Charles Darwin wist het al: in de evolutie geven vrouwen de doorslag

Op basis van Mary Annings fossielen schilderde Henry de la Beche deze voorstelling van de oertijd.

Vrouwen waren niet in staat tot wetenschap, zo heette het. Maar Charles Darwin, de vader van de evolutietheorie, correspondeerde veel met vrouwelijke collega’s, rebelse uitzonderingen in Victoriaans Engeland.

‘De vrouw heeft een cel minder in het hoofd, maar een vezel meer in het hart.’ Met zulke volkswijsheden is het niet verwonderlijk dat vrouwen in negentiende-eeuws Engeland geschikt werden geacht om een warm en liefdevol thuis te creëren, maar de wetenschap toch vooral aan de mannen moesten laten. Daar hielden niet alle Victoriaanse vrouwen zich aan.

Ook vandaag is er nog een structurele achterstand van vrouwen in de wetenschap en is de strijd voor gelijke kansen en tegen discriminatie niet gestreden, zo wordt gesteld in het voorwoord van ‘Darwins engelen’. De vrouwen die in weerwil van de Victoriaanse mores toch een imposante wetenschappelijke carrière wisten op te bouwen, mogen gelden als inspiratiebron voor die strijd. Wetenschappers van nu portretteren in het boek ieder hun favoriete heldin en allemaal waren het geleerden die in contact stonden met Charles Darwin.

Jelle Reumer schrijft over Mary Anning, die aan de Engelse kust het ene na het andere fossiel vond, veiligstelde en prepareerde. Toen haar spectaculaire vondst van een Plesiosaurus werd gepresenteerd aan de Geological Society, mocht deze vrouw er niet bij zijn. Tien jaar later werden er wel twee fossiele vissen naar haar vernoemd, een onwaarschijnlijke eer voor die tijd.

Tessa van Dijk portretteert Frances Julia Wedgwood, schrijver en filosoof, die door tijdgenoten werd geprezen voor de ‘mannelijke manier’ waarop ze een moeilijk onderwerp als de evolutie van moraliteit behandelde.

Menno Schilthuizen en Norbert Peeters vragen aandacht voor Mary Treat, liefhebber van spinnen en vleesetende planten, die moest toestaan dat een mannelijke entomoloog haar onderzoek onder zijn naam publiceerde.

Sprookje

Over Arabella Buckley schrijft Auke-Florian Hiemstra dat ze als twintigjarige al mocht aanschuiven bij de ontbijtsessies van Darwin en de geoloog Lyell, wiens assistent ze was geworden, ook al wist ze naar eigen zeggen niets van wetenschap. Ze schreef een zeer succesvol boek over de ‘sprookjesachtige kanten’ van de wetenschap, ‘The Fairy-Land of Science’. Hiemstra vergelijkt haar als wetenschapspopularisator met Jane Goodall en David Attenborough uit onze tijd. Hij ontkomt er niet aan Buckleys leven zelf ook als sprookje te schetsen.

De bundel richt zich juist op zulke sprookjes, succesverhalen en de uitzonderingen op de regel: vrouwen die gewoon konden onderzoeken, publiceren, reizen en spreken. Daardoor zou je kunnen denken dat het wellicht in de praktijk wel meeviel met de achterstelling van vrouwen in de negentiende eeuw. Maar geen van de geportretteerde vrouwen had een formele opleiding genoten. Hoogstens werden ze thuis een beetje onderwezen, terwijl de jongens naar kostschool en universiteit gingen. Ze hadden geen of slechts zeer beperkt toegang tot de academie, het hoger onderwijs en de sociëteiten.

Doorzetters

De vrouwen moesten van ver komen en het is dan ook niet verwonderlijk dat ze in veel gevallen de karaktereigenschappen deelden die ze daartoe in staat stelden. Het waren doorzetters die zich niet lieten tegenhouden. Mary Anning ging alleen naar zondagsschool, hield altijd moeite met schrijven, maar correspondeerde toch gewoon met vooraanstaande geleerden.

De geportretteerde vrouwen hadden maling aan hun omgeving. Marianne North klom met haar kwasten en ezel in alle vroegte het raam uit om planten te kunnen schilderen en niet over ditjes en datjes te hoeven praten met de mensen bij wie ze te gast was.

Ze waren dapper en soms uitgesproken rebels. Florence Dixie deed mee aan jachtpartijen op de pampa’s van Patagonië, dook daarna de rivier in om te zwemmen, wandelde met een aangelijnde jaguar door Engeland en bezocht koningin Victoria met een kort tomboykapsel. Ook in de relationele sfeer waren Darwins engelen vrijgevochten: ze waren opvallend vaak alleenstaand, zelfstandig of ongetrouwd en de feminist Frances Cobbe had zelfs een vrouw als levenspartner. Ze voeren hun eigen koers.

Illustratie uit Arabella Buckleys boek ‘Eyes and no Eyes’ (1903), die een aantal soorten motten laat zien in hun verschillende ontwikkelingsstadia.

Victoriaanse oogkleppen

Hoewel de beschreven vrouwen vooruitstrevende en baanbrekende hervormers waren, waren ze natuurlijk ook kinderen van hun tijd. Ze konden hun Victoriaanse oogkleppen niet afzetten als het om de emancipatie van andere groepen ging. Cobbe zag niet-westerse mensen als minder ontwikkeld en had een rotsvast vertrouwen in de Engelse cultuur als motor van morele vooruitgang. North merkte op dat slaven niet slecht behandeld worden, want ‘over het algemeen grijnzen en zingen ze’.

En Treat onderschreef de stelling dat vrouwen niet in staat zijn even diep te filosoferen en te denken als een man. Een opinie die een echo lijkt van wat Darwin – zelf natuurlijk ook een hervormer – schreef in zijn boek ‘The Descent of Man’: mannen zouden grotere hersenen hebben, en de man zou in ‘wat hij ook onderneemt’ een hoger niveau kunnen bereiken dan de vrouw.

Was Darwin daarmee ook een vrouwenonderdrukkende patriarch? Allerminst. In een briefwisseling met Treat geeft hij haar ruiterlijk gelijk en bekent zijn ongelijk in de kwestie van het vangmechanisme van het blaasjeskruid, een vleesetende plant. Hij is lovend over de publicaties van de vrouwen waarmee hij correspondeert en hij is voorstander van algemeen kiesrecht voor vrouwen. Maar bovenal: in de experimenten die hij thuis doet om de natuur te onderzoeken, doen zijn dochters en nichtjes volop mee en hun bevindingen worden zeer serieus genomen. Ze markeren bijen, observeren wormen en draperen kikkerdril op de trap. ‘Mijn lieve engelen’, noemt hij ze in een dankbriefje.

Seksuele selectie

Het boek staat ook stil bij de inhoud van Darwins werk en goed bekeken ligt daar de grootste betekenis van Darwin voor de vrouwenzaak. We hebben het dan over de theorie van de seksuele selectie. Darwins theorie van evolutie door middel van natuurlijke selectie was al een gevaarlijk idee in die tijd, maar seksuele selectie was dat nog veel meer. Want bij seksuele selectie hebben de vrouwtjesdieren het voor het zeggen. Zij kiezen voor het mannetjeshert met het grootste gewei of de pauwenhaan met de mooiste veren of de paradijsvogel met de meest indrukwekkende dans. De mannetjes sloven zich uit, de vrouwtjes beslissen en sturen op die manier de evolutie.

Darwin ziet geen reden “om in twijfel te trekken dat vrouwelijke vogels, door duizenden generaties lang de meest welluidende of mooiste mannetjes te selecteren volgens hun schoonheidsnormen, een duidelijk effect kunnen sorteren”.

Een idee dat in die tijd op nogal wat weerstand kon rekenen. Een criticus van Darwin beet hem toe dat de partnerkeuze van vrouwen nooit zo doorslaggevend kon zijn, vanwege de “in­stabiliteit van de schadelijke vrouwe­lijke grillen”. De wetenschap mag dan zo ver nog niet zijn, in de evolutie geven vrouwen de doorslag, wist Darwin al.

Darwins engelen. Vrouwelijke geleerden in de tijd van Charles Darwin, Samengesteld door Norbert Peeters & Tessa van Dijk, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam, € 24,99.

Lees ook:

‘Darwin was een slachtoffer van de vooroordelen over vrouwen, net als wij’

Vrouwen als zwakkere, minder intelligente en emotionelere wezens dan mannen? In het boek ‘Ondergeschikt’ ontrafelt de Britse wetenschapsjournaliste Angela Saini hoe bevooroordeeld veel kennis over vrouwen is.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden