China's Grote Sprong Achterwaarts

Het Chinese bewind, erfgenaam van Mao, poseert als hoeder van millennia-oude tradities. In deze poging legitimiteit te verwerven zit een absurd trekje. En het kan nog fout uitpakken ook.

Tabitha Speelman (1988) is correspondent van Trouw in Peking. Ze studeerde Chinees in Leiden en Nanjing en filosofie in Grand Rapids, Michigan.

In Chinese steden volgen opknapbeurten het ritme van de politieke kalender. Een likje verf, een nieuw gelegde stoep, een verse lading propagandaposters aan de muur: allemaal tekenen dat er weer een grote partijbijeenkomst of een belangrijke nationale feestdag op komst is. In het najaar van 2016 prijkt in volksbuurten van de wijk Hujialou in Peking een traditionele Chinese tekst, uitgevoerd in elegante kalligrafie, aan de lichtgrijze, nog naar verf ruikende muren.

Aan de muur hangt de Dizigui, een tekst uit de 17de eeuw waarvan de eerste regel luidt: "Als mijn ouders me roepen, moet ik gelijk antwoorden, en ik moet niet lui zijn om te doen wat ze me opdragen." De tekst, geïnspireerd op wijsgeer Confucius (zesde eeuw v. Chr.), zou een samenvatting zijn van 'de grootste Chinese wijsheden', voert professor Ren Dengdi van de Centrale Partijschool aan op de site van het Volksdagblad. De aanleiding om de posters op te hangen is de 67ste viering van de oprichting van de Volksrepubliek China op 1 oktober. Ze worden afgewisseld met een reeks bekende gezegdes, zoals: "Voor het welzijn van het land is elke inwoner verantwoordelijk."

Een beetje vreemd is het wel: confucianistische leuzen om de verjaardag van de overwinning van de Communistische Partij te vieren. De door de partij nog steeds vereerde Mao Zedong had juist gezegd dat het traditionele verleden weggevaagd moest worden door constante revolutie. Tijdens de Culturele Revolutie (zie kader op blz. 8) waren teksten als de Dizigui streng verboden. Confucius, wiens status in China vergelijkbaar is met die van Socrates in het Westen, werd door Mao en zijn beeldenstormers gezien als de ultieme vertegenwoordiger van dat verleden. In 1966 werd zelfs de begraafplaats van de eigenzinnige denker en honderden van zijn verwanten opgeblazen met dynamiet. Confucius' gedachtengoed is divers. Persoonlijke moraal, rechtvaardige leiders en vrij onderwijs zijn daarin belangrijk, maar wat was blijven hangen waren vooral zijn ideeën over een paternalistische hiërarchie in de maatschappij. Mao meende dat het socialisme alleen wortel kon schieten als dat oude systeem uitgeroeid zou worden.

Nu grijpen China's machthebbers steeds vaker terug naar China's glorieuze verleden. Traditionele volkskunst en confucianistische waarden als respect voor ouderen staan centraal. Op de basisschool al krijgen kinderen guoxue ('nationale studies'), een vak waarbij ze klassieke teksten uit hun hoofd leren die het

belang van onderwijs en de juiste omgang met anderen benadrukken. Partijkaders volgen verplicht college over China's 'culturele genen', en sinds 2008 worden ook weer traditionele feestdagen gevierd, als het Qingming-festival, waarop men de graven van voorouders bezoekt om die te verzorgen.

Deze omslag lijkt een nauwelijks verholen poging van de Chinese regering om een nieuwe bron van legitimiteit te vinden voor haar bestuur. De communistische doctrines hebben hun glans verloren, het kapitalisme Chinese stijl heeft niet alleen glimmende wolkenkrabbers gebracht, maar ook grote sociale ongelijkheid. Zeker nu de economie onvoorspelbaarder wordt en groeicijfers dalen, heeft de Partij een nieuw verhaal nodig. Dat wordt nu: het communistische leiderschap als erfgenaam en redder van een aloude beschaving. In plaats van revolutie gaat het nu opeens om het benadrukken van continuïteit met het verleden.

Helemaal nieuw is de trend niet: al sinds het begin van de economische hervormingen, eind jaren zeventig, hebben China's leiders het over de traditie. Nu Mao's Rode Boekjes en diens grillige besluitvorming niet langer als leidraad van de maatschappij functioneerden, was er weer ideologische ruimte voor het begrip continuïteit. Na de neergeslagen studentenprotesten in 1989 werden de vijfduizend jaar aan vaderlandse geschiedenis nog belangrijker. Deng Xiaoping besloot dat de jeugd vaderlandslievender moest worden, en voerde onderwijshervormingen door met meer aandacht voor China's tradities.

De huidige president Xi zet deze hervormingen door en geeft er zijn eigen draai aan. Meer dan zijn directe voorgangers praat Xi over het belang van ideologische eenheid, en van de Chinese traditie. Zoals hij het Politburo vorig jaar vertelde: "China's problemen kunnen alleen opgelost worden door in China naar passende oplossingen te zoeken. We moeten volledig gebruikmaken van de wijsheid die de Chinese natie de laatste vijfduizend jaar heeft opgebouwd."

Ook kenmerkend voor Xi's leiderschap is dat hij nadruk legt op zowel het traditionele verleden als op de rode partijgeschiedenis. In plaats van een tegenstelling te schetsen tussen het keizerrijk en de Communistische Partij, legt hij juist een verband. Zoals propagandachef Liu Yunshan het in 2014 verwoordde tijdens een toespraak voor buitenlandse sinologen: "Zonder de rijke voedingsbodem van de Chinese traditionele cultuur had de Chinese Communistische Partij niet kunnen wortelen, groeien, ontwikkelen en besturen". De 'bestuurlijke principes' van de Communistische Partij en de traditionele cultuur van China hebben dezelfde oorsprong, aldus Liu.

Zo wordt er een lijntje tussen het heden en het verleden gelegd. Hoe die machtsoverdracht precies plaatsvond, of hoe het huidige stelsel lijkt op het keizerrijk wordt vaag gelaten. De Partij heeft simpelweg een noodzakelijke weg afgelegd die bij het heden uitkomt. Tegelijk mag er over veel van die historische stappen, inclusief de vernielingen van erfgoed en andere misstanden tijdens de Culturele Revolutie, nog altijd niet vrijuit geschreven en gesproken worden.

De vlucht naar achteren is grotendeels een slimme zet. Onder het volk heerst veel belangstelling voor traditionele cultuur en filosofie. Na een chaotische eeuw waarin veel erfgoed en cultuur het onderspit moesten delven, verlangt men naar reflectie, naar China's 'eigen' dingen. Massaal kopen Chinezen traditionele kunst, gaan ze naar Taiwan voor een bezoek aan een onbedorven taoïstische tempel, en verdiepen zich in kalligrafie of meditatie. Succesvolle jongeren zeggen hun baan op om thee te gaan verbouwen op het platteland. Regeringsplannen voor het beschermen van tempels, maar ook van dialecten of traditionele dans en opera, kunnen rekenen op brede steun.

Ook doen Xi en Liu een beroep op waarden die inderdaad een traditionele plaats in de samenleving hebben. De samenleving ziet er volstrekt anders uit dan toen generaties samen van het land leefden. De radicaal hogere levensverwachting is één in het oog springend verschil. Toch bestaat de culturele verwachting dat kinderen voor hun ouders zorgen op hun oude dag nog steeds, daar heeft een generatie socialistische volkskeukens niets aan veranderd. De staat, die er nog niet in is geslaagd een dekkend sociaal vangnet te bouwen, maakt dankbaar gebruik van deze culturele waarden.

"Ik let er niet op. Maar toch kan de propaganda maken dat je je schuldig voelt, en harder gaat werken", vertelde een jonge ambtenaar me verontschuldigend. "Als je niet voor je ouders kunt zorgen, ben je immers geen goede Chinees." Noem het de participatiesamenleving, Chinese stijl.

Als bron van legitimiteit werkt de 'tradionele cultuur'-kaart misschien het beste als het ongemerkt gebeurt, en als de claims niet te onbescheiden zijn. Slechts weinig Chinezen zijn erop uit de regering te betrappen op tegenstrijdigheden of gekke sprongen in de geschiedenisboeken. Het succes van de patriottische onderwijshervormingen is ondertussen al zichtbaar. China's jongere generatie is nationalistischer dan die daarvoor. Ze zijn het eens met Xi als hij zegt dat weinig aandacht voor China's rijke verleden- en dan vooral de meest glorieuze episodes - een gebrek aan zelfvertrouwen toont. Anderhalve eeuw na de Eerste Opiumoorlog, die China's gevoel voor eigenwaarde ernstig aantastte, moet China's ondergeschikte plaats op het wereldtoneel eindelijk eens voorbij zijn. Op straat, maar tegenwoordig ook op televisie en online, worden goede Chinese tradities voortdurend verbonden aan het huidige regime, en in contrast geplaatst met 'buitenlandse vijandige krachten', een term uit de socialistische periode die het laatste jaar nieuw leven is ingeblazen.

Maar als de regering te sterk inzet op een historische rol als hoeder van de Chinese traditie, valt de absurditeit daarvan moeilijk te ontkennen. Dat is juist het geval voor China's traditieminnende, maar ook steeds beter bereisde middenklasse. Net als 5 miljoen andere Chinezen ging een kennis het afgelopen jaar naar Japan op vakantie. Ze werd verliefd op de tempels in Kyoto, gebouwd in de stijl van de Chinese Tang-dynastie, de mensvriendelijke stadsplanning en de authentieke houten meubels, simpel en van goede kwaliteit. "Alles was mooi. Al die dingen had China vroeger ook. Sterker nog, ze kwamen uit China. Maar nu is daar bij ons niks meer van over", luidde haar sobere samenvatting.

En hoe extremer de boodschap, hoe groter ook de kans dat die tegen de regering werkt. Nationalisme en de anti-westerse sentimenten die daar vaak bij horen, zijn voor gezaghebbers moeilijk te beheersen, en worden lang niet door iedereen gewaardeerd. Nadat het internationaal arbitragehof in Den Haag China afgelopen juli ongelijk gaf in zijn aanname dat vrijwel de hele Zuid-Chinese Zee bij zijn grondgebied hoort, spuiden de Chinese staatsmedia uren aan propaganda over de juistheid van de 'traditioneel historische claims'. Hoewel de Filippijnen de zaak hadden aangespannen, zou Amerika de ware ophitser zijn.

Daarop hielden in verschillende Chinese steden gepassioneerde jongeren, die nooit een ander beeld van de geschiedenis onderwezen hebben gekregen, straatprotesten bij Amerikaanse bedrijven als Kentucky Fried Chicken en

Apple. De Chinese overheid censureerde berichten over de protesten: sociale onrust was niet de bedoeling.

Ook het gedrag van de 'roze' internetgebruikers, een groep nationalistische vrouwelijke hackers die felle politieke taal, inclusief confucianistische gezegdes, op sociale media verspreiden, wordt gezien als irritant en onvolwassen. Online leidden beide incidenten tot kritische discussie over wat voor nationalisme China nodig heeft.

Nog een gevaar voor Xi schuilt in de traditie zelf. Tot nu toe toont de president zich eenkennig als het gaat om welke delen van China's grootse verleden in aanmerking komen voor een opleving. Zijn beeld van confucianisme beperkt zich tot de orde en hiërarchie waar die traditie waarde aan hecht - waarden die ook het huidige staatsapparaat niet vreemd zijn. Een tekst als de Dizigui, met nadruk op gehoorzaamheid aan autoriteit, past uitstekend bij wat de regering wil - Xi zelf riep in 2009 als vice-president alle partijkaders op de tekst te bestuderen. Maar voor de Chinese bevolking is het vooral Confucius' nadruk op persoonlijke deugdzaamheid die aanspreekt, en niet de oproep tot slaafse gehoorzaamheid.

Wat in de Chinese traditie te vinden is, is in werkelijkheid een stuk minder eenduidig dan Xi voorgeeft: traditie is wel degelijk politiek. Het doorspitten van de klassieken kan leiden tot heel andere conclusies dan de oppervlakkige interpretatie van de propaganda-organen: harmonie, eenheid van de natie, de Chinees als ijverig familiemens zonder politieke ambities. Zo laat een recente archeologische vondst van beschreven bamboelatjes uit 300 voor Christus - een belangrijke periode voor China's politieke filosofie, waaruit eerder nauwelijks originele geschriften beschikbaar waren - een heftig debat zien tussen verschillende filosofische scholen. Daarin bepleiten uitgesproken confucianisten dat leiders gekozen worden vanwege hun vaardigheden, in plaats van hun afkomst.

Ook de verschillende politieke systemen van buurlanden Korea, Japan en Singapore - elk sterk geïnspireerd door het confucianisme - laten zien dat dit erfgoed tot heel verschillende politieke systemen kan leiden: in elk van die drie landen worden verkiezingen gehouden en heeft de bevolking veel meer controle op de macht dan in China.

Dat soort reflectie dient echter niet het doel van China's leiders, die vooral uit lijken op een keizerlijk vernisje. Liever kopieer je een mooi gedicht uit de (trouwens erg kosmopolitische) Tang-dynastie, of drink je nog een traditioneel kopje thee.

De Culturele Revolutie

De Culturele Revolutie, die woedde van 1966 tot 1976, was een gewelddadige campagne die het socialisme in China vooruit moest helpen. Rode Gardes (paramilitaire bendes) verwoestten op grote schaal cultureel erfgoed.

Patriottische jongeren, die vaak hun eigen draai gaven aan leider Mao Zedongs oproep om oude gewoontes, cultuur en ideeën te vernielen, braken in 1966 massaal binnen bij welgestelde gezinnen om hun boeken en antieke voorwerpen te verbranden. Wat niet vernield kon worden, werd toegetakeld, bijvoorbeeld door socialistische leuzen op schilderijen te kalken of hoofden van beelden af te slaan.

Ook veel publiek eigendom - oude tempels, monumenten, archeologische vondsten - werd verwoest. Nationale statistie- ken zijn er niet, maar hoofdstad Peking verloor naar schatting bijna 500 van de 6842 plaatsen van historische waarde.

De Verboden Stad bleef bewaard, nadat premier Zhou Enlai het leger bevel had gegeven het voormalig keizerlijk paleis te beschermen.

Sinds de jaren negentig wordt veel van het vernielde erfgoed volledig herbouwd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden