Cherry Duyns

Cherry Duyns (Wuppertal, 1944) is schrijver en filmmaker. Voor de VPRO-televisie maakte hij veel documentaires, waaronder ’Laatste getuigen’, over een groep jonge mannen die elkaar in Auschwitz hadden leren kennen. Duyns schreef veel boeken, maar binnenkort verschijnt een boek óver hem: ’Herfstlied’, door John Heymans.

Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

„Ooit las ik een boek van Kurt Tucholsky, een schrijver die ik zeer bewonder, over zijn tocht door de Pyreneeën. ’Ein Pyrenüenbuch’ heet het, en het werd eind jaren twintig uitgegeven. In dat boek beschrijft Tucholsky hoe hij aankomt in Lourdes en wat hij in die grot – waar Maria was verschenen – aantreft: de overgave van mensen, het verlangen van hun krukken af te komen. Een ongelooflijk verhaal en heel mooi, heel treffend geschreven. Ik weet nog dat ik dacht dat het enigszins gedateerd was; dat mensen in die tijd een stuk naïever waren dan nu.

Tot ik, ter gelegenheid van de honderdste treinbedevaart, als journalist van de Haagse Post mee mocht naar Lourdes. Tot mijn verbijstering zag ik dat de entourage wel een stuk moderner was geworden maar dat er – in die veertig, vijftig jaar – in wezen helemaal niets was veranderd in de hoop van mensen om beter te worden. Er is veel kritiek op Lourdes en terecht: mensen worden uitgebuit, voor de gek gehouden – allemaal waar. Tegelijkertijd is het zeer aangrijpend. Je bent onvolgroeid, mismaakt, je bent ziek, zit in een rolstoel, been kwijt, arm kwijt* afijn, niemand kan je meer beter maken en dan zie je nog één mogelijkheid: naar Lourdes gaan en hopen dat er mysterieuze krachten zijn die jou overeind helpen en laten lopen. Of je helpen vrede met jezelf te laten sluiten. Dat ontroerde me.

Maar er was nog iets anders. Ik realiseerde mij ook daar pas dat wij onze gemankeerden opbergen in tehuizen. En daar werden ze allemaal rondgereden. Eindeloze rijen rolstoelen en brancards! En ze genoten, ze genoten er echt van. Ik heb een brancard gezien met een dekentje en boven dat dekentje keek een hoofd heel blij om zich heen. Er zat ongetwijfeld iets aan vast waar een hart en longen in zaten, maar veel meer was het niet. Ik zag vooral dat blije hoofd. Natuurlijk kwam het voor niks! Maar dat maakte mijn ontroering eigenlijk alleen nog maar groter. Niets helpt. Je moet de mazzel hebben dat je geestelijk sterk genoeg bent om nog wat van je zieke bestaan te maken. En die mensen heb je. Ik herinner me dat ik op een keer uit mijn hotel liep en daar een rolstoeltje geparkeerd zag staan. In de stoel zat een non die zuster Anastasia bleek te heten en van Hollandse origine was. Ze stond met haar neus naar de muur gedraaid, een tamelijk bizar gezicht. Ik zei: ’Wat staat u daar stom’. ’Ja’, zei ze, ’ik moet naar de ondergrondse basiliek, maar ze zijn me vergeten’. ’Daar ga ik ook naartoe, zal ik u meenemen?’ Dat vond ze een geweldig idee, dus ik draaide die kar om en we liepen de stad in. ’Houdt u van muziek?’, vroeg ze. ’Zeker’, antwoordde ik. Bleek ze een radiocassetterecorder op haar schoot te hebben en dol te zijn op Vader Abraham. Haar lievelingsnummer was ’Het kleine café aan de haven’. Dat zette ze aan. Heel hard. En zo ging ik met zuster Anastasia door de straten van Lourdes. Ze heeft ongetwijfeld zeer geleden, maar ze maakte er toch het beste van.”

Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„Ik wil de mensen die er hun ziel en zaligheid aan uitleveren niet schofferen, maar voor mij staan religie en variété op dezelfde lijn. Het is allemaal illusie, je wordt bedot waar je bij staat. Mijn vader was illusionist, goochelaar. Hij maakte van water wijn. Die wonderbaarlijke aangelegenheid gebeurde bij ons thuis aan de keukentafel. Met zo’n schenkkan. Mijn vader geloofde ook niet. Zijn moeder, mijn grootmoeder, wel. Die was van oorsprong katholiek. Ze ging niet meer naar de kerk omdat de pastoor van de St. Bavo basiliek in Haarlem weigerde haar kleinkind, ik dus, zoon van een Duitse moeder en een Nederlandse vader, te dopen. Hij zei: ’Ik doop geen moffenkinderen’. Het gevolg was dat mijn grootmoeder niets meer met die kerk te maken wilde hebben.

Maar je vroeg me naar het beeldje, dat houten doodshoofd, op mijn bureau. Daar kom ik nu op. Het is De dood van Pierlala, een poppenkastpop, gemaakt door mijn grootvader – de man van de vrouw die niet meer naar de kerk ging. Hij was antipodist, poppenkastspeler en De Sterkste Man Van Haarlem. Ik werd in augustus ’44 geboren, hij stierf drie maanden later. Mijn grootmoeder vertelde mij dat hij vlak voor zijn dood heeft gezegd dat nu ’kleine Toon’ – mijn tweede naam is Anton, Toon, ik ben naar hem vernoemd – gekomen was ’grote Toon’ kon gaan. Hij was pas 48. Mijn oma idealiseerde die man en aangezien ik bij haar ben opgegroeid werd hij voor mij haast als vanzelf een held. Ik kende hem alleen van de verhalen, een foto en paar kleine attributen die zijn achtergebleven. Dat doodshoofdje is er één van. Het staat rechts van mijn computerscherm, met een foto van de zee, een prachtig zwart raafje, een sierlijk bewerkt jeneverglaasje van mijn oma – met daarin een pasfotootje van mijn grootvader – en een houten bootje, ter grootte van een luciferdoosje, dat als het ware richting de zee vaart. Dat bootje zag ik in de etalage van een speelgoedwinkel staan. In het bootje stond een figuurtje in een of ander raar, groen pak. Ik zag het en dacht: Jezus! Dat is Roelof. Roelof (Kiers, hoofdredacteur VPRO, AV) was net overleden en zijn dood had mij vreselijk aangegrepen. Hij stierf ook jong, 56 jaar, echt in een valkuil van de tijd getrapt. Pats, weg.

Ja, ’t is echt een altaartje geworden – zo zou je het kunnen noemen. Het is de vergankelijkheid die ik zo’n beetje zit aan te staren. Alles gaat voorbij, daar ben ik mij heel erg van bewust. Op een dag sta ik er zelf ook tussen. Terwijl alles om mij heen gewoon doorgaat. Dat vind ik een even mooie als onbegrijpelijke gedachte.”

Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„Ik heb het nooit over de Here God.”

Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„’Krüftiger Sontagsjungen angekommen. Mutter und Kind Gesund.’ Zo luidde de tekst in het telegram. Een zondagsjongen. Je zou kunnen zeggen dat mijn jeugdomstandigheden aanvankelijk enigszins zorgelijk waren, maar als je alles bij elkaar optelt is het toch wonderbaarlijk mooi met mij afgelopen. Misschien heb ik het geluk soms afgedwongen, dat weet ik niet, maar ik heb, denk ik, wel goed aangevoeld bij wie ik moest zijn en bij wie niet. Daarnaast moeten mensen je wíllen ontvangen, bereid zijn zich over je te ontfermen.”

Eer uw vader en uw moeder

„Mijn vader was voor de Arbeitseinzatz opgepakt en naar Duitsland gebracht. Hij moest in een bommenfabriek werken maar toen hij op een dag had laten zien hoe goed hij met schroevendraaiers en steeksleutels kon jongleren, vroegen ze hem – aangezien alle leuke kerels die kunstjes konden aan het front aan flarden werden geschoten, of anderen aan flarden schoten – of hij wilde optreden voor een groter publiek.

Dat is hij toen gaan doen en tijdens een van die voorstellingen kwam hij mijn moeder tegen. Ze bleek zelf ook over een groot talent te beschikken en werd zijn assistente. Ze waren achttien en negentien jaar. Kinderen nog. Ze hadden elkaar in de duisternis van de oorlog ontmoet. Hij was een variété-artiest, hij stond in het kunstlicht. Alles glom en blonk.

Maar toen de vrede kwam en ze elkaar in het echte licht zagen staan, was het niet wat ze zich blijkbaar hadden voorgesteld. Bovendien was er al snel minder werk voor mijn vader en hij wilde niets anders doen. Variété was het enige dat er toe deed. De rest was belachelijk. Daardoor was er nauwelijks inkomen en ik denk dat hij, in de ogen van mijn moeder, vreselijk tekortschoot. Ze hebben na mijn geboorte even samen gewoond, maar al snel werd ik naar mijn grootmoeder in Haarlem gebracht en gingen zij hun eigen weg. Mijn vader kwam mij af en toe opzoeken, maar ik heb nooit echt een band met hem gekregen.

In 1952 besloot mijn moeder mij te halen en mee te nemen naar Duitsland. Daar werd ik bij haar ouders ondergebracht omdat ze zelf moest werken. Anderhalf jaar later – ik speelde met een paar vriendjes in de ruïnes – zag ik opeens, in de schemering, de contouren van een gestalte die ik onmiddellijk als de contouren van mijn vader herkende. Hij nam me mee terug naar Holland.

Nu denk ik dat hij dat deed in een uiterste poging om haar weer terug te krijgen. Het ging om haar. Niet om mij. Pijnlijk? Nee. Goed, het kleurt de manier waarop je naar de wereld, naar andere mensen kijkt. Het vervormt. Vroeger deed ik daar wel wat wegwerpend over – en ik vind het nog steeds gezeur – maar ik kan niet ontkennen dat het gevoel niet gewenst te zijn er was. Ik had de neiging om me terug te trekken, snap je? Ik had mij links, rechts, van boven en beneden ingebouwd. Mij kon niets gebeuren. Alleen van voren stond de boel open zodat ik, als er iets aan zou komen, meteen kon terugslaan. Daar kwam nog bij dat ik in Duitsland een Hollandse jongen, een kaaskop was en, net terug in Nederland een mof, of in ieder geval de zoon van een moffin. Ik had al met al niet het gevoel erg gewild te zijn. Mijn moeder – ze is inmiddels 83 en woont nog steeds in Wuppertal, waar ik ben geboren – zegt dat ze me niet nog eens kwam halen omdat ze dacht dat ik in Nederland betere kansen had. Bovendien verwachtte ze dat mijn vader dan weer naar Duitsland zou komen, waarmee ik zo’n klassieke speelbal van mijn ouders zou worden. Ik begrijp dat wel. Toch is dit voor mijn moeder het drama van haar leven; dat ik niet bij haar ben opgegroeid. Ze heeft het er steeds vaker over. Ze voelt zich schuldig. Maar ik neem mijn ouders helemaal niets kwalijk. Nooit gedaan. Geen woede. Geen verwijten. Ik zei het je toch al: ze waren kinderen.

Natuurlijk, als kleine jongen heb ik mijn ouders bij elkaar gewenst. Op een gegeven ogenblik hadden ze een regeling getroffen: in de zomervakanties zou ik naar mijn moeder in Duitsland gaan. Mijn vader bracht mij dan naar de grens, naar Emmerik, waar ik zou worden overhandigd. Ik kan het me zo goed herinneren. Het was meestal op zondagmiddag. Stil. Zon. Tjilpende mussen op het perron. Mijn vader en moeder in de restauratie, Duitse serveersters met witte blouses en zwarte rokken. En ik in de hal, of op het perron. Wachten. Hopen dat op een gegeven ogenblik die klapdeuren open zouden gaan en dat mijn ouders dan glimlachend en gearmd tevoorschijn zouden komen. En dat we naar huis zouden gaan. Dat het voorbij was. Maar al spoedig hoorde ik stemverheffing achter die klapdeuren en dan wist ik: dat wordt dus helemaal niks. Ja, voor dat ventje was het zielig, maar het ventje heeft er nooit om gehuild. En deze 62-jarige man, die inmiddels raar grijs haar heeft gekregen, zegt: zo was het nu eenmaal. Niet over zeuren. Ik moest overleven. En dat heb ik gedaan.

Mijn vader is altijd artiest gebleven. Hij is in 1980 aan een hartaanval overleden. In zijn caravan, naast zijn reizend variététheater Studio Zeven. Zo herinner ik mij hem. Bevlogen, gepassioneerd, bijzonder. Het is wel raar: door die afstand is er nooit sprake geweest van opstandigheid. Ik ben nooit een puber geweest. Ik weet ook helemaal niet hoe zoiets eruitziet: de band tussen een vader en een zoon.

Toen Don, mijn oudste zoon, een jaar of zestien was, vroeg ik hem: ’Vind jij nou dat ik je vader ben?’ Hij vond het wel een geestige vraag. Natuurlijk was ik zijn vader. Maar ik denk dat hij vooral op mijn dominantie doelde. De man die thuis een beetje de baas loopt te spelen. Maar ik was er tenminste, dat is waar. Ik wilde jong en solide getrouwd zijn. Kinderen. Vaste betrekking. Dat vond mijn vader burgerlijke suffigheid.”

Gij zult niet doodslaan

„Angst voor geweld, dat zit erg diep in mij. Vooral de angst voor mijn eigen geweld. Ik heb ooit een deuk in het dak van een auto geslagen. Die mensen wilden niet achteruit. Terwijl ik voorrang had. Die woede* ik ben bang dat ik, als ik eenmaal toesla, niet meer zal kunnen stoppen.”

Gij zult niet echtbreken

„Waarom wordt iemand opeens belangrijk voor je? Wat blond haar, een brilletje en een stel leuke benen? We gingen samen, als enigen uit de klas, naar de schouwburg. Ik weet het niet* Joke was in ieder geval iemand die er uitsluitend voor mij was. We zijn nu al meer dan veertig jaar samen. Het is te gênant voor woorden, maar: je vergroeit met elkaar. En dat we nog niet helemaal hersendood zijn, blijkt wel uit het feit dat we regelmatig de slappe lach hebben. Dat vind ik, denk ik, het belangrijkst. Als je niet meer kunt lachen samen, dan ben je het haasje.”

Gij zult niet stelen

„Mijn vader was zakkenroller. Ja, alleen op het toneel. Ben je gek, zeg? Hij heeft het me nooit geleerd. Goochelen wel, althans: hij heeft het geprobeerd, maar ik had er geen enkel talent voor. Ik heb wel eens gestolen hoor, een pak repen met van die karamelsplinters, kom hoe heet dat spul* butterscotch! Vreselijk. Ik heb ze achter elkaar opgegeten. Uit schaamte. Nee, stelen is niet mijn sterkste kant.”

Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„Soms kom je met oprechtheid een heel eind, maar ik denk toch dat je verder komt met een wat meer elastische houding. Of mij dat lukt? Af en toe. Ik heb vooral de neiging om er baf! met volle kracht, in te gaan. Dat wordt mij niet altijd in dank afgenomen. Ik wil mijzelf hier niet verklaren tot de grootvorst der oprechtheid, beslist niet, maar ik heb nu eenmaal de neiging om tamelijk luidkeels te zeggen wat ik vind.”

Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Ik ben nog steeds niet tevreden. Ik wil nog van alles maken, van alles doen. Ik bedoel het niet in materieel opzicht – er hoeft geen schep geld bij mij door de brievenbus – maar de rust of tevredenheid die veel leeftijdgenoten kennelijk genieten, is mij vreemd. Ik zie zoveel mensen, die worden gewoon meegezogen in de tijd en dan doven ze. Wat dat betreft heb ik geluk gehad met Joke, met de vrienden om mij heen. Zij hebben mij, daar waar ik misschien wel wilde gaan liggen, wakker gepord. Voort! Toen ik op een gegeven ogenblik bij de VPRO hoorde dat ik een leeftijd had bereikt waarbij sprake zou kunnen zijn van geestelijke lekkage en ik dientengevolge maar moest gaan – dat wil zeggen: ik heb een prachtig contract gekregen, werd en word met alle egards behandeld – was ik verbijsterd. Hoezo uit vaste dienst? Wat is er dan? Ik ben toch maar net – en natuurlijk wéét ik wel dat het anders is – ik ben toch maar net begonnen? Dit zeg ik niet om te koketteren of interessant te doen, maar ik heb echt het gevoel dat ik nog maar net begin te vermoeden hoe je een film zou kunnen maken of hoe je een verhaal zou kunnen schrijven. Moeten we de windsels voor het balsemen nu al in gereedheid brengen? Het zou oenig zijn als ik nu beweerde dat ik helemaal niets heb geleerd – dat is ook niet zo – maar het is wel zo dat ik bij ieder nieuw project het gevoel heb dat ik met lege handen sta, dat ik weer helemaal bij het begin moet beginnen. En wat er uiteindelijk uitkomt is nooit wat ik in gedachten had. Het heeft heel lang geduurd voor ik me realiseerde dat het nooit wordt wat je wilt, maar dat je wel moet proberen er zo dicht mogelijk bij in de buurt te komen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden