Chailly bevocht glorieus erkenning als chefdirigent

Vanavond voert Riccardo Chailly in de Tonhalle, het concertgebouw van Zürich, met het Koninklijk Concertgebouworkest de achtste symfonie van Bruckner uit. Het is de slotavond van een uitstapje dat in een grote lus langs zeven Europese steden liep.

Franz Straatman

Voor Chailly het laatste concert van dit seizoen, zijn tiende als chefdirigent bij het Concertgebouworkest. Voor de musici gaat het werk nog een maand door met een veeleisend en zeer afwisselend repertoire, waarbij een Nederlandse wereldpremière en veel Amerikaanse muziek onder leiding van gastdirigenten. De chef verkeert dan in Milaan, in de Scala, waar hij Rossini's 'Barbier van Sevilla' dirigeert. Een sprankelend slot achter een indrukwekkend seizoen.

Dat begon ook met een Europese tournee, en bevatte toen Mahler, diens vijfde symfonie. Dat verwacht het buitenland van het Amsterdamse wereldorkest: Mahler en Bruckner. De eerste van Mahler en de achtste van Bruckner die in de aflopende week van Praag tot Montreux en Genève in de artistieke bagage zaten, kregen vooraf fantastische uitvoeringen in het eigen Concertgebouw.

Er is alle reden om daar bij stil te staan. Chailly oogstte er aan het einde van zijn eerste decennium de hoogste lof mee in de vaderlandse pers. Precies op het moment dat de concurrentie het scherpst was doordat de Berliner Philharmoniker met Claudio Abbado ook Bruckner (de negende) in Amsterdam speelden. Het leidde in de Volkskrant tot de conclusie: ,,Heeft een rondborstige en pompeuze Bruckner de voorkeur, dan is Abbado dé man. Wie voor een verfijnder en evenwichtiger benadering is, moet bij Chailly en het Concertgebouworkest zijn.''

Opmerkelijk was de vaststelling door de muziekredacteur van Het Parool, Erik Voermans, dat ,,vergeleken met het dynamisch niveau waarop de Berliner Philharmoniker opereerden, de klank van het Concertgebouworkest lichter, verfijnder, wendbaarder en in alle opzichten beheerster was. Chailly's Achtste was een modelvoorbeeld van Texttreue.'' Na een gedetailleerde uitwerking van zijn observatie, besloot Voermans: ,,Prachtig was het. Meesterlijk, subliem. Maar niet overdonderend.''

We hoeven elkaars zonden natuurlijk niet na te dragen, want elke Concertgebouworkest-watcher is ook maar een mens, maar wat hier zwart-op-wit werd gezet, was wel heel wat anders dan de analyse die Het Parool, zij het door de pen van de voorgaande muziekredacteur Bas van Putten, in 1990 over Chailly ten beste gaf. Toen heette het, binnen het raam van een paginagrote beschouwing over zijn eerste twee jaar als chef:

,,Chailly is geen universeel musicus van het kaliber Solti, Von Karajan of Abbado, dirigenten die met een betrekkelijk gemak een groot repertoiregebied bestrijken - een genre dat trouwens almaar zeldzamer wordt, maar voor een orkest als dit eigenlijk onontbeerlijk is. Chailly blinkt uit in repertoire dat bij dit orkest naar het tweede plan is verdrongen: de Weense klassieken, het grote Italiaanse operarepertoire en ook de nieuwe muziek waarin hij,(...) op z'n minst het voordeel van de twijfel verdient.''

Tegen deze nogal zwarte achtergrond (er waren meer, maar minder geprononceerde kanttekeningen bij Haitinks opvolger) steekt het tiende seizoen stralend af. Dat begon met een laatste serie van de zeer geprezen visie op de vijfde van Mahler. De lof was nog groter voor de uitwerking van 'Amériques' van Varèse. Dit gigantische werk werd zelfs op het zomerfestival van Salzburg geheel tegen de verwachting in door Chailly en orkest tot een publiekssucces gemaakt.

De cd verkocht goed en viel ruimschoots in de prijzen. De Belgische muziekpers kende bijvoorbeeld de Prix Caecilia toe; zij noemde de uitgave ,,een mijlpaal in de discografie van de twintigste eeuwse muziek, waarmee de Amsterdammers zich andermaal bewijzen als wellicht het meest avontuurlijke en misschien ook veelzijdigste.''

Avontuurlijk en veelzijdig was het tiende seizoen voor Chailly zeker: met de aangrijpend verklankte eenacter 'Il tabarro' van Puccini in de Kerstmatinee; met een achtste symfonie van Bruckner als laat-romantisch statement in het seizoen; met een in ieder geval spraakmakende 'Matthüus Passion' en een briljante herneming van het succes uit het Mahlerfeest 1995: de eerste symfonie. Hoezo 'geen universeel musicus van het kaliber van...'?

'Van euforie over Chailly is weinig over' luidde in 1990 de kop boven een analyse in NRC Handelsblad over twee jaar Chailly. Euforie, zo leert Van Dale, is een kunstmatig opgewekt gevoel, bijvoorbeeld door opium, en betekent ook: ongegrond vrolijk. Opgeklopt was de sfeer inderdaad toen Chailly in september 1988 in de sacrosante Amsterdamse traditie trad. Zowel binnen als buiten het orkest heerste om de 35-jarige Italiaan niet alleen de spanning van 'hier-komt-de-chef-voor-het-nieuwe-tijdperk' (aangejaagd door platenmaatschappij Decca) maar ook die van 'de-vergelijking-met-Haitink' (Leitmotiv in de muziekpers).

De euforie van tien jaar geleden heeft zich in een soms pijnlijk, maar door Chailly strak aangehouden proces omgeslagen in groot respect en diepe bewondering. Chailly liet zich niet uit het veld slaan in zijn streven om de spelcultuur in technische zin tot op de millimeter bij te slijpen en ervoor te zorgen dat de programmering stevige vernieuwing onderging. Een stoflaag van zogeheten traditie en van aangekoekte gewoonte werd door hem verwijderd. Bovendien werkte Chailly er hard aan om zelf in artistieke zin te groeien door zich intens te verdiepen in de cultuur van het Concertgebouworkest. Dat leverde - op zijn uitdrukkelijke wens - zelfs enkele kloeke boeken op: over Mahlers vijfde symfonie, de Bruckner-traditie en het Concertgebouworkest en over een eeuw Matthüus Passion.

In dat tiende seizoen viel ook de verzoening tussen Bernard Haitink en zijn 'oude' orkest, uitgedrukt in de titel 'ere-dirigent'. De concertreeks die er bij hoorde, leverde een verrassing op. Concertgebouworkest-watchers verwachtten dat Haitinks uitstraling de vroeger geprezen 'donkere' klank zou laten terugkeren. Toch bleef het Concertgebouworkest met dezelfde door Chailly bevorderde precisie in ritme en helderheid van klanken spelen in een repertoire reikend van Sjostakovitsj tot Mozart. Het stempel dat Chailly in tien jaar plaatste, bleek door en door performing proof. Haitink schiep er een subtiele, klinkklare en meeslepende 'Daphnis et Chloë' mee.

De komende tien jaar zal een bloeiperiode kunnen worden, zeker door de individuele en groepskwaliteiten van de musici, ook door de solide positie op de cd-markt, een sterk tournee-beleid (met New York en Londen als vaste stekken) én doordat in het management de rust lijkt weergekeerd met de doorknede Jan Willem Loot als algemeen directeur.

Het eerste seizoen in het tweede decennium begint in augustus meteen stevig met de vierde symfonie van Mahler en (nogmaals) de achtste van Bruckner, ook in een Europese tournee. Mahler stempelt het seizoen 1999 - 2000 duidelijk met de liederen uit 'Des Knabenwunderhorn', de achtste symfonie (in januari 2000) en de tiende symfonie in de performing version van Derrick Cooke (juni 2000). Bruckner is ook aanwezig met de zevende symfonie (januari/februari 2000). Er zit in het komende seizoen een krachtig opera-accent met zowel een herneming van 'Pagliacci' van Leoncavallo (in augustus), met 'Suor Angelica' van Puccini (Kerstmatinee) én 'Aida' van Verdi (juni 2000 in het Muziektheater). Dit alles onder leiding van Chailly.

Zowel in de keuze van gastdirigenten en het repertoire dat zij dirigeren komt het 'misschien veelzijdigste' tot uiting: van Bernard Haitink, Kurt Sanderling en Kurt Masur (eerste keer!) als grote 'ouden', tot Christian Thielemann en Esa-Pekka Salonen als de krachtige 'jongen'. Verrassend keert Hans Vonk weer, veelzijdig Nederlands maestro die terecht 'De hemel' van Peter Schat dirigeert.

Haitink trekt de lijn met Franse muziek door, maar hij doet ook Bruckners vierde symfonie. Welk orkest kent dat in een sequens van seizoenen: Bruckner van Chailly, van Harnoncourt en van Haitink! Harnoncourt komt in 1999/2000 met Dvorak 9 en het eerste pianoconcert van Brahms (met Buchbinder). Masur zet zich in voor Strauss en verrassend voor Max Reger (Mozart-variaties). Opmerkelijk: in twee weken achterelkaar: Beethovens 'Missa solemnis' met Colin Davis en Bachs 'Johannes Passion' met Philippe Herreweghe. Het motto op de jaarbrochure 'meer dan 110 jaar toonaangevend' lijkt euforisch, maar klinkt molto effettuoso.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden