Christen en paria in Gaza

Een christelijke arts voelt zich een paria in zijn geboorteplaats Gaza-Stad. Hij is een van de vele mensen die Laurens Samsom ontmoette tijdens zijn jarenlange verblijf in Israël en de Palestijnse gebieden. Een voorpublicatie uit zijn debuut 'Tegendraadse dromen', dat vandaag verschijnt.

Het is een warme vrijdagochtend als Sarhan, mijn fixer, en ik in alle vroegte door het oostelijke deel van Gaza-Stad rijden. We zijn op weg naar het checkpoint waarvandaan ik zal terugkeren naar Israël. Zoals we al vaker hebben gedaan, rijden we eerst nog even door de christelijke wijk. De Palestijns-christelijke gemeenschap heeft haar vrije dag verplaatst van zondag naar vrijdag om niet uit de pas te lopen met het dominante islamitische deel van de bevolking en dus klinkt op deze vrijdagochtend uit de Grieks-orthodoxe kerk zacht gezang.

Op straat is de stemming gemoedelijk. De slaperigheid benevelt het temperament dat overdag zorgt voor de gangbare kakofonie van claxons en geschreeuw. Een man geeft zijn ezeltje te drinken, een klein meisje speelt voorzichtig met een straatkatje. Als we bij de kerk aankomen, staat een van de kerkgangers ons op te wachten. De man vraagt of Sarhan en de chauffeur het heiligdom niet willen betreden, blijkbaar herkent hij hen als niet-christen. De lange blonde westerling (ik dus) mag wel naar binnen. Ik zal wel christen zijn, neemt de man vermoedelijk aan. Voor het gemak ga ik er niet tegenin.

Een half uurtje kijk ik vanaf het achterste bankje toe hoe enkele tientallen kerkgangers met elkaar bidden en zingen in het heiligdom dat glinstert van de goudkleurige praalobjecten. De kalme en devote sfeer die ik ken van Europese kerken is hier niet aanwezig. Iedere keer dat er iemand binnenkomt, draait de helft van de groep zich even om om te kijken wie het is. De sfeer voelt gespannen, alsof ze de dienst liever snel afhandelen. Tegelijkertijd besef ik dat het ook mijn projectie kan zijn, gevoed door de geruchten over deze kwetsbare minderheid in Gaza. Als de voorganger is uitgesproken, loop ik voor de menigte uit naar de binnenplaats, waar ik me voeg bij Sarhan en de chauffeur.

Beperkingen

Eén voor één probeer ik de gelovigen die de kerk uit komen te verleiden tot een gesprek. De eerste algemene introductievraag willen ze nog wel beantwoorden, maar wanneer ik begin over de positie van christenen in Gaza mompelen de meesten: 'Prima', en lopen snel door.

Ook de 63-jarige Sami Sayegh laat in eerste instantie niet het achterste van zijn tong zien. "Er zijn wat beperkingen", zegt hij voorzichtig. In plaats van door te lopen, neemt hij naast mij plaats op het stenen bankje. Sayegh is een kleine man met een lichtgetinte huid en een snor. Hij draagt een gestreept poloshirt en onder zijn bezwete voorhoofd kijken twee scherpe ogen van achter een rond brilletje met slank montuur mij aan. Een dokter, vermoed ik, terwijl ik wat extra ruimte voor hem maak op het bankje.

Aan mijn andere zijde zit Sarhan met onze zwaarlijvige en vervaarlijk uitziende chauffeur. Al snel is me duidelijk dat de christelijke Sayegh in hun aanwezigheid niet vrijuit durft te praten. Het duo zou immers van Hamas kunnen zijn. Vlug probeer ik een strategie te bedenken om hen een blokje om te sturen, maar tegelijkertijd dien ik enige rekening te houden met de bestaande omgangsvormen. De gastvrijheid waarmee Sarhan me elke keer ontvangt heeft als prijs dat een zeker respect op zijn plaats is. Iemand verzoeken midden in een gesprek weg te gaan, is in Gaza een regelrechte vernedering.

Ik kom niet zo snel tot een passende oplossing, want ook de winkels zijn dicht en dus kan ik hun zelfs niet vragen even iets voor me te kopen. Plotseling zegt Sarhan tegen de chauffeur: "Kom, wij gaan buiten de poort even een sigaretje roken". Ik knik hun onopvallend toe, maar vanbinnen ben ik Sarhan bijzonder dankbaar. Roken mag overal in Gaza, daarvoor hoef je een binnenplaats niet te verlaten, en bovendien weet ik dat Sarhan helemaal niet rookt.

Zilveren kruisje

De mannen zijn nog niet weg of Sayegh begint te praten. Hij vertelt over zijn grootouders die vanuit Jemen naar Gaza gemigreerd zijn en dat hij, net als zijn vader en moeder, in de christelijke wijk in Gaza-Stad is geboren. Sayegh is inderdaad arts, gynaecoloog om precies te zijn.

Hij wil direct iets rechtzetten. Zijn eerdere opmerking over enkele beperkingen voor christenen doet geen recht aan de werkelijke situatie in Gaza. De islamitische druk op zijn leven is een absolute halszaak. "Het is hier verschrikkelijk", zegt Sayegh. Van onder zijn trui haalt hij een zilveren kruisje tevoorschijn. "Die kun je misschien in Jeruzalem en Bethlehem zichtbaar dragen, hier moet je dat niet proberen."

Al voor de machtsovername van Hamas was het voor Sayegh niet eenvoudig om in Gaza te leven. "Dat is voor jou misschien moeilijk voorstelbaar", zegt hij me. "Jij ziet waarschijnlijk gewoon Palestijnen en dus allemaal mensen van hetzelfde volk. Maar zo is het niet: ik ben hier geboren als uitzondering, als paria binnen een maatschappij die mij nauwelijks accepteert."

Zo op het eerste gezicht is er inderdaad geen enkel verschil tussen islamitische en christelijke Palestijnen. Op de Westoever is dat onderscheid stukken makkelijker te maken. Daar zie ik vrouwen met kruiskettingen lopen, en een Maria-afbeelding op het dashboard van een bus is heel gewoon. In Gaza blijven zulke symbolen onttrokken aan het oog en lijkt de bevolking in religieus opzicht inderdaad homogeen. De onderlinge verschillen en bijbehorende spanningen zijn grotendeels onzichtbaar.

Sayegh heeft ook in andere landen gewoond. Hij vertelt over zijn studie gynaecologie in Irak en Roemenië in de jaren zestig, waar hij zich als christen vrij kon bewegen en tegelijkertijd de nodige werkervaring opdeed. Eenmaal terug in zijn geboortestad blijkt het voor hem moeilijk om een baan te vinden, ondanks zijn ongebruikelijk hoge opleiding. Uiteindelijk kan hij aan de slag als dokter bij een lokaal hospitaal. Daar mag hij de eerste twee jaar alleen stempels zetten op behandelingsaanvragen. "Ik heb nooit dezelfde kansen gekregen als mijn islamitische collega's", zegt Sayegh. "Zo gaat dat hier dus."

Verzet betekent gevaar en dus kiezen de meeste christenen in Gaza ervoor om zich te schikken in hun positie. Een relatief rustig leven leiden is ook wat waard, want wie weet wat er gebeurt als je de strijd aanknoopt met de heersende macht.

Sayegh weigert zich daarbij neer te leggen. Met behulp van een mensenrechtenorganisatie dwingt hij het recht af om zijn beroep volledig uit te oefenen. Al snel blijkt dat christenen niet alleen van hogerhand weerstand ondervinden. Eenmaal in functie als volwaardig arts wijzen veel patiënten zijn diensten af: ze willen geen christen als medisch specialist en zeker niet voor zo'n intiem lichaamsdeel.

Met Hamas aan het roer neemt het islamitische bewind in Gaza almaar toe. "Christenen worden steeds vaker uit belangrijke posities geweerd en we blijven tegenwoordig zoveel mogelijk in onze wijk. Daarbuiten kan het echt gevaarlijk zijn." Als ik Sayegh vraag hoe de rest van zijn familie zich staande houdt, krijgt hij tranen in zijn ogen. "Mijn nichtje is bedreigd met een wapen. Ze moest zich bekeren tot de islam anders zouden ze haar wat aandoen. En mijn twee dochters durf ik niet alleen over straat te laten gaan."

Het zijn de verhalen die ik vaker heb gehoord, soms uit de tweede hand of van mensen aan wie ik plechtig moest beloven hen niet te citeren. Als schuldigen wijzen zij meestal naar de jongens en mannen van de streng religieuze groep salafisten, maar ook de orthodoxere Hamas-leden zouden dergelijke bedreigingen uiten. Sayegh is de eerste die het geen punt vindt als ik hem bij naam noem: "Het moet maar eens verteld worden. Dat is belangrijker dan mijn individuele angsten of bezwaren."

Het aantal christenen in Gaza is de laatste jaren snel teruggelopen, hoor ik van alle kanten. Vermoedelijk zijn er nog enkele duizenden over, als het er niet minder zijn. "De rest is bekeerd of gevlucht naar de Westelijke Jordaanoever."

Vluchten noch bekeren is voor Sayegh een optie. "Mijn ouders en mijn broer liggen hierachter begraven." Hij wijst naar het kerkhof iets verderop. "Waar moet ik heen? Hier ben ik geboren en hier zal ik sterven. Sterven als de Sami Sayegh die ik vanbinnen ben en niet als Sami Sayegh die zich anders voordeed, omdat zijn omgeving dat eiste."

Rondom de kerk is het inmiddels stil. De passerende kerkgangers hebben ons een vluchtige blik toegeworpen, om vervolgens snel door te lopen. Sayegh sloeg er geen acht op en concentreerde zich op ons gesprek. Nu we even zwijgen en de ontstane stilte zich aan ons opdringt, pakt Sayegh zijn mobiele telefoon en toont een aantal foto's van papieren sterren en andere knutselwerkjes die hij heeft gemaakt. Er zit ook een kruisje van gekleurd karton bij. "Dat maak ik thuis als de luiken dicht zijn", zegt hij. "Ze weten wel dat ik christelijk ben, maar als je ermee te koop loopt, maak je het jezelf onnodig moeilijk."

Nadat ik Sayegh nogmaals heb gevraagd of hij zeker weet dat ik zijn naam mag gebruiken en we elkaar gedag zeggen, moet ik me haasten naar de grensovergang. Het is vrijdag en dat betekent dat de grens aan Israëlische zijde eerder sluit vanwege de aankomende sabbat. Met vliegende vaart rijden we naar het noorden. Als we de containers van Hamas naderen, zit ik nog druk aantekeningen te maken van het gesprek van zo-even. Ik moet opschieten, zeggen de Palestijnse grenswachters. Vlug pak ik mijn rugzak, en ik geef Sarhan het envelopje met dollars voor zijn werk. Zoals altijd kijkt hij niet naar de inhoud, maar stopt het onmiddellijk in zijn zak. Als we elkaar haastig groeten, vergeet ik hem helemaal te bedanken voor het zogenaamde roken.

Pas wanneer ik in de hal van het gigantische Israëlische checkpoint sta, komt de rooktruc van Sarhan weer bij me op. Ik wil hem een sms sturen, maar zowel mijn telefoon met Israëlische simkaart als die met Palestijnse simkaart bevindt zich ergens halverwege de scanner. Er rest me niets anders dan in de gepantserde ruimte plaats te nemen en te wachten tot de enige persoon voor me, een Palestijnse vrouw die blijkbaar een speciale vergunning heeft weten te bemachtigen om Israël binnen te komen, klaar is.

De vrouw heeft in haar bagage een stuk of acht taarten, allemaal nog in de verpakking van een fameuze Gazaanse bakkerij waar ik ook weleens vers gebak heb gekocht. De Israëlische grensbeambte pakt de dozen één voor één uit en tilt de taarten op om te kijken of er niets in verborgen zit. Bij de vierde taart, die net als de voorgaande in stukken uiteenvalt, stap ik op de jonge Israëlische vrouw in uniform af om te vragen of ze het gebak niet kan laten voor wat het is. 'Protocol', zegt ze kil, nog voordat ik een vraag heb gesteld. Van de beveiliger met machinegeweer krijg ik te horen dat ik meer afstand moet nemen.

Ik plof terug op een van de plastic stoelen en wacht zwijgend tot alle taarten kapot, maar gecontroleerd, terug in de doos gaan. Als ik even later mijn eigendommen weer in handen heb, pak ik de Palestijnse telefoon. "Dank je, Sarhan, jouw roken was groots", typ ik. En terwijl ik mijn broekriem weer omdoe en controleer of mijn laptop het nog doet, piept mijn telefoon al. "Geen dank", schrijft Sarhan terug. "Soms is een man die de waarheid vertelt belangrijker dan eentje die zijn volk wil verdedigen."

Steeds minder christenen

Veel christenen zijn de afgelopen decennia weggegaan uit Gaza. Volgens de Duitse Konrad Adenauer Stiftung waren het er in 1967, aan de vooravond van de Zesdaagse Oorlog, zo'n 10.000. Op dit moment zijn daar hooguit enkele duizenden van over, op een totaal van 1,8 miljoen Palestijnen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden