Chailly schiet met vocale kanonnen in de appel

AMSTERDAM - Wegens zijn enorme lengte, ruim vier uur, heeft Rossini's 'Guillaume Tell' het niet altijd makkelijk gehad. De Kerstmatinee van het Koninklijk Concertgebouworkest was uiteraard niet de plaats voor een complete uitvoering, maar Rossini was wellicht blij geweest met de daar subliem uitgevoerde derde en vierde akte. Hij moest vaak met minder genoegen nemen. Toen de directeur van de Parijse Opéra Rossini eens trots vertelde dat ze de tweede akte van 'Tell' zouden uitvoeren, riep Rossini met gespeelde verbazing: “Wat? De héle akte?”

PETER VAN DER LINT

Sinds 1931 is Rossini's laatste opera niet in Nederland te horen geweest, noch in de Franse, noch in de Italiaanse versie. Dus mogen we, met Rossini, blij zijn dat Riccardo Chailly en Jan Zekveld in elk geval twee aktes wilden uitvoeren. Overigens was pas afgelopen zomer de geheel complete opera (met alle nog voor de première geschrapte onderdelen) voor de allereerste keer te zien in Pesaro, het mekka voor Rossini-adepten.

Het was de tweede keer dat er in de Kerstmatinee opera te beluisteren was. Volgend jaar wordt met 'Pagliacci' een Kersttrits volgemaakt en misschien is de rol van de tenor in deze drie opera's de rode draad in die trits. Arnold in 'Guillaume Tell' is nog geschreven voor een tenor die zijn hoge noten met kopstem zong. De hertog in 'Rigoletto' (vorig jaar te horen) is een echte tenore di grazia met voix mixte en hoge c's vanuit het borstregister, terwijl Canio in 'Pagliacci' over een baritonaal, veristisch geluid moet beschikken.

Met de rol van Arnold beginnen overigens de problemen voor wie de opera, of gedeelten daarvan, wil uitvoeren. De tenor moet gedurende de opera 456 g's, 93 assen, 54 bessen, 15 b's, 19 c's en 2 cissen produceren, zoals James Joyce eens telde toen die de opera in 1929 in Parijs zag. In de derde en vierde akte zijn bovengenoemde getallen respectievelijk 90, 21, 6, 2 en 7 (geen cissen) en daar komen nog de 23 a's bij die Joyce vergat mee te tellen.

Tenor Stuart Neill had ze allemaal en zong ze met een variëteit aan kleuren zoals maar zelden te horen is. Neill moet zo'n beetje de ideale mix zijn tussen Adolphe Nourrit (de eerste Arnold) en Gilbert-Louis Duprez (de eerste tenor die Arnolds topnoten vanuit de borst zong). De stijlvolle Nourrit moest trouwens letterlijk het loodje leggen tegen Duprez' tenorale geweld en pleegde niet lang na die eerste do di petto (c vanuit de borst) zelfmoord. Neill had hem wellicht kunnen overtuigen van de mogelijkheid tot mengen en nasale projectie waardoor de stem niet hoeft te verdrinken in het orkestgeweld en ook nog geestdriftige publieke bijval kan oogsten.

Spectaculair

Neills vertolking van de beruchte aria 'Asile héréditaire' was voorbeeldig, om niet te zeggen verbazingwekkend spectaculair. Een hoge bes pianissimo uit de lucht plukken heb ik nog nooit enige tenor zó horen doen. In de opruiende cabaletta erna moest Neill zijn voortvarendheid ietwat bekopen, maar de laatste hoge c bracht het publiek terecht op de stoelen. Het was tekenend voor het zeer hoge niveau van deze matinee, die in Françoise Pollet (Mathilde) en Timothy Noble (Tell) nog twee vocale kanonnen had. Pollet kon met haar donkere sopraan bijzonder goed recht doen aan Rossini's tierlantijnen. Haar vertolking (met schitterend volle hoogte) genereerde geestdrift en was al net zo uitbundig als de flamboyante creatie die ze droeg.

Pollets uitspraak van haar moedertaal was uiteraard voorbeeldig, maar ook de overigen, Noble voorop, zongen in overtuigend klinkend Frans. Noble zong de beroemde smeekbede tot zijn zoon Jemmy, voordat hij de appel van diens hoofd schiet, met ontroerende klasse en wist de dreiging van het slot an de derde akte goed hoorbaar te maken. Elisabeth Norberg-Schulz (Jemmy) en Monica Bacelli (Hedwige) klonken luxueus in hun kleine rollen en daarom was het extra jammer dat Chailly ervoor gekozen had om de Parijse partituur van 1829 te spelen, dus zonder hun terzet met Mathilde in de vierde akte.

Chailly leidde een schitterend spelend Concertgebouworkest en een geweldig zingend Groot Omroepkoor. In het koper wist Chailly die speciale italianità-klank naar boven te halen en met name in de balletmuzieken was zijn frasering onnavolgbaar scherp en precies. Precisie is in deze geweldige (nog steeds ondergewaardeerde) muziek van het allergrootste belang; een simpel fluitmotiefje kan dan wonderen verrichten.

In de beide finales hield Chailly de opgepookte gemoederen fantastisch in de hand; de woede in de derde akte was opzwepend enerverend, de vreugde van de Zwitsers over hun herwonnen vrijheid aan het slot vol emotie. Chailly leidde dit lang uitgesponnen crescendo met meesterhand tot een climax. Deze 'Guillaume Tell' was, hoe onvolledig ook, een formidabel schot in de appel.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden