Cést la Zône

Parijs wordt omcirkeld en belegerd door La Zone: een gigantische sociale woningbouw die plaats biedt aan enkele miljoenen immigranten, meestal afkomstig uit Noord- en West-Afrika, en een paar van de minst succesvolle leden van de Franse arbeidersklasse. De Engelse arts en psychiater Theodore Dalrymple ging er op bezoek en trof er een haat aan en een afgrond van wantrouwen die hij nooit ergens anders in de wereld was tegengekomen: 'Het gedrag van de jonge bewoners tegen de brandweerlieden die hen komen redden uit de branden die ze zelf hebben aangestoken, biedt een onthutsende inkijk in de diepte van hun haat. Ze verwelkomen hen met molotovcocktails en een hagel van stenen.' Frankrijk laat deze mensen volkomen in de steek, maar bewijst wel lippendienst aan 'de weerzinwekkende en waardeloze cultuur' die ze daar hebben opgebouwd.

Iedereen kent la douce France, land van magnifiek eten en voortreffelijke wijnen, prachtige landschappen, schitterende chateaux en kathedralen. Frankrijk trekt van alle landen ter wereld verreweg de meeste toeristen (zestig miljoen jaarlijks). 'Leven als God in Frankrijk', zeggen niet alleen de Nederlanders, maar ook de Duitsers, wat in Franse oren lang niet altijd geruststellend klinkt. Een half miljoen Britten hebben daar inmiddels hun tweede huis gekocht en vervelen hun vrienden thuis met verhalen over hoe alles in Frankrijk veel beter geregeld wordt.

Maar er is een andere, veel minder geruststellende kant aan Frankrijk. Ongeveer vier maal per jaar ga ik naar Parijs, en hoor zo waar men zich in de kringen van de middenklasse druk over maakt. Een paar jaar geleden waren het de scholen: het veelgeprezen Franse onderwijssysteem viel uit elkaar; het analfabetisme nam toe; kinderen verlieten de scholen even dom als ze erop gekomen waren, maar met aanzienlijk slechter gedrag. Nu gaat het alweer enige jaren over misdaad: de onveiligheid, het geweld in de steden, de onbeschoftheden. Iedereen heeft een verhaal te vertellen, geen diner compleet zonder horror-story. Elke misdaad, zo voel je, is weer een stem op Le Pen of wie hem ook mag vervangen.

Zo'n acht maanden geleden was ik voor het eerst zelf getuige van 'de onveiligheid'. Het was net buiten de Boulevard Saint-Germain, een buurt waar je voor een wat ruimer appartement al snel een miljoen euro moet betalen. Drie jongeren - Roemenen - probeerden vrij openlijk om met schroevendraaiers een parkeermeter te kraken. Het was vier uur 's middags; het was druk op straat, de cafés in de buurt zaten stampvol. De jongeren gedroegen zich alsof ze met iets volstrekt normaals en legitiems bezig waren en nergens bang voor hoefden te zijn.

Na een tijdje vroegen twee vrouwen van in de zestig of ze ermee wilden stoppen. De jongeren, die tot dan toe gelachen hadden, werden razend, scholden de vrouwen uit en zwaaiden met hun schroevendraaiers. Daarop bliezen de vrouwen de aftocht, en hervatten de jongeren hun 'werk'.

Toen zei een man van een jaar of zeventig dat ze ermee op moesten houden. Zij keerden zich nog agressiever tegen hem, een van hen hield z'n schroevendraaier zo vast alsof hij hem ermee in de buik wilde steken. Ik kwam naar voren om de man te helpen, maar de jongeren, die nog steeds moord en brand aan het schreeuwen waren, en oprecht verontwaardigd leken over deze grove verstoring van hun dagelijkse werkzaamheden, renden er toen toch maar vandoor. Natuurlijk had het ook allemaal heel anders kunnen aflopen.

Een paar dingen vielen me op aan dit incident: het onkwetsbare gevoel van de jongeren op klaarlichte dag; de onverschilligheid van de grote groepen voorbijgangers ten opzichte van gedrag waaraan zij zich zelf nooit van hun leven zouden bezondigen; en dat alleen de ouderen bereid waren om in te grijpen, terwijl zij daar fysiek het slechtst toe in staat zijn. Waren zij de enigen die nog een voldoende helder begrip hadden van wat goed is en wat slecht? Was het misschien zo dat iedereen die jonger was zoiets dacht als: 'Vluchtelingen... hebben het zwaar... erg arm... te jong om het verschil tussen goed en kwaad te kennen, bovendien is het hen nooit geleerd... straf wreed en zinloos'? De echte misdadigers waren natuurlijk de autobezitters wier munten in de parkeermeters zitten: vervuilden zij de wereld niet met hun auto's?

Een ander motief om niets te doen was dat, als de jongeren waren gearresteerd, er uiteindelijk toch niets was gebeurd. Binnen een uur hadden ze weer op straat gestaan. Wie riskeert er nu een schroevendraaier in zijn lever voor het verdedigen van een Parijse parkeermeter voor één uur?

De laksheid van het Franse strafrechtsysteem is inmiddels berucht. Rechters maken regelmatig opmerkingen waaruit hun sympathie blijkt voor de criminelen die ze moeten berechten (gebaseerd op de gebruikelijke redenering dat de maatschappij, en niet de crimineel, schuldig is); en de dag voordat ik getuige was van de scène op de Boulevard Saint-Germain hadden 8000 politieagenten staan demonstreren tegen de voorwaardelijke vrijlating van een notoire crimineel die carrière had gemaakt met gewapende overvallen, ervan verdacht werd een moordenaar te zijn, en die binnenkort weer voor een andere gewapende overval terecht moest staan, waarbij hij iemand door het hoofd zou hebben geschoten. Terwijl hij voorwaardelijk vrij was, in afwachting van zijn volgende proces, beroofde hij een huis. Verrast door de politie schoten hij en zijn metgezellen twee agenten dood en verwondden een derde ernstig. Er waren ook veel aanwijzingen dat dezelfde man verantwoordelijk was voor een viervoudige moord die een paar dagen eerder had plaatsgevonden, waarbij een stel dat een restaurant bezat en twee van hun werknemers waren doodgeschoten voor de ogen van de negenjarige dochter van de eigenaars.

De links-georiënteerde Libération, een van de twee dagbladen die de Franse intelligentsia leest, deed de protestmarsen sarcastisch af als la fièvre flicardiaire - smerissenkoorts. De krant zou zonder twijfel de moord op een enkele journalist - dat wil zeggen: een heel mens - anders beschouwen, laat staan de moord op twee journalisten of zes; en natuurlijk gaf niemand op de krant toe dat een effectieve politie even belangrijk is voor het garanderen van persoonlijke vrijheid als een vrije pers, en dat alleen een dunne draad de mens van de bruut gescheiden houdt. Het is nu eenmaal niet fatsoenlijk als intellectuelen dat soort dingen zeggen, hoe waar zij ook zijn.

Maar nu is het de privé-klacht van iedereen geworden dat de politie niet meer bij machte is de misdaad te bestrijden of op te sporen. Overal hoor je gruwelverhalen. Een Parijse kennis vertelde me dat hij op een avond pasgeleden had gezien hoe twee criminelen een auto overvielen waarin een vrouw op haar echtgenoot aan het wachten was. Ze sloegen het zijraam in en probeerden haar tas te grijpen, maar zij verzette zich. Mijn kennis schoot haar te hulp en slaagde erin om een van de overvallers te pakken, de andere rende weg. Gelukkig kwam er politie langs, maar ze lieten de overvaller lopen met alleen een waarschuwing, tot ongenoegen van mijn kennis.

Hij zei dat hij een klacht wilde indienen. De hoofdagent adviseerde hem zijn tijd niet te verdoen. Op dit uur zou er niemand op het lokale politiebureau zijn om tegen te kunnen klagen. Hij zou de volgende dag terug moeten komen en drie uur moeten wachten. Daarna zou hij nog eens verscheidene keren terug moeten komen, met elke keer een lange wachttijd. En uiteindelijk zou er niets worden gedaan.

En de politie zelf, voegde hij eraan toe, wilde niemand arresteren in een zaak als deze. Dat zou te veel papierwerk geven. En zelfs als de zaak voor het gerecht zou komen, zou de rechter geen behoorlijke straf opleggen. Bovendien zou zo'n arrestatie hun carrière in de weg staan. De lokale politiebazen werden betaald naar resultaat - hoe minder criminaliteit in hun district hoe beter. Het laatste wat ze wilden was een politieman die méér misdaad zou signaleren.

Niet lang daarna hoorde ik van een andere zaak waarbij de politie weigerde om een inbraak te registreren, laat staan om de inbrekers te gaan vangen.

Misdaad en algehele wanorde dringen nu door tot plaatsen waar ze nog maar kort geleden onbekend waren. Ik bezocht een vreedzaam en welvarend dorpje dichtbij Fontainebleau - de woonplaats van gepensioneerde hoge ambtenaren en een voormalige minister - waar de misdaad twee weken geleden voor het eerst opdook. Er was een inbraak geweest en een 'rodeo' - een geïmproviseerde race van jongeren in gestolen auto's door het landelijke groen; het hek dat de toegang versperde, was door de autodieven omver gereden.

Een dorpeling belde de politie, die zei nu niet te kunnen komen, maar na een half uur beleefd terugbelde om te horen hoe de zaken ervoor stonden. Twee uur later arriveerden ze eindelijk, maar de rodeo was verdergetrokken, alleen een uitgebrande auto achterlatend. De zwartgeblakerde plek op de weg was nog steeds zichtbaar toen ik het dorp bezocht.

De officiële cijfers zijn alarmerend genoeg. De geregistreerde misdaad is in Frankrijk gestegen van 6000000 gevallen per jaar in 1959 tot 4 miljoen vandaag de dag, en dat terwijl de bevolking slechts met minder dan 20 procent is gegroeid (en velen denken dat het aantal misdrijven in werkelijkheid minstens twee keer zo hoog is). In 2000 was een op de zes inwoners van Parijs betrokken bij een misdrijf; dit aantal is de afgelopen vijf jaar toegenomen met minstens tien procent per jaar. Geregistreerde gevallen van brandstichting zijn in zeven jaar tijd toegenomen met 2500 procent, van 1168 in 1993 tot 29192 in 2000; diefstallen met geweld namen van 1999 tot 2000 toe met 15,8 procent; als je telt vanaf 1996 (op zich ook geen gouden tijdperk) is de toename zelfs 44,5 procent.

Waar komt deze stijging van de criminaliteit vandaan? Het geografische antwoord luidt: uit de sociale woningbouw die iedere iets grotere Franse stad omcirkelt en belegert, waar met name Parijs onder te lijden heeft. Deze huisvestingprojecten bieden plaats aan enkele miljoenen immigranten, meestal afkomstig uit Noord- en West-Afrika, die daar wonen met hun als Fransen geboren nakomelingen en een paar van de minst succesvolle leden van de Franse arbeidersklasse. Van daaruit zijn, door het uitstekende Franse openbaar vervoer, de chicste arrondissementen gemakkelijk bereikbaar voor de meest verstokte plunderaars en vandalen.

Architectonisch komt de sociale woningbouw voort uit de ideeën van Le Corbusier, de Zwitserse totalitaire architect - nog steeds de ongenaakbare held van het Franse architectuur-onderwijs - die geloofde dat een huis een machine is om in te wonen, dat wijken in de stad volkomen van elkaar afgescheiden dienen te worden door hun functie, en dat de rechte lijn en de rechte hoek de sleutel zijn voor het bereiken van wijsheid, deugd, schoonheid en efficiëntie. Het koppige verzet tegen zijn programma om het hele centrum van Parijs plat te gooien en te vervangen door gebouwen die beantwoordden aan zijn 'rationele' en 'gevanceerde' ideeën, verbijsterde en frustreerde hem.

De onmenselijke, liefdeloze, hoekige geometrie van de enorme huisvestingprojecten langs angstaanjagende pleinen, herinnert aan Le Corbusiers ijzingwekkende en tirannieke woorden: 'De despoot is geen man. Het is het... correcte, realistische, exacte plan... dat de oplossing zal brengen als het probleem eenmaal duidelijk wordt gesteld. Dit plan is bedacht op grote afstand van... de kreten van het electoraat en het geweeklaag van de slachtoffers van de maatschappij. Het is bedacht door serene en lucide geesten.'

Maar wat is het probleem waarvoor de huisvestingprojecten, bedacht door lucide geesten als die van Le Corbusier en bekend als cité's, de oplossing vormen? Het is het probleem van het verschaffen van een Habitation de Loyer Modéré - een huis met een lage huur - voor de arbeiders, voornamelijk immigranten, die de fabrieken nodig hadden tijdens Frankrijks grote industriële expansie van de jaren 1950 tot en met de jaren 1970, toen het werkloosheidscijfer twee procent was en er veel vraag was naar goedkope arbeidskrachten. Aan het einde van de jaren tachtig was deze vraag echter verdampt, maar de arbeiders niet; en samen met hun nakomelingen en een voortdurende instroom van nieuwe gelukzoekers, zorgden zij ervoor dat het verstrekken van goedkope woningen noodzakelijker werd dan ooit tevoren.

Een appartement in deze sociale woningbouw staat ook bekend als een logement (onderdak), wat meteen duidelijk maakt welke sociale status en welke politieke invloed toebedacht worden aan de huurders van deze woningen. De cité's zijn plaatsen waar sociale marginalisering tot concrete werkelijkheid gemaakt is: bureaucratisch gepland van raam tot dak, zonder eigen geschiedenis of enige organische band met iets dat daarvoor bestond in die omgeving. Ze maken de indruk dat ze bij serieuze problemen kunnen worden geïsoleerd van de rest van de wereld door het plaatselijke treinverkeer te stoppen, en een of twee tanks te positioneren bij de snelwegen die er doorheen lopen. Ik herinner me de woorden van een Afrikaner in Zuid-Afrika, die mij uitlegde welke principes ten grondslag lagen aan het aanleggen van één enkele weg van de zwarte wijken naar de witte steden: eenmaal afgesloten door een pantserwagen 'kunnen de zwarten alleen nog maar hun eigen nest bevuilen'.

De gemiddelde bezoeker schenkt geen moment aandacht aan deze Cité's van Duisternis als hij zich spoedt van het vliegveld naar de Lichtstad. Maar ze zijn kolossaal en belangrijk - en wat de bezoeker daar zou aantreffen als hij de moeite nam erheen te gaan, zou hem beangstigen.

Er is daar een soort anti-maatschappij ontstaan - een bevolking die haar levensdoel ontleent aan de haat die ze koestert tegen de andere, 'officiële' maatschappij in Frankrijk. Deze vervreemding, deze afgrond van wantrouwen - groter dan ik ooit ergens anders in de wereld ben tegengekomen, zelfs groter dan in de zwarte townships van Zuid-Afrika in de tijd van de apartheid - staat geschreven op de gezichten van de jonge mannen, de meesten permanent werkloos, die rondhangen in de open ruimtes vol puisten en kraters, tussen hun woonflats. Als je naar ze toegaat om met ze te praten, verraden hun onbeweeglijke gezichten geen spoor van herkenning van een gedeelde menselijkheid; ze maken geen enkel gebaar om de sociale omgang te vergemakkelijken. Als je niet één van hen bent, ben je tegen hen.

Hun haat tegen het officiële Frankrijk openbaart zich op vele manieren die alles om hen heen besmeuren. Jongeren riskeren lijf en leden om de meest ontoegankelijke stukken beton te versieren met graffiti - BAISE LA POLICE, naai de politie, is het favoriete thema. De iconografie van de cité's is van een compromisloze haat en agressie: op een uitgebrand en verwoest buurthuis in Les Tarterets bijvoorbeeld is een sciencefiction-achtige menselijke figuur afgebeeld, die met gebalde vuist op de toeschouwer lijkt af te springen, met aan zijn rechterzijde een bewonderend portret van een enorme kwijlende pitbull, een hond die door temperament en africhten iemands keel kan doorbijten - het enige hondenras dat ik in de cité's zag, waarmee hun bezitters met een dreigende stoerheid rondparaderen.

Overal zie je uitgebrande, half gesloopte karkassen van auto's. Vuur is in de mode in de cité's: in Les Tarterets hadden de bewoners elke winkel in brand gestoken en beroofd - met uitzondering van een door de overheid gesubsidieerde supermarkt en een apotheek. De ondergrondse parkeergarage, verkoold en zwartgeblakerd als een kelder in een stedelijke hel, is permanent gesloten.

Wanneer vertegenwoordigers van het officiële Frankrijk naar de cité's komen, vallen de bewoners hen aan. De politie is gehaat. Een jonge man uit Mali, die gemakzuchtig dacht dat hij in Frankrijk arbeidsongeschikt was vanwege zijn huidskleur, zei dat de politie altijd arriveerde in overvalwagens, met zwaaiende gummiknuppels - klaar om iedereen die binnen hun bereik kwam neer te slaan, ongeacht wie hij was en hoe onschuldig aan enig misdrijf hij ook was, alvorens weer terug te keren naar de veiligheid van hun bureau. De politie was er zelf de oorzaak van dat de bewoners vanuit hun ramen molotovcocktails naar hen gooiden, zei hij. Wie zou een dergelijke behandeling verdragen van une police fasciste?

Ook de president van de Republiek, Jacques Chirac, en zijn minister van Binnenlandse Zaken werden begroet met molotovcocktails toen zij onlangs campagne voerden in de cité's Les Tarterets en Les Musiciens. De beide hoogwaardigheidsbekleders moesten snel en smadelijk de aftocht blazen, als vreemde overheersers die een maar net bedwongen en vijandig grondgebied bezochten: ze kwamen, ze zagen en ze gingen er vandoor.

Vijandigheid tegenover de politie kan begrijpelijk lijken, maar het gedrag van de jonge bewoners van de cité's tegen de brandweerlieden die hen komen redden uit de branden die ze zelf hebben aangestoken, biedt een onthutsende inkijk in de diepte van hun haat tegen de gewone samenleving. Ze verwelkomen de bewonderenswaardige brandweermannen met molotovcocktails en een hagel van stenen als ze aankomen bij hun missie van barmhartigheid, zodat gepantserde wagens de brandweerauto's vaak moeten beschermen.

De woede van de jongeren in de cité's wordt even sterk gewekt door welwillendheid als door repressie, omdat hun woede onafscheidelijk is van hun wezen. Ambulance-personeel dat een jongeman meeneemt die gewond is geraakt bij een ongeval wordt stelselmatig omsingeld door de 'vrienden' van de man, die staan te duwen, te jouwen en te dreigen. Volgens een arts die ik sprak, gaat dat door tot in het ziekenhuis, waar de vrienden ook nog eisen dat hun kameraad direct behandeld wordt, vóór anderen.

Natuurlijk verwachten ze ook dat hij even goed als ieder ander geholpen wordt, en in die verwachting verraden ze hun kwade trouw, of in elk geval de ambivalentie van hun houding tegenover de maatschappij om hen heen. Ze zijn zeker niet arm, tenminste niet naar de standaard van alle vroegere samenlevingen: ze hebben geen honger, ze hebben telefooncellen, auto's en veel andere accessoires van de moderniteit; ze gaan modieus gekleed - naar hun eigen smaak - met een uniforme verachting voor burgerlijk fatsoen en met gouden kettingen om hun nek. Ze geloven dat ze rechten hebben, en ze weten dat ze medische verzorging zullen krijgen, hoe ze zich ook gedragen. Ze genieten een veel hogere levensstandaard (of consumptiepatroon) dan ze zouden hebben in de landen waar hun ouders of grootouders vandaan komen, zelfs als ze daar veertien uur per dag naar hun beste vermogen zouden werken.

Maar dit is geen reden tot dankbaarheid - integendeel, ze ervaren het als een belediging of verwonding, zelfs wanneer ze het als vanzelfsprekend aannemen, als iets wat hen toekomt. Maar ook zij willen respect en goedkeuring van anderen, zelfs - of liever vooral - van de mensen die hen zorgeloos de kruimels van de westerse welvaart toewerpen. Castrerende afhankelijkheid is nooit een gelukkige toestand, en geen afhankelijkheid is absoluter, totaler, dan die van de meeste inwoners van de cité's. Ze gaan daarom geloven in de kwaadaardigheid van degenen die hen houden in hun 'gevangenschap': en ze willen het geloof in deze perfecte kwaadaardigheid levend houden, want het geeft betekenis - de enige mogelijke betekenis - aan hun onvolkomen leven. Het is beter om dwarsgezeten te worden door een vijand dan losgeslagen te zijn in betekenisloosheid, want het schijnbeeld van een vijand verleent doel aan handelingen waarvan het nihilisme anders overduidelijk zou zijn.

Dat is een van de redenen dat veel jongeren die ik benaderde in Les Musiciens niet alleen maar wantrouwend waren, maar ook vijandig. Toen een jongeman van Afrikaanse origine erin toestemde met me te praten, bleven zijn kameraden dreigend storen. 'Praat niet met hem', commandeerden ze, en tegen mij zeiden ze, met angst in hun ogen, dat ik weg moest gaan. De jongeman was ook nerveus: hij zei dat hij bang was als verrader afgestraft te worden. Z'n kameraden waren bang dat een 'normaal' contact met iemand die duidelijk niet tot de vijand behoorde, en evenmin één van hen was, hun geest zou bezoedelen en uiteindelijk funest zou zijn voor het zij-en-wij wereldbeeld dat hen nog net behoedde voor de totale mentale chaos. Ze moesten zichzelf als krijgers zien in een burgeroorlog, niet alleen maar als nietsnutten en criminelen.

De ambivalentie van de citébewoners heeft een parallel in de houding die het officiële Frankrijk tegenover hen inneemt: overmatige controle en bemoeienis afgewisseld met volstrekte verwaarlozing. Bureaucraten hebben bijvoorbeeld elk onderdeel van de fysieke omgeving gepland, en hoe vaak de bewoners het nest ook bevuilen, de staat betaalt altijd het herstel, waarmee hij zijn mededogen en bekommernis hoopt te tonen. Om de immigranten te verzekeren dat zij en hun nakomelingen potentiële of al echte Fransen zijn, zijn de straten genoemd naar Franse cultuurdragers. Naar schilders in Les Tarterets (rue Gustave Courbet, bijvoorbeeld) en naar componisten in Les Musiciens (rue Gabriel Fauré). De enige keer dat ik in een van de cité's glimlachte, was toen ik langs twee betonnen bunkers met metalen vensters kwam: de kleuterscholen Charles Baudelaire en Arthur Rimbaud. Hoe gevoelig deze twee dichters ook zijn, je zou hun namen niet gauw verbinden met kleuterscholen en al helemaal niet met betonnen bunkers.

Maar de heroïsche Franse namen wijzen op een dieperliggende ambivalentie. De Franse staat wordt verscheurd tussen twee benaderingen: aan de ene kant Courbet, Fauré, onze voorvaderen, de Galliërs, en aan de andere kant de cliché's van het multiculturalisme. Gedwongen door het ministerie onderwijzen de scholen een geschiedenis van de triomf van de eenheidscheppende, rationele en meedogende Franse staat door de eeuwen heen, van Colbert af aan. En moslimmeisjes mogen op school geen hoofddoekjes dragen. Als ze hun diploma hebben, zullen mensen die zich etnisch kleden geen baan vinden bij de grote werkgevers. Maar tegelijkertijd bewijst het officiële Frankrijk een kruiperige lippendienst aan het multiculturalisme - bijvoorbeeld aan de cultuur van de cité's. Zo verschijnen in Libération en Le Monde bewonderende artikelen over de Franse rap-muziek die ook kon rekenen op de lafhartige lof van de laatste twee ministers van Cultuur.

Eén rap-groep, de Ministère amer ('Bitter ministerie') kreeg een speciaal eerbetoon van officiële zijde. Hun bekendste nummer: 'Weer een vrouw krijgt er van langs./ Deze keer heet ze Brigitte./ Ze is de vrouw van een smeris./ De beginnelingen in de misdaad pissen op de politie./ Het is niet alleen maar hartstocht, bewerk de clitoris./ Brigitte de smerisvrouw houdt van nikkers./ Ze is heet, heet in haar broekje.'

Deze walgelijke rommel ontving eerbewijzen vanwege de veronderstelde authenticiteit ervan. Want in de geestelijke wereld van de multiculturalist, waarin de wilden voor altijd nobel zijn, bestaat er geen criterium waarmee je hoge kunst van lage rotzooi kunt onderscheiden. En als intellectuelen, hoog opgeleid in de westerse traditie, bereid zijn de lof te zingen van zulke ontaarde en beestachtige pornografie, kan het nauwelijks verbazen dat degenen die niet zo goed zijn opgeleid tot de conclusie komen dat er niets waardevols kan bestaan in die traditie. Zodoende maakt het laffe multiculturalisme zichzelf tot de dienaar van het anti-westerse extremisme.

Of de rap-teksten nu de authentieke stem van de cité's zijn of niet, hun authentieke oor zijn ze zeker. In de cité's zie je veel jongemannen doelloos in hun auto zitten, terwijl ze er urenlang aan één stuk door naar luisteren, zo hard dat het plaveisel er op 100 meter afstand nog van trilt. Het imprimatur, de goedkeuring, van de intellectuelen en de Franse culturele bureaucratie moedigt hen ongetwijfeld aan om te geloven dat ze iets doen wat de moeite waard is. Maar wanneer het leven de kunst gaat imiteren en er steeds vaker verschrikkelijke gang-rapes plaatsvinden, reageert hetzelfde officiële Frankrijk verbijsterd en verontrust.

Wat zou het vinden van de achttien jonge mannen en twee jonge vrouwen die momenteel in Pontoise worden berecht. De aanklacht is dat ze een meisje van vijftien hebben ontvoerd en haar vier maanden lang herhaaldelijk hebben verkracht in souterrains, trappenhuizen en kraakpanden? Veel leden van de groep lijken niet alleen geen schaamte of berouw te kennen, maar tonen zich trots.

Hoewel de meeste Fransen nooit een cité hebben gezien, weten ze vaag dat langdurige jeugdwerkloosheid daar zoveel voorkomt dat het de normale toestand is. De Franse jeugdwerkloosheid is inderdaad een van de hoogste in Europa - en hoger naarmate je lager op de sociale ladder komt. Dit komt grotendeels doordat het hoge minimumloon, de hoge premies en de arbeidswetgeving werkgevers er afkerig van maken om mensen in dienst te nemen die ze niet gemakkelijk kunnen ontslaan en die ze meer moeten betalen dan ze waard zijn.

Iedereen weet dat werkloosheid, vooral als die permanent is, buitengewoon destructief is en dat ledigheid werkelijk des duivels oorkussen is. Maar hoe hoger je komt op de sociale ladder, hoe steviger het idee zich heeft vastgezet dat de starre regels van de arbeidsmarkt, die de werkloosheid bevorderen, van essentieel belang zijn, zowel om Frankrijk te onderscheiden van de veronderstelde wreedheid van het Angelsaksische neoliberale model (van het lezen van Franse kranten leer je gauw welke bijbetekenis Angelsaksisch in dit verband heeft), en om de vertrapten te beschermen tegen uitbuiting. Maar de rigiditeit van de arbeidsmarkt beschermt degenen die het minst bescherming nodig hebben, terwijl ze de meest kwetsbaren veroordeelt tot volslagen hopeloosheid; en als seksuele hypocrisie de ondeugd is van de Angelsaksen, is economische hypocrisie de ondeugd van de Fransen.

Er is weinig verbeelding voor nodig om te zien dat de last van de werkloosheid onevenredig drukt op de immigranten en hun kinderen; en waarom die zich, terwijl ze toch al cultureel verschillen van de overgrote meerderheid van de bevolking, afschuwelijk gediscrimineerd voelen. Opgesloten in een fysiek getto, reageren ze met het bouwen van een cultureel en psychologisch getto voor zichzelf. Zij zijn van Frankrijk, maar ze zijn geen Fransen.

Terwijl de staat zich bemoeit met alle details van hun huisvesting, hun medische zorg en de betaling van hun subsidies om niets te doen, zet hij zijn verantwoordelijkheid volledig aan de kant op dat ene gebied waar de verantwoordelijkheid van de staat absoluut onvervreemdbaar is: recht en orde. Om de ontevreden jongeren gunstig te stemmen, of in ieder geval niet woedend te maken, heeft het ministerie van Binnenlandse Zaken de politie de instructie gegeven om zeer voorzichtig te werk te gaan (dat wil zeggen praktisch helemaal niet, behalve nu en dan in geval van grootscheepse roofovervallen wanneer niets doen onmogelijk is) in de meer dan 800 gevoelige zones die de Franse steden omgeven en die samen bekend staan als La Zone.

Maar net zoals de natuur verafschuwt de menselijke samenleving een vacuüm, en daardoor wordt de ruimte waar recht en orde zouden moeten zijn, bezet door een ander soort autoriteit, met haar eigen waardenstelsel - de autoriteit en onmenselijke waarden van psychopathische criminelen en drugdealers. De afwezigheid van recht en een echte economie betekent in de praktijk een economie en een informeel wettelijk systeem gebaseerd op diefstal en drugshandel. In Les Tarterets bijvoorbeeld zag ik twee dealers openlijk drugs uitdelen en geld in ontvangst nemen terwijl ze rondreden in hun zeer opzichtige BMW-cabriolet, duidelijk de vorsten van de hele buurt. Ze waren beiden afkomstig uit Noordwest-Afrika; de ene droeg een vuurrode baseballpet, en de andere had zijn haar blond laten verven wat dramatisch contrasteerde met zijn gelaatskleur. Hun gezichten stonden even onbeweeglijk als die van potentaten die de schattingen van overwonnen stammen in ontvangst nemen. Overal reden ze zo hard mogelijk, in een lage versnelling, met veel lawaai; ze hadden moeilijk meer de aandacht op zich kunnen vestigen. Ze waren niet bang voor het wettelijk gezag, het gezag was bang voor hen.

Ik bekeek hun verrichtingen in het gezelschap van oude immigranten uit Algerije en Marokko die begin jaren zestig naar Frankrijk waren gekomen. Zij woonden ook in Les Tarterets en waren getuige geweest van de neergang ervan naar een staat van chaos en geweld. Ze waren zo ontzet door het dagelijks leven dat ze probeerden weg te komen, te ontsnappen aan hun eigen kinderen en kleinkinderen; maar eenmaal in de klauwen van Huisvesting zaten ze in de val. Ze wilden verhuizen naar een cité, als die tenminste bestond, waar de nieuwe generatie niet de baas was; maar ze hadden geen invloed - of kruiwagen - in het reusachtige patronagesysteem waaruit de Franse staat is opgebouwd. En daarom moeten ze daar blijven, terwijl ze ongelovig, verontrust, verbijsterd en bitter zien wat er van hun nazaten geworden is, zo heel anders dan ze gehoopt en verwacht hadden. Ze waren betere Fransen dan hun kinderen of kleinkinderen: zij zouden nooit hebben gefloten en gejouwd bij het horen van de Marseillaise, zoals hun afstammelingen deden voor de voetbalwedstrijd tussen Frankrijk en Algerije in 2001, waarmee ze de rest van Frankrijk alarmeerden over de verschrikkelijke kanker in hun samenleving.

Of het verstandig van Frankrijk is geweest om een massale immigratie toe te staan van mensen die cultureel sterk verschillen van de eigen bevolking, om te voorzien in een tijdelijk tekort aan arbeidskrachten en om het eigen abstracte liberale geweten te sussen, valt te betwisten; er bevinden zich nu zo'n 8 à 9 miljoen mensen uit Noord- en West-Afrika in Frankrijk, twee keer zoveel als in 1975 - en tenminste 5 miljoen van hen zijn moslim. Volgens demografische projecties zullen het er, voor het einde van deze eeuw, 35 miljoen zijn, meer dan een derde van de totale bevolking van Frankrijk.

Het valt echter níet te betwisten dat Frankrijk deze situatie op de slechtst denkbare manier heeft aangepakt. De toekomst van het land ziet er grimmig uit, tenzij het erin slaagt deze miljoenen te assimileren. Maar in plaats daarvan heeft het de immigranten en hun nakomelingen geografisch geïsoleerd in ontmenselijkende getto's; het heeft een economisch beleid gevoerd dat werkloosheid bevordert en hen afhankelijk maakt, met alle onvermijdelijke psychologische consequenties vandien; het heeft de weerzinwekkende en waardeloze cultuur die ze hebben ontwikkeld gevleid; en het heeft hen de rechtsbescherming afgenomen, en hun toegestaan hun eigen wetteloze orde te vestigen.

Het gevaar van deze mislukking, zowel voor Frankrijk als voor de rest van de wereld, moet niet worden onderschat. De bewoners van de cité's zijn uitzonderlijk goed bewapend. Als de beroepscriminelen onder hen een bank beroven of een zwaarbeveiligd geldtransport, doen ze dat met bazooka's en raketwerpers, en kleden ze zich in paramilitaire uniformen. Van tijd tot tijd ontdekt de politie hele arsenalen kalashnikovs in de cité's. Er bestaat een levendige informele handel tussen Frankrijk en het postcommunistische Oost-Europa: in ondergrondse garages in de cité's worden de serienummers van gestolen luxe auto's voor export naar het Oosten veranderd in ruil voor verfijnd wapentuig.

Zo wordt een sterk vervreemde bvolking zwaar bewapend; en bij gewelddadige sociale oproeren, zoals Frankrijk die eens in de zoveel tijd meemaakt, zou dat wel eens moeilijk controleerbaar kunnen blijken. De Franse staat zit gevangen in een dilemma tussen zijn banden met het meest bevoorrechte deel van de bevolking, waarvan er velen de kost verdienen met het beheer van de geleide economie, en het voldoende vrijmaken van de arbeidsmarkt om de inwoners van de cité's hoop op een normaal leven te geven. Het waarschijnlijkst is dat de staat het dilemma zal oplossen met pogingen om de ontevredenen af te kopen met meer uitkeringen en rechten, ten koste van hogere belastingen die verstikkend zullen werken op het scheppen van banen, waarmee de citébewoners het meest geholpen zouden zijn. Als dat mislukt, en het mislukt op lange termijn, zal een harde repressie volgen.

Maar voor een derde van de bevolking van de cité's, dat van Noord-Afrikaanse moslimherkomst is, bestaat er een mogelijkheid die de Fransen vrezen, en niet alleen de Fransen. Want stel je bent een jongere in Les Tarterets of Les Musiciens, intellectueel wakker maa

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden