CETOLOGIE

De toeristen die bij Kijkduin van de lucht van rottende potvis kwamen genieten zullen het er niet mee eens zijn, maar potvissen vormen deze winter een plaag: zoveel strandingen zijn er in het Noordzeegebied sinds 1761 niet meer geweest. En op het walviscongres dat vorige week in Lugano werd gehouden, kwam ook al geen antwoord op de eeuwenoude vraag: waarom nu, waarom hier?

SHIRLEY CHEDI

In de gure januariwind werden centimeters dikke speklagen weggesneden. Toen volgden enorme brokken vlees, waarna delen van het skelet zichtbaar werden. Voorzichtig werden de botten uitgesneden en van de laatste vleesresten ontdaan. De berg potvisafval hield gelijke tred met de stapel potvisbotten. Vier dagen duurde de operatie en al die tijd was de lucht niet te harden.

Voor Chris Smeenk en andere medewerkers van het Leidse museum was dit bijna een routineklus. Vorig jaar november moesten ze ook met de flensmessen erop uit, omdat het wad tussen Ameland en Terschelling eveneens door een potvis was bezocht. En eenmaal gestrand, zijn potvissen vrijwel altijd ten dode opgeschreven. Dan rest er weinig anders dan het kolossale karkas te bergen.

En er viel behoorlijk wat te bergen in de afgelopen maanden. In een korte periode zijn in het Noordzeegebied zoveel strandingen genoteerd dat Smeenk, bioloog en conservator zoogdieren van het museum, zelfs spreekt van een ware 'potvisplaag'.

De toon werd gezet in Whitby in het Engelse Yorkshire. In oktober spoelde daar een vijftien meter lange potvisstier aan. Begin november waren het Duitse en het Deense waddengebied aan de beurt: eerst Baltrum, toen Jutland. Ook in deze gevallen ging het om mannelijke potvissen. Maar daar zou het niet bij blijven.

Op 18 november troffen wandelaars op het strand van het Belgische Koksijde drie potvislijken aan, verspreid over een afstand van enkele honderden meters. Een vierde exemplaar werd ontdekt op iets grotere afstand van de rest, een paar kilometers oostwaarts. Dat lijk werd bij Lombardsijde naar de kant gehaald.

Voor zover bekend was dit de eerste massastranding in deze reeks. Maar de echte klapper moest nog komen. Op 7 december belandde een groep van elf mannetjes op de kust van de Schotse Orkney-eilanden. Waarmee het totaal van de strandingen in de Noordzee op 22 kwam. Een dag later waren de dieren allemaal dood.

Cetologen, of walvisdeskundigen, tasten hier volledig in het duister. Ook op het recente congres van de European cetacean society in Lugano, waarop de akoestische wereld van walvissen werd besproken, kwam geen goede verklaring naar voren. Walvisstrandingen zijn van alle tijden, zeker als het gaat om zieke dieren of verdwaalde eenlingen. Maar dat deze zeezoogdieren soms in hele groepen op het strand eindigen, hebben onderzoekers nog steeds niet kunnen verklaren.

Een ander punt is de plaats waar ze stranden. Het leefgebied van Europese potvissen strekt zich niet uit tot de Noordzee. Het water is niet diep genoeg en de inktvissen waar ze van leven komen er niet voor. Toch gebeurt het dat sommige dieren de fuik van de Noordzee inzwemmen. In de zeestraat tussen Noorwegen en de Schotse Orkney-eilanden raken ze uit de koers en gaan links de Noordzee in, in plaats van rechtdoor te zwemmen.

“Het is meer dan tweehonderd jaar geleden dat zich een verschijnsel van deze omvang heeft voorgedaan”, zegt Chris Smeenk. “In de winter van 1761-1762 spoelden minstens dertien potvissen aan op de kusten van Nederland, Duitsland en het huidige België. Het jaar daarop strandden er nog eens twaalf in Engeland. Daarna was het relatief rustig, op een enkeling na. Pas de laatste maanden is er weer sprake van echte massastrandingen.”

Als potvissen zich op het strand vastzwemmen, zijn ze vrijwel altijd gedoemd te sterven. Hun gigantische gewicht, voor volwassen mannetjes gemiddeld vijftig ton, is hier hun grootste vijand. Op het droge vallen de dieren om en raken in ademnood. Vervolgens treden er inwendige bloedingen op en barsten organen uit elkaar. Daarna is het een kwestie van tijd voor de beesten hun laatste adem uitblazen.

“Over het waarom van de strandingen mogen de opvattingen uiteenlopen”, vervolgt Smeenk, “dat het steeds mannetjes betreft is biologisch gezien wel te verklaren. Beide geslachten leven namelijk gescheiden van elkaar en komen alleen samen om te paren. Van de 'Europese' potvissen hebben de vrouwtjes en hun jongen een vast leefgebied in tropisch en subtropisch water, in de buurt van Spanje, Portugal en de Azoren. Daar blijven zij dus het hele jaar door. De mannetjes daarentegen maken een trekbeweging naar de noordelijke wateren.”

“Het is geen regelmatige trek, zoals bijvoorbeeld vogels die maken, maar er zit wel een vaste noord-zuid component in. De route die ze afleggen loopt ten westen van de Britse eilanden, in water van ongeveer tweeduizend meter diepte. In het noordelijke gebied brengen ze meestal de zomerperiode door en als de paartijd aanbreekt, zwemmen ze vrolijk terug.”

Deze trekroute werd in Lugano nog eens bevestigd. Analyse van de maaginhoud van de Duitse potvis wees uit dat het dier enkele dagen daarvoor inktvissen had gegeten die in sub-arctische wateren nabij Noorwegen voorkomen. In de maag van het Amelandse dier werden inktvissnavels van dezelfde soort aangetroffen.

Volgens Smeenk heeft deze trekbeweging alles te maken met het instinct om te overleven. “Met deze omzwervingen leveren de mannetjes een bijdrage aan het in stand houden van de populatie. Dieren die niet belangrijk zijn voor de voortplanting, zoals stieren die over hun hoogtepunt heen zijn of juist nog in de puberteit zitten, verlaten het leefgebied van de vrouwtjes om de voedselvoorraad in die wateren te sparen. Aan de hand hiervan kan je verklaren dat het juist heel jonge potvissen zijn die aanspoelen, met zo nu en dan een heel oude stier ertussen.”

Op het oog waren de Nederlandse en Belgische potvissen allemaal gezonde jonge mannetjes. Het pathologisch onderzoek naar de conditie van de Belgische beesten, uitgevoerd door de universiteit van Luik, leverde verrassend weinig op. Voor de Nederlandse potvissen lijkt exact hetzelfde te gelden. Waarmee de oorzaak van hun stranding onopgehelderd blijft.

Ook bij de andere Europese potvissen blijft het gissen. Smeenk: “Hoe de dieren zo'n navigatie-fout kunnen maken is niet duidelijk, maar er zijn wel verschillende theorieën over. Volgens de Britse cetologe Margaret Klinowska raken de potvissen uit koers door storingen in het aardmagnetisch veld. De trektochten van stieren zouden parallel lopen met deze aardmagnetische veldlijnen, die van noord naar zuid lopen. Door aanwezigheid van metalen in de bodem kunnen veldlijnen van dit patroon afwijken en de kust kruisen. De potvissen volgen de magnetische veldlijnen blindelings en belanden op het strand.”

De theorie van Klinowska is echter niet onomstreden. Bij haar onderzoek, dat over tandwalvissen in het algemeen ging, heeft ze zich voornamelijk gericht op de Britse potvissen. Bij de voorlaatste Orkney-strandingen houdt deze theorie dan ook aardig stand. In het geval van grienden, die ook in groepsverband bij Orkney terechtkwamen, heeft ze eveneens een verband kunnen leggen. Bij de Nederlandse strandingen gaat het verhaal echter niet op. De richting van de aardmagnetische veldlijnen is niet te rijmen met de plaatsen waar potvissen zich vastzwemmen.

Zelf heeft Smeenk een andere theorie over de koerswijziging. “Vooropgesteld dat potvissen hun sonar gebruiken tijdens het navigeren, wat wel wordt aangenomen maar nog niet is bewezen, is een andere mogelijke verklaring dat die sonar in ondiep water van slag raakt. Als je kijkt naar de plekken waar deze dieren stranden, blijken het steeds zanderige, langzaam oplopende kustgebieden te zijn. De echo's die door het strand worden teruggekaatst raken door de branding kennelijk zo vervormd, dat de potvissen deze signalen niet begrijpen. Op dat moment zijn ze gedesoriënteerd, raken in paniek en komen niet meer weg.”

“Hun systeem van echolokatie berust volledig op de terugkaatsing van geluid. Het gezichtsvermogen van deze dieren is over het algemeen goed ontwikkeld, maar op grote diepte hebben ze daar niets aan, daar is niets meer te zien. Daarom zijn ze zo afhankelijk van de geluidssignalen die ze ontvangen.”

“Het is wel opvallend dat massastrandingen steeds op dezelfde plek plaatsvinden. Wereldwijd zijn er een aantal vaste plaatsen, waar deze dieren met enige regelmaat vastlopen. Wat er precies aan de hand is valt niet te zeggen, maar het is wel een aanwijzing dat potvissen op die plaatsen in de war raken.”

“Behalve groepsstrandingen zijn er natuurlijk ook de gevallen van solitaire mannetjes die ergens vastlopen. Een verklaring hiervoor kan zijn dat de dieren ziek zijn geworden en de kracht missen om in zee te blijven. Maar ook hier is er grote onduidelijkheid. Potvissen zijn eigenlijk nog een groot raadsel voor de mensen.”

Geheimzinnig of niet, met potvislijken weet Leiden wel raad: het Nationaal Natuurhistorisch museum is één van de twee Nederlandse instituten met een ontheffing voor het bergen van zeezoogdieren. De binnenplaats laat zich blindelings vinden, door de geur van de twee schedels die in de openlucht zijn uitgestald. De rest van de skeletten zit in afgesloten rottingsbakken. In het donker houden bacteriën een grote schoonmaak.

Na de bewerkingen is het een kwestie van tijd. Eerst moet het traan uit de botten wegdruppelen en daarna kunnen de skeletten worden opgezet. “De botten hoefden we niet te nummeren, want ze passen maar op één manier”, vertelt Smeenk verder. “Het wordt waarschijnlijk rond de zomer dat het eerste geraamte er staat. Gelukkig hebben we alle drie de dieren kunnen onderbrengen. Twee blijven in Nederland: één skelet gaat naar het Natuurmuseum in Rotterdam en het andere naar Natura Docet in Denekamp. Beide musea zullen hun tentoonstellingsruimte moeten aanpassen, omdat die niet gemaakt zijn voor zulke grote skeletten.”

“De derde potvis gaat hoogstwaarschijnlijk naar het buitenland: een natuurhistorisch museum in Japan liet weten grote interesse te hebben. Vroeger kwamen potvissen in grote aantallen voor in de buurt van Japan, maar door de walvisjacht zijn die beesten daar volledig verdwenen. Nu moeten Japanners zelfs een wereldreis maken om aan een potvisskelet te komen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden