Christen en Jood leefden prima samen

De preken van kerkvaders waren soms fel anti-Joods, maar antisemitisch waren ze niet, zegt Elizabeth Boddens Hosang. Eerder bezorgd over de aantrekkingskracht die het jodendom op de kerk uitoefende. Joden en christenen leefden goed samen.

In bulderpreken tegen Joden is Johannes Chrysostomos de kampioen. De latere kerkvader (345-407) leefde zich, met de retoriek uit zijn tijd (’addergebroed’), behoorlijk uit. En toch is het geen jodenhaat, geen anti-judaïsme, wat hem dreef, zegt Elizabeth Boddens Hosang. Zij promoveert morgen aan de Faculteit katholieke theologie van de Universiteit Tilburg op de betrekkingen tussen Joden en christenen in de vroege eeuwen van het christendom, de tijd van de kerkvaders.

Uit droge verslagen van bisschoppenvergaderingen van ruim anderhalf millennium geleden diept ze een levendig beeld op van christenen en Joden die als buren bij elkaar over de vloer komen, ondanks dat de kerkleiding ze uit elkaar probeert te houden. Boddens Hosang, droogjes; „Je ziet dat er niets is veranderd. Gewone gelovigen zoeken altijd wel hun eigen weg, los van wat de kerkleiding hen oplegt.”

Die boodschap liet ze een keer in Rome horen, toen ze daar als spreekster was uitgenodigd bij een bijeenkomst bij de veertigste verjaardag van de encycliek Nostrae Aetate, een document van het Tweede Vaticaans Concilie. „Dat werd niet op prijs gesteld.”

Zelf kiest Boddens Hosang (1961) ook voor een eigenzinnige vorm van gelovig-zijn. Ze werd op latere leeftijd katholiek en koos voor een celibatair leven buiten het klooster, in de vorm van de maagdenwijding. Naast haar wetenschappelijke werk is ze actief als catecheet op katholieke basisscholen en als medewerkster van het rk spirituele centrum De Boskant in Den Haag.

De afgelopen vijf jaar werkte ze aan haar proefschrift over de contacten tussen christenen en Joden. Daarin is een rol weggelegd voor Johannes Chrysostomos. Deze kerkvader onderbrak in september van het jaar 386 een aantal preken waarin hij tekeer ging tegen ketterse Arianen, en hield vervolgens acht bulderpreken tegen de Joden.

„Hij deed dat in de herfst”, zegt Elisabeth Boddens. „De tijd van de joodse feesten: Rosj Hasjana, nieuwjaar dus, Soekkot, het Loofhuttenfeest en Grote Verzoendag. De christenen die bij hem in de kerk kwamen, gingen naar die joodse feesten toe. Dat wilde Chrysostomos niet. Hij preekte niet tegen de Joden, maar tegen zijn eigen gelovigen.”

Om deze stelling overeind te houden heeft Boddens Hosang wel bewijzen nodig dat Joden en christenen bij elkaar over de vloer kwamen, in de vierde en vijfde eeuw.

Teksten van de kerkvaders uit die periode maken haar niet veel wijzer op dit punt. Chrysostomos, Augustinus en Gregorius van Tours schrijven wel over Joden, maar dat zijn vaak theologische betogen. Die gaan niet over het dagelijks leven.

De archeologie dan?

Boddens studeerde, naast Egyptologie ook archeologie, in Londen. „Aan keukengerei kun je niet zien of het een joods of een christelijk huishouden was. Er zijn wel grafstenen met opschriften waardoor je kunt zien dat in een bepaalde streek Joden gewoond hebben, zoals in Antiochië, waar Chrysostomos zat, daar was een grote Joodse gemeenschap.” En in Zuid-Spanje zijn resten van een synagoge gevonden, herkenbaar aan inscripties op de vloer.

Al met al zijn dat toch niet genoeg aanwijzingen om de bedoeling van de donderpreken van Chrysostomos en andere kerkvaders die negatief over Joden waren, goed te kunnen plaatsen, aldus Boddens.

Daarvoor zijn wel de verslagen geschikt van de bijeenkomsten waarbij de bisschoppen vastlegden wat er wel en niet was toegestaan.

Voor het eerst kwamen bisschoppen in zo’n concilie bijeen in 305, in de Spaanse stad Elvira, nu een buitenwijk van Granada. Hun conclusies zijn een merkwaardige verzameling verboden, zonder enige samenhang. Wie die 81 canones, bisschoppelijke bepalingen, leest, komt daarin herhaaldelijk opmerkingen tegen over de omgang met Joden.

Christenen moeten geen joodse gewoontes overnemen. Dat zou dan gaan over het vieren van de sabbat, en het lezen van teksten uit het Oude Testament, zoals staat in een tekst uit Laodicea, in het oosten van het Middellandse Zeegebied. Christelijke meisjes mogen niet met Joodse mannen trouwen, ook niet met ketterse mannen trouwens, anders mogen haar ouders voor straf vijf jaar niet deelnemen aan de maaltijd des Heren, de communie.

Een nog zwaardere straf gold voor landeigenaren die aan Joden een zegen vroegen over de oogst. Die werden voor altijd uit de christelijke gemeenschap gestoten.

Na Elvira kwamen de bisschoppen vaker in concilie bijeen. Ook in deze canonieke bepalingen staan verboden op huwelijken tussen christenen en Joden, op gezamenlijke maaltijden, buitenechtelijke verhoudingen tussen christelijke mannen en Joodse vrouwen, en het bezoek van christenen aan joodse feesten of aan een synagoge.

Als die verboden zo vaak herhaald worden, eeuwen lang, dan was er in de praktijk blijkbaar aanleiding toe, concludeert Elisabeth Boddens Hosang. Oftewel, christenen en Joden gingen in het dagelijks leven veel met elkaar om. „Stel je dat zo voor, de een verkoopt iets aan de ander, en in die tijd moesten overeenkomsten bezegeld worden op een heilige plaats. Dan wist je dat iemand zich aan zijn afspraken zou houden. Een christen ging dan met een Joodse handelaar van wie hij lappen stof wilde kopen, mee naar de synagoge om daar de zaak te beklinken. Zoals hij met een heiden meeging naar de tempel van Jupiter, om te zweren dat er eerlijk zaken werd gedaan.”

Joden waren een minderheid in de vierde en vijfde eeuw. Maar wel een minderheid die makkelijk integreerde. Gezien de verboden van de conciliebepalingen werden christenmeisjes geregeld uitgehuwelijkt aan niet-christelijke mannen. „De bisschoppen hadden liever dat dat dan maar aan een heidense man was, dan aan een ketter of een Jood. Die stonden toch net te dicht bij christenen en dat was gevaarlijk.”

Gewone gelovigen zagen geen enkel probleem hierin, maar de kerkleiding had er moeite mee.

In haar proefschrift gaat Boddens Hosang in opde vraag waarom in de teksten van concilies en kerkvaders zo tegen Joden geageerd wordt. „Het heeft alles te maken met identiteit. Er was nog nauwelijks een theologie, de kerkleiding was bezig duidelijke grenzen te stellen en af te bakenen wat het betekende om lid te zijn van de christelijke gemeenschap. Al die verboden moesten dat duidelijk maken.”

Vandaar die straf van uitsluiting van de communie, de gemeenschappelijke maaltijd van de christelijke geloofsgemeenschap. „Die maaltijd was toen nog niet zoals de communie nu is. In de vroege vierde eeuw kwamen christenen vaak op zondagavond bij elkaar. Ze aten samen, lazen uit de Bijbel, vaak een tekst van Paulus, en spraken daar dan over, vertelden elkaar verhalen. Het was een maaltijdgemeenschap. Vandaar dat de straf op het overtreden van de canon was, het enige tijd niet mogen deelnemen aan de communio, de gezamenlijke maaltijd.”

De bisschoppen, in concilies bijeen, bleven eeuw na eeuw hun verbod op de omgang met joden herhalen. „Het ziet ernaar uit dat de gewone mensen er geen slaap door verloren hebben, en als buren gewoon contact bleven houden. Het was iets van de kerkleiding.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden