Cees Geel

Cees Geel: ¿Om dit jachtige bestaan vol te houden, moet je keer op keer in contact komen met wat je drijft.¿ (Mark Kohn) Beeld
Cees Geel: ¿Om dit jachtige bestaan vol te houden, moet je keer op keer in contact komen met wat je drijft.¿ (Mark Kohn)

Cees Geel (Schagen, 1965) is acteur. In 2004 ontving hij een Gouden Kalf voor zijn acteerprestaties in ’Simon’. In 2008 vertolkte hij de hoofdrol in de theaterbewerking van Jan Siebelinks ’Knielen op een bed violen.’

I

Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

„Mijn oma kreeg drieëntwintig kinderen. Vijf stierven er kort na de geboorte. Mijn opa zoop alleen maar. Hij sloeg zijn vrouw of dook er bovenop. En dan kwam er weer een kind, wéér een zieltje voor de katholieke kerk. Het liep zo uit de hand dat alle kinderen op een dag in verschillende tehuizen werden geplaatst. Mijn moeder heeft me verteld over het schrikbewind van de nonnen, over de ellende die ze daar heeft meegemaakt. Ze heeft er een enorme haat aan overgehouden. Als we televisie keken en er kwam iets christelijks voorbij, dan kwam er een stroom van verontwaardiging vrij en ging het toestel onmiddellijk op een andere zender.

Ik vond de Bijbelverhalen die op school werden verteld wel mooi, maar ik nam ze ter kennisgeving aan. Ik heb me nooit erg beziggehouden met de vraag waartoe we hier op aarde zijn. Ik laat de dingen gebeuren. Het gaat zoals het gaat. Positief én negatief. Ik accepteer wat op mijn pad komt, zonder fatalistisch te zijn. Je kunt uiteindelijk toch alleen maar veranderen wat je zelf in de hand hebt – wat overigens niet wil zeggen dat je je nergens tegen moet verzetten.

Die levenshouding heeft natuurlijk te maken met mijn achtergrond; ik ben al op jonge leeftijd met verdrietige dingen geconfronteerd. Ik kom uit een grote, hechte familie die nogal wat heeft meegemaakt. Mijn ouders groeiden op in de jaren dertig: moeilijke jeugd, bittere armoede, altijd maar werken en zuinig zijn. En ze verloren een kind. Cor was negen jaar oud toen hij verdronk. De huisarts adviseerde zo snel mogelijk een ’nieuw’ kind te krijgen. Dat was ik. Ik ben geboren, omdat hij is gestorven. De eerste tien jaar was hij heel nadrukkelijk aanwezig. Op ieder verjaarspartijtje kreeg ik te horen: wat lijk jij toch veel op Cor. Een buurman heeft me zelfs tot mijn twaalfde Cor genoemd. Ik vond het verhaal van Cor vooral zielig voor mijn vader en moeder. Hij is altijd in hun gedachten gebleven. Als ze mij smeekten voorzichtig te zijn, deed ik dat voor hen; het zou toch vreselijk zijn als er nog een keer zoiets zou gebeuren? Voor mij was het een gegeven – goed, ik heb in mijn puberteit bij zijn graf gestaan en gevraagd waar hij me mee had opgezadeld, maar dat past bij die leeftijd. Feitelijk had ik Cor op mijn elfde al overleefd. Daar hield de projectie op en kon ik aan mijn eigen leven beginnen.”

II

Gij zult geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„Ik heb een Gouden Kalf, gekregen voor mijn rol in ’Simon’. Het beeld staat bij mijn ouders thuis. Het behalen van zo’n prijs is geen doel op zich geweest. Ik vind het fijn om bier te drinken, maar ik hoef niet per se dronken te worden. Zolang ik maar rollen kan spelen die voor mij de moeite waard zijn en mijn spel door het publiek wordt gewaardeerd.

Het beeld heeft mij niet veranderd. Het is vooral de perceptie van anderen die een draai maakt: toen ik het Kalf net had gekregen, werd ik bijna niet meer gebeld omdat iedereen dacht dat ik het nu wel superdruk zou hebben. Later werd het een keurmerk: wie zo’n prijs heeft gehad, móet wel goed zijn.

Het beeld staat in mijn ouderlijk huis, omdat mijn ouders altijd erg hebben getwijfeld aan mijn keuze voor de toneelschool. Het begon er al mee dat ik, als eerste in de familie, naar de universiteit ging. Was dat niet een beetje overdreven? Met de havo kon je toch ook een leuke kantoorbaan krijgen? Maar ik hield van lezen, van woorden, ik wilde zo graag kunnen zeggen wat ik dacht en wat ik voelde – misschien koos ik daarom voor een studie Nederlands. Daarna, toen mijn ouders net gewend waren aan het idee dat ik naar de universiteit ging, kwam de toneelschool in beeld. Daar kon ik een beter mens worden, dacht ik, daar kon ik me bevrijden van allerlei inhibities en beperkingen die ik vanuit mijn achtergrond had meegekregen. Zo is het ook gegaan.

En toen, op een dag, verscheen ik op het Journaal. Mijn ouders konden het niet bevatten. Cees? Een Gouden Kalf? Ja, kijk: het is goed gekomen. Jullie hoeven je nu echt geen zorgen meer te maken. Het beeld is een symbool van bevrijding. Van liefde. Daarom staat het daar, op hun schoorsteenmantel.”

III

Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„Het heeft alles met zelfbeheersing te maken. Ik denk dat je moet proberen de onvrede een stap voor te zijn: als je kunt accepteren dat er nu eenmaal vervelende situaties zijn, zul je er – als ze zich voordoen – minder snel om vloeken. Het is niet nodig. En je kwetst er anderen mee. Ik geloof dat de Hebreeuwse vertaling van ’ijdel gebruik’ vergissen is; het is een vergissing om je op die manier te laten gaan.

Ik vind wel dat die ander, de gelovige, ook rekening met mij moet houden, niet te snel beledigd moet zijn. Sommige mensen vonden de toneelbewerking van ’Knielen op een bed violen’ beledigend (Geel speelde daarin de rol van Hans Sievez, de tuinder die ’het licht’ had gezien en zich aansloot bij een religieuze sekte, AV). Dat vind ik nogal beperkt gedacht. Hoe kun je iets wat met respect wordt gemaakt als een provocatie opvatten? En hoe kom je er eigenlijk bij te denken dat jij weet hoe God het dan allemaal wél had bedoeld? Gelovigen zijn wat dat betreft net politici die een en hetzelfde rapport op verschillende manieren uitleggen; ze graven net zolang in die Bijbel tot ze een paar zinnen hebben gevonden die zogenaamd bewijzen dat ze gelijk hebben.

Ik heb Sievez gespeeld als een junk. Hij vertoonde typisch junkengedrag: liegen tegen zijn naasten, dingen verstoppen, alles stiekem doen. En dat alles voor een korte roes. Daar kwam ook een behoorlijke hoeveelheid ijdelheid bij: in het dagelijks leven was die man een onbeduidende figuur, maar binnen die groep fanaten stond hij op een voetstuk. Het is een dramatisch verhaal; hij richt zijn gezin ermee ten gronde. Maar dat is niet het beeld dat ik van religieuzen in het algemeen heb: het geloof is een idee-fixe – net zoals het socialisme of welke andere levensovertuiging ook – onschadelijk, zolang het niet ten koste gaat van het geluk van andersdenkenden.”

IV

Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„We leven in een wereld die 24 uur per dag, zeven dagen per week doorgaat. Het is een afspiegeling van de natuur: je moet elke seconde scherp blijven, anders word je opgegeten. Toch moet je ook op zoek gaan naar rust, naar openheid, naar kwetsbaarheid. Om dit jachtige bestaan vol te houden, moet je keer op keer in contact komen met wat je drijft. Kijken wat je kan, wat je wil, wat haalbaar is. En dan weer door.”

V

Eer uw vader en uw moeder

„Natuurlijk, het was vanwege Cor en wat hem was overkomen, maar mijn ouders waren sowieso voorzichtig, bescheiden, op de achtergrond. Niet opvallen, God verhoede dat je opvalt! Dienstbaar zijn – mijn vader is zijn leven lang knecht geweest – en niet te veel geld uitgeven want – jaren dertig, armoede – je weet maar nooit wat er allemaal mis kan gaan. Daar heb ik me van los moeten maken.

En dan was er nog die driedubbele generatiekloof: zij groeiden op in de jaren dertig, ik in de jaren zeventig. Daar hoef ik toch geen tekeningetje bij te maken? De ideeën waar ik mee thuiskwam, daar konden ze met hun pet niet bij. Ze probeerden er wel voor open te staan, ze waren ruimhartig en stonden altijd voor me klaar maar toch‿ het verschil was zo groot. Ik ben nieuwsgierig, wil dingen ontdekken, nieuwe inzichten opdoen. Zij waren behoudend, vonden iets al snel stom. Ze kwamen uit een andere wereld.

Ik ben altijd bang geweest mijn ouders te verliezen. In januari is het onvermijdelijke gebeurd. Mijn moeder stierf. Laten we het simpel houden: haar lichaam was gewoon op. Ik dacht dat ik heel lang, heel erg verdrietig zou zijn, maar er kwam een soort leegte, een verschrikkelijk besef dat die intense band voorbij was en dat ik een stuk geschiedenis was kwijtgeraakt. Nee, het was geen confrontatie met mijn eigen sterfelijkheid; dat alles voorbijgaat, vind ik wel een mooi, melancholiek gegeven.

Gelukkig had ik het in die tijd niet druk. Ik deed wat voice-over-dingen en een paar gastrollen en kon zo bewust dat stervensproces meemaken, mijn vader opvangen, mijn zusters opvangen, mezelf opvangen‿ God, wat moet ik je er verder over vertellen? Het is zo vers, ik heb geen idee waar ik sta‿ Soms word ik ineens door verdriet overvallen. In de auto – naar de kant, laat maar komen dat verdriet – of tijdens mijn werk. Tot nu toe heeft niemand er nog van opgekeken dat ik het even niet meer trok.

Mijn vader heeft 64 jaar met mijn moeder samengewoond. Hoe zou je die man moeten troosten? Als ze je been eraf hebben gehakt, kun je ook niet zeggen: ach, dat valt toch best wel mee? Hij moet weer vastigheid in zijn leven zien te vinden, de boel opnieuw inrichten, maar hij is 82 en krijgt soms fatalistische gedachten: laat mij ook maar doodgaan. Hij komt uit een sterk geslacht – ze worden allemaal in de negentig – dus ik zeg tegen hem: doe maar rustig aan, er komen nog veel mooie dingen. Wij, mijn zusters en ik, de kleinkinderen, we houden allemaal van hem. Het is een ander soort liefde, maar toch: een liefde die de moeite waard is om voor te blijven leven.

Soms denk ik eraan hoe het zal zijn om ook hem kwijt te raken, maar dan kom ik weer uit bij de houding die ik mezelf eigen heb willen maken: maak je niet druk om dingen die je toch niet kunt veranderen. Ik spreek mezelf toe, dat helpt. Soms.”

VI

Gij zult niet doodslaan

„Blauwe ogen, knock-out: ik ga een gevecht niet uit de weg. Als je me welbewust kwetst of mijn ruimte inneemt, als je me tot het uiterste drijft en de keuze biedt tussen weglopen of de eerste klap uitdelen, dan kies ik voor het laatste. Ik heb mijn kop niet mee – en dan ben ik ook nog eens 1,90 lang en negentig kilo zwaar – maar ik ben echt geen ruziezoeker. Ik ben een sportman, ik hou van voetbal, maar je zult mij in het stadion niet ’joden’ horen roepen, of ’je moeder heeft een snor’. Ik ben juist heel beschouwend, kalm.

Ik geef toe dat het – als het dan toch tot een gevecht komt – ook een kick geeft. Lust en agressie liggen niet voor niets zo dicht bij elkaar, het zijn primaire emoties. Ik ga me er ook niet voor schamen. Jezus kan wel zeggen dat ik de vijand mijn andere wang moet toekeren, maar dat ben ik helemaal niet met hem eens. Op een gegeven moment is het genoeg: boem. Het enige wat je moet doen, is op tijd stoppen. Zelfbeheersing, daar zijn we weer.”

VII

Gij zult niet echtbreken

„Als je 44 bent en geen relatie hebt, is dat het eerste wat mensen vragen: heb je soms last van bindingsangst? Nee dus. Ik leid gewoon een prettig leven. En ik weet heel goed wat ik van een relatie verwacht: geborgenheid, steun, plezier, goede seks, vertrouwen. Ik ben acteur, ik sta in de belangstelling – ik heb een keer een relatie gehad met iemand die daar heel verkrampt op reageerde. Ze wilde me allerlei dingen opleggen. Als je thuiskomt en iemand vraagt je drie keer waarom je zo laat bent en waar je vandaan komt, dan is dat geen interesse maar achterdocht en angst. Je moet elkaar kunnen vertrouwen. Als de ander vreemd wil gaan, kun je daar toch niets tegen doen. Ik ben een emotionele jongen, maar in dat soort dingen ben ik heel rationeel.

Nee, ik zal zelf niet vreemdgaan, dat kan ik je met honderd procent zekerheid zeggen. Ik moet hierbij altijd denken aan de Clichémannetjes, aan Wim de Bie die op een gegeven moment uitroept: ’Wat zit ik me nou helemaal druk te maken? Om een beetje jeuk aan mijn snikkel en een vingerhoedje stijfsel!’ Dat is toch, in alle banaliteit, waar het op neerkomt?

En wat je jezelf niet op je hals haalt, vreselijk. Er verschuiven dingen en die verschuiving, dat is zonde. Het verlangen naar een ander is legitiem en als je oprecht verliefd wordt op een ander, dan moet je ervoor gaan. Niet dat halfbakken gedoe. Maar voor je zoiets besluit, moet je nog maar eens goed nadenken over dat vingerhoedje. Hoe oprecht is je verlangen? Je kunt niet lukraak je vriendin belazeren, of dingen op het spel zetten.

Of laat ik het zo zeggen: ik zou dat niet kunnen. Als je een relatie serieus neemt dan moet je voor jezelf goed formuleren wat belangrijk is. Voor mij is openheid belangrijk. Maar áls je vreemdgaat – en dat gebeurt natuurlijk aan de lopende band – hou er dan in godsnaam je mond over. Dat heb ik ook altijd tegen mijn vriendinnen gezegd. Ik wil namelijk in de droom blijven geloven. Misschien belazer ik mezelf op die manier, maar ik heb het nodig. Zo hou ik het leuk voor mezelf. Wij bedriegen elkaar niet. En Nederland wordt ooit nog wereldkampioen voetballen.”

VIII

Gij zult niet stelen

„Mijn neef had van die modelvliegtuigjes, prachtig geschilderd enzo, daar was ’ie altijd mee in de weer. Op een dag – ik was een jaar of zes – heb ik zo’n vliegtuigje meegenomen. Het heeft een paar dagen in mijn kast gestaan en toen móest ik het terugbrengen, ik kon niet loskomen van de gedachte dat het zielig was voor mijn neefje. Mijn medelijden was kennelijk groter dan mijn hebzucht.”

IX

Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„Dit is mijn achtergrond: stille jongen, geen prater. Ik was er ongelukkig mee. Ik verzweeg niets; ik had gewoon geen materiaal, geen idioom, geen metaforen, geen zinsconstructies. Toen ik de taal meester was, wilde ik me zo waarachtig mogelijk uitdrukken. Ik ben niet iemand die zomaar wat roept. Zeker niet iemand die liegt. In mijn wereldje – vol regisseurs, acteurs, maar ook columnisten en critici – wordt aan één stuk door gebakken lucht verkocht. Daar kan ik slecht tegen. Roddel en achterklap. Alles voor een beetje aandacht. Daar gruw ik van. Ik ben één op één. Ik doe me nooit anders voor dan ik ben.”

X

Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Het succes van anderen spoort me juist aan harder te werken, nóg meer mijn best te doen. Ik zal je een concreet voorbeeld geven. ’Simon’ was klaar, groot succes, toen ’Taxioorlog’ werd gemaakt. Het script werd geschreven door iemand met wie ik samen in The Cooldown Café heb gewerkt, precies in de periode dat die taxioorlog aan de gang was. We zaten allebei minimaal twee keer per dag in die taxi’s, dus we wisten van de hoed en de rand. Zijn vriendin was regisseuse van ’Taxioorlog’, ik was beschikbaar, maar mocht niet eens audities doen. Ik had geen idee waarom ik werd overgeslagen. Vragen heeft geen zin, want je wordt toch met een kluitje in het riet gestuurd. Uiteindelijk kreeg mijn goede vriend Frank Lammers de rol. Hij speelde hem met verve en kreeg er een Gouden Kalf voor. Moet ik dan boos op Frank zijn. Moet ik het hem misgunnen? Ik zou niet weten waarom. Ja, jammer en vervelend, maar het is wat het is. Het is voor anderen ook wel eens niet te begrijpen waarom ik een bepaalde rol krijg en zij niet. Dat zijn dingen die je niet in de hand hebt. Met begeren is niet zoveel mis, het gaat erom dat je die volgende stap niet neemt. Je moet ervoor zorgen dat de jaloezie je niet te grazen neemt. Zelfbeheersing, precies.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden