CDA moet kiezen, consensus helpt niet meer

De auteur was Tweede-Kamerlid voor het CDA en is thans burgemeester van Hoogeveen.

Deze opvatting wordt ondersteund door de journalist Marcel Metze, die in zijn recent verschenen boek 'De stranding' een minutieuze beschrijving geeft van de onttakeling van het CDA. In de media is er veel aandacht aan geschonken. Daarbij stonden centraal de politieke flaters van Brinkman en de merkwaardige strapatsen van Lubbers in zijn politieke nadagen. Het is echter wat te eenvoudig het CDA-debâcle te reduceren tot persoonlijke feiten van het voormalige christendemocratische top-duo. Er lag tussen beiden ook een wereld van verschil wat traditie en opvattingen betreft.

Corporatistisch

Toen begin jaren tachtig de grondwetsherziening behandeld werd door de CDA-fractie kwam fractievoorzitter Lubbers met het voorstel de Sociaal-economische raad in de nieuwe Grondwet dezelfde positie toe te kennen als de Raad van State. Het illustreerde de nogal 'corporatistische' denkwijze van Lubbers, waarbij het bereiken van consensus weleens een doel in zichzelf leek te worden.

Als het voorstel van Lubbers het gehaald zou hebben (vooral de protestantse fractieleden hielden dat tegen) had de Kamer vorige week niet zo gemakkelijk in meerderheid (VVD, D66, RPF, GPV) kunnen uitspreken dat een kabinet voortaan niet meer verplicht is over sociaal-economische onderwerpen het advies van de Ser te vragen. Daar zou dan opnieuw een herziening van de Grondwet voor nodig zijn geweest. Een wel erg hoge drempel ter bescherming van het consensusdenken, dat partijpolitiek gekleurd en tijdgebonden is.

Het is momenteel zonder twijfel op zijn retour. De opruiming die thans gaande is onder de honderden adviesorganen van de regering is daar een voorbeeld van. Brinkman appelleerde aan deze ontwikkeling met zijn fulmineren tegen de stroperigheid in de politiek en zijn pleidooien voor meer politieke daadkracht. Hij was meer gecharmeerd van de werking van de markt dan van het eindeloos zoeken naar compromissen. Dat impliceerde voor hem het afschaffen van het minimumloon, het terugbrengen van de sociale uitkeringen naar een mini-stelsel, het korten op de ontwikkelingssamenwerking, het primaat van de economie boven het milieu. Dit werd niet zo hard gezegd in het verkiezingsprogram, maar het ademde wel de geest van Brinkman.

Katholieken

Met zijn rechtlijnige liberale economische opvattingen stond Brinkman in een protestantse traditie. Over het algemeen zijn katholieken veel meer bedreven dan protestanten in het spreken en het meel in de mond te houden. Consensuspolitiek is er bij hen als het ware ingebakken. Dat heeft goede vruchten voortgebracht. De dominante centrumpositie sinds de Eerste wereldoorlog van de Rooms-Katholieke Staatspartij, daarna de KVP en tenlotte het CDA heeft mede bewerkstelligd dat het peil van de sociale zekerheid en de gezondheidszorg (tot dusver) relatief hoog is en dat de wetgevingspraktijk in veel opzichten tolerant en libertijns is. Op beslissende momenten werd het eigen principe gerelativeerd om overeenstemming te kunnen bereiken met afwisselend liberalen en sociaal-democraten. Daardoor bleef de regeringsmacht behouden en kon de mogelijkheid van een 'paarse' combinatie als een hersenspinsel afgedaan worden.

Afgezien van enkele 'tussenpausen' (met excuses aan Biesheuvel en Zijlstra) heeft ons land twee gereformeerde minister-presidenten gehad, die tevens partijleider waren: Kuyper en Colijn. De eerste scherpte de tegenstellingen aan tussen christenen en niet-christenen (de antithese) en de tweede vervreemdde door zijn rigide economische beleid veel arbeiders van zich en zijn (anti-revolutionaire) partij. Brinkman had de derde moeten zijn. Met zijn neo-liberale opstelling miste hij echter de juiste snaar bij de traditionele achterban en de zwevende kiezers stemden liever op het origineel (VVD of D66) dan op een kopie.

Dat hij tot het laatst toe vasthield aan een centrum-rechtse coalitie (CDA, VVD, D66) moge dan toegeschreven worden aan zijn brandende ambitie om premier te worden, maar het was ook eerlijk en rechtlijnig. Een coalitie met de VVD, een partij waar hij in zijn jonge jaren al affiniteit mee had, paste stukken beter bij zijn program en opvattingen dan een combinatie met de PvdA.

Uit het bovenstaande zou de conclusie kunnen worden getrokken dat Brinkman met zijn machtsdenken weliswaar een kind van zijn tijd was, maar dat hij eigenlijk bij de verkeerde partij zat en dat Lubbers dat niet (tijdig) heeft onderkend. Dan wordt echter over het hoofd gezien dat Kaland niet moe werd Brinkman aan te moedigen in zijn strijd tegen de stroperigheid van Lubbers c.s., dat de Tweede-Kamerfractie de opvattingen van haar voorzitter deelde en dat de partij een verkiezingsprogram vaststelde dat Brinkman op het lijf geschreven was.

In de publiciteit is onderbelicht gebleven dat het boek van Metze een eresaluut bevat voor Bert de Vries, de voormalige fractievoorzitter en minister van sociale zaken en werkgelegenheid. Consequent en creatief heeft hij zich verzet tegen een te harde aanpak van mensen met een (te) smalle beurs. In de Tweede- Kamerfractie werd hij daarom smalend de achtste PvdA-minister genoemd. De Vries verloor de slag om het verkiezingsprogram. Volgens Metze kreeg hij alleen steun van partij-adviseur Jelle Zijlstra.

Het CDA zal een keuze moeten maken tussen het voortzetten van de sociale traditie van de christen-democratie en het liberale marktdenken. Consensus helpt niet meer. Gezien de sterk gereduceerde aanhang is het omogelijk geworden consensus 'op te leggen' aan anderen, maar bovendien is de maatschappelijke basis er grotendeels aan ontvallen.

Luchtledige

De christelijke werkgevers- en boerenorganisaties hebben het levensbeschouwelijk uitgangspunt ondergeschikt gemaakt aan een adequate belangenbehartiging met de 'neutrale' organisaties. In de gezondheidszorg en het onderwijs wordt het voortbestaan van de eigen instelling veelal belangrijker geacht dan de christelijke signatuur. Het confessionele maatschappelijke middenveld, waarop het christen-democratische consensus-model steunde, is vérgaand geërodeerd. Daardoor is het CDA in het luchtledige komen te hangen.

Voor het voortbestaan is het uitzetten van een heldere politieke koers een noodzaak geworden. Brinkman meende de tekenen der tijden te moeten verstaan en maakte een keuze. Maar niet het welhaast ongeclausuleerde marktdenken, maar de klassieke christen-democratische uitgangspunten zullen de inspiratiebron moeten zijn. Dat wil zeggen: de gelijkwaardigheid van alle mensen (sociale gerechtigheid), de uniciteit van elk mens (ethiek) en de persoonlijke verantwoordelijkheid. Dit moet kunnen leiden tot een aansprekende synthese, die een antwoord geeft op de actuele problematiek. De mogelijkheid van een geleidelijke invoering van een basisinkomen zal daarbij bijvoorbeeld serieus overwogen moeten worden.

De verwachtingen met betrekking tot de Tweede-Kamerfractie zullen wat dit betreft niet te hoog gesteld mogen worden. Brinkman en Van Velzen hebben weliswaar het politieke toneel verlaten, maar ze leven voort in de in hoge mate door hen samengestelde fractie, waar het marktvirus nadrukkelijk rondwaart. Mede daarom valt het oppositievoeren zo zwaar en wordt er geen gebruik gemaakt van de sociale gaten die de PvdA zo rijkelijk laat vallen.

De partij zal daarom het voortouw moeten nemen. De inmiddels ingestelde 'strategische beraadsgroep' kan een zeer nuttige bijdrage leveren. Het hoeft geen groot bezwaar te zijn dat hier vooral oudgedienden zitting in hebben. Zij weten tenminste nog wat het oorspronkelijke produkt was. En hiervoor geldt wél dat het aanbod de vraag zal scheppen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden