het niet als een aderlating.

De samenwerking van GPV en NEV was kort maar heftig. Terwijl de gereformeerd-vrijgemaakten na de Tweede Wereldoorlog hun eigen minizuil opbouwden, bestreed het NEV de ’linkse, pacifistische koers’ van hun interkerkelijke gereformeerde ARP. Toch begonnen de GPV-sympathisanten hun missie bescheiden. Ze verklaarden op 22 januari 1966: „Wij willen stemmen, christelijk-reformatorisch stemmen, dat is vandaag op de lijst van het GPV. Dit alleen gaan wij nu organiseren en wij hopen dat het GPV onze stemsteun aanvaardt.”

Het GPV raakte hierover diep verdeeld. Partijsecretaris Bart Verbrugh kreeg na het parlementaire debuut van Jongeling veel steunbetuigingen uit niet-vrijgemaakte kring en wilde daarmee iets doen. Eigenhandig regisseerde hij de oprichting van het NEV, zoals uit notulen en correspondenties blijkt. Zijn doel was om de moeizaam veroverde GPV-zetel te behouden zonder de ’vrijgemaakte’ partijidentiteit prijs te geven. Een oplaaiend nationaal debat over een ander kiesstelsel maakte dat streven sterker. Elke kiesdrempelverhoging bedreigde het GPV. Maar voor strikte dominees uit de ’Vrijmaking’ was zetelbehoud geen goede reden voor samenwerking met andersdenkenden. Ze verzetten zich steeds feller tegen het NEV.

NEV-leden wisten niet goed wat ze van dat tumult moesten vinden. Stemsteun was volgens hen nodig, want Nederland en de ARP vielen ten prooi aan de culturele revolutie. In de geest van antirevolutionair Groen van Prinsterer wilden ze tegenover de revolutie het Evangelie stellen. Met het GPV. Een eigen nieuwe partij zou slechts verzwakking brengen. Het NEV voerde met het GPV campagne in 1967 en 1971 en tooide zich eveneens met burcht als partijlogo. Het verband leverde sprekers voor toogdagen en radio-uitzendingen van het GPV. Leden volgden GPV-kadertrainingen voor een eventueel toekomstige duolijst GPV-NEV, een ChristenUnie in de dop. Het aantal stemmers groeide. In 1971 werd Verbrugh Kamerlid naast Jongeling.

Juist op deze ogenschijnlijke hoogtijdagen voor het GPV verkeerde de partij in een crisissfeer. Over de samenwerking met het NEV had een commissie met voor- en tegenstanders in 1970 een niet-eensluidend advies uitgebracht. Behendig wist het partijbestuur de besluitvorming hierover over de verkiezingen van 1971 te tillen. Maar een kerkscheuring onder vrijgemaakten gooide alsnog roet in het eten. Een deel raakte buiten het kerkverband en verruilde het GPV voor het NEV.

Deze nieuwe toestroom gaf het NEV vleugels. Een Nederlandse reformatorische krachtenbundeling werd zijn nieuwe speerpunt. In 1972 besloten de NEV-leden ook met de SGP en de orthodoxie in de ARP en de CHU te gaan samenwerken. Het GPV verbrak daarop de samenwerking. Van de exclusieve stemsteun was niets over en de confrontatie met ex-kerkgenoten was pijnlijk. Het GPV wilde zoveel mogelijk alleen verdergaan en dreigde in een isolement te verzanden.

Het NEV raakte juist overmoedig. Met de Evangelisch Omroep (EO) was een nauw contact, net als met orthodoxe groepen in de ARP die zich verweerden tegen het nieuwe CDA. NEV en deze ARP-groepen richtten in 1975 de RPF op, niet zozeer als zoveelste nieuwe partij, maar als een politieke krachtenbundeling om Nederlands ’vierde stroming’ te behouden. Naast liberalen, socialisten en christendemocraten waren dat de reformatorischen, inclusief ook SGP, GPV en CHU. Op enkelen uit de ARP na liet echter niemand zich door de RPF overkoepelen. Die besloot een tijdelijke partij te worden in afwachting op een fusiepartner.

De schade van deze orthodox-protestantse hergroepering kon worden opgemaakt na de Tweede Kamerverkiezingen van 1977. Het CDA won, het GPV verloor en de RPF haalde nul zetels. In de marge van de parlementaire geschiedenis debuteerde de RPF in 1981 waarop de tweepersoons Kamerfractie al snel uiteenscheurde. Pas begin jaren negentig raakte het GPV voorzichtig voor samenwerking ontvankelijk. De RPF was weer crisisvrij en drong als vanouds bij het GPV aan op fusie. Nu bleken ze in staat tot orthodoxe politieke samenwerking naast een uitgeregeerd CDA. De ChristenUnie lag in het verschiet.

Was het GPV-NEV nog een verzuilde poging om tot een conservatieve christelijke lijst te komen, de RPF was in 1975 een moderne poging met grondslagen die bij een individualistische tijdgeest pasten. Niet langer stond de kerkbelijdenis centraal, maar het persoonlijk beleden Bijbelvaste geloof dat hieruit kon voortvloeien. Protestantse christenen van diverse pluimage konden samenwerken, omdat hun geloofsbeleving voor elkaar herkenbaar was. De EO, die naast de RPF stond, werkte ook zo.

Het ontstaan van de ChristenUnie in 2000 blijkt niet het eindpunt van een langzaam toenaderingsproces. Samenwerking tussen orthodoxe christenen moet nog steeds worden bevochten, zoals de partijwerkgroepen met evangelische en homoseksuele christenen ervaren. Vooral de werkgroep van rooms-katholieken in de ChristenUnie roept herinneringen op aan het NEV. Niet voor niets waarschuwde Tweede Kamerfractievoorzitter Arie Slob rooms-katholieke sympathisanten onlangs nog voor te hoog gespannen verwachtingen. Hoewel er nu r.k.-partijkandidaten zijn, kunnen katholieken beter niets forceren omwille van de partijeenheid. Wil de ChristenUnie stabiliteit blijven uitstralen, dan kan de partij tumultueuze twisten als ooit om het NEV niet gebruiken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden