Cees van Dijk

De man met de zwarte bril en de Olinda-sigaar tussen de kaken, die in 1984 de spannende verhoren van de RVS-enquête leidde, weet dat hij niet overkomt als het zonnetje in huis. De CDA'er Cornelis Pieter van Dijk is geen grapjas, maar beschikt toch over enige zelfspot.

,,Ik mis het spontane vermogen uitgelaten te zijn. Ik denk vaak: kom Kees, iets blijmoediger kan het ook wel. Als ik 's morgens voor de spiegel sta, kijk ik met enig gefrons naar mijn stuurse hoofd. Van mijn gezicht word ik niet vrolijk, dus de rest van de dag probeer ik maar zoveel mogelijk de spiegels te vermijden'', zei hij in 1987 in een interview.

Oud-senator Cees van Dijk (69) gaat het onderzoek leiden naar de omstreden bankierspraktijken van de provincie Zuid-Holland. Als financieel specialist en oud-minister op de posten ontwikkelingssamenwerking en binnenlandse zaken wordt hij gezien als de man die de boekhouding van de provincie kan ontrafelen en de verantwoordelijken voor het debacle kan aanwijzen. In de positieve reacties op zijn benoeming wordt echter vooral verwezen naar zijn grootste kunststukje: het voorzitterschap van de parlementaire enquêtecommissie RSV. Die onderzocht tussen 1983 en 1985 de neergang van het grootste Nederlandse scheepsbouwconcern Rijn-Schelde-Verolme, waarin honderden miljoenen guldens aan overheidssubsidies waren gestoken.

'Steile Cees' met zijn 'hardhouten kop' werd destijds geroemd om de kritische en onpartijdige benadering van de grote mannen die moesten komen uitleggen waarom het RSV-concern zo in de afgrond was gegleden. Vier maanden lang klom hij met zijn commissie de 82 treden op naar de Weeskamer in het Ridderzaal-complex om onder het oog van de tv-camera's 64 getuigen te verhoren. Bewegingloos achter de vergadertafel, nippend aan zijn eeuwige sigaar, liet hij de verantwoordelijken voor het RSV-debacle niet wegkomen. Het leverde legendarische verhoren op met president-commissaris Jan de Vries, president-directeur A. Stikker, regeringswaarnemer J. A. M. Molkenboer en VVD-minister van economische zaken Gijs van Aardenne.

Dat imago van 'steil' heeft hij vooral te danken aan zijn droge manier van opereren en zijn calvinistische tempo van werken. Kerkelijk gezien acht Van Dijk zichzelf echter 'progressief'. Hij groeide op in de kring van de strenge gereformeerde gemeente, maar voelde zich daar niet senang en stapte over naar de Nederlands hervormde kerk. Zijn politieke onderkomen werd daarmee de CHU in plaats van de SGP. Jaren later beschouwde hij het als de wraak van de orthodox-gereformeerden en de SGP, toen een oud artikel van zijn hand uit het studentenblad Wapenveld van de plank werd gehaald. In Wapenveld had Van Dijk als 27-jarige een dubieuze stelling ingenomen vóóó de apartheid in Zuid-Afrika. Het was in 1981 SGP-fractieleider Van Rossum die Vrij Nederland opmerkzaam maakte op dit in de jaren zestig geschreven stuk. Van Dijk, in dat jaar minister van ontwikkelingssamenwerking, vond de aanval onder de gordel en verdedigde dat hij inmiddels heel anders aankeek tegen de situatie in Zuid-Afrika. ,,Ik denk dat Van Rossum mij het één en ander betaald wilde zetten. Ik vond het unfair en onfatsoenlijk.'' Hij deed zijn vroegere standpunt over apartheid af als 'oude plunje', die allang overboord was gezet.

De ambtenaren en gedupteerden van Zuid-Holland krijgen te maken met een man die zeer strikt denkt over gescheiden verantwoordelijkheden binnen de overheid en die meent dat ambtenaren hun plaats moeten kennen. Op binnenlandse zaken moest hij eind jaren tachtig in de slag met de ambtenarenbonden over de zogenaamde afslankingsoperatie, 27 000 rijksambtenaren moesten afvloeien, maar toonde daarin weinig flexibiliteit. Vakbondsman Vrins mopperde toen: ,,Hij beschouwt de ambtenaar als iemand die zich verbonden heeft de overheid te dienen, en hij is de overheid. Het personeel moet zijn plaats weten. Hij neemt een besluit en daarmee basta.''

Als minister hield Van Dijk zich altijd ver van het toen ook al opbloeiende voor-overleg tussen bewindslieden en hun partijgenoten in de Tweede Kamer. Hij was dualist. De minister doet voorstellen, de Tweede Kamer ziet maar wat ze ermee doet, stelde hij.

Zijn goede reputatie als onderzoeker heeft ook te maken met zijn afschuw van voorbarige oordelen. Ontstaat er een rel, dan zal Van Dijk niemand te vroeg in de verdachtenbank plaatsen. Toen CDA-fractieleider Bert de Vries al voor aanvang van de parlementaire enquête naar bouwsubsidies het vertrek afdwong van partijgenoot staatssecretaris Gerrit Brokx, was Van Dijk daar furieus over. ,,Zolang iemands schuld niet is bewezen, mag je hem niet laten boeten.'' Hard oordeelde hij ook over de twee leden van de enquêtecommissie-Van Traa, Koekkoek (CDA) en Rabbae (GroenLinks), die nog tijdens hun onderzoek naar de opsporingsmethoden van politie en justitie toejuichten dat dat procureur-generaal Van Randwijck opstapte. Wat Van Dijk betreft hadden die twee enquêteleden moeten opstappen na hun te vroege oordeel.

Zo luid als zijn gedegenheid werd geprezen tijdens en vlak na de RSV-enquête, zo hard werd diezelfde eigenschap als 'star en bot' bekritiseerd tijdens zijn ministerschap op binnenlandse zaken. Zelf verklaarde hij dit uit de verschillende rollen die hij moest spelen. ,,Als minister was ik representant van de macht. Als voorzitter van de enquêtecommissie werd ik daarentegen geprezen als vol lef en krachtdadig. Als je tegen het beleid aantrapt, krijg je schouderklopjes. Een kritische attitude tegenover het kabinet doet het altijd goed.'' Die slinger slaat nu weer naar zijn voordeel uit. Al bijvoorbaat wordt de starheid van Van Dijk geprezen als zijn beste eigenschap, wanneer hij het gehaspel met de Zuid-Hollandse miljoenen gaat onderzoeken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden