'CBS schildert te rooskleurig beeld van opleidingspeil Nederlander'

Nederlanders zijn minder hoog opgeleid dan de officiële statistieken suggereren, zegt de Leidse politicoloog dr. G. Visscher. Volgens hem zijn er 300.000 'hoger opgeleiden' minder dan het Centraal bureau voor de statistiek beweert. En zo zijn er ook 200.000 minder 'middelbaar opgeleiden' maar juist 400.000 mensen méér die alleen de lagere school doorliepen. Boos opzet? Nee, een chronische blinde vlek van het CBS, zegt Visscher.

Maar een groot deel van de 'uitval' in enquêtes - de helft tot tweederde - heeft een andere oorzaak: de weigering om de enquêteur te woord te staan. Elke enquête heeft daarmee te maken.

Zijn zulke weigeraars hooguit vervelend voor zo'n enquêteur, maar verder niet belangrijk? In tegendeel, beweert de Leidse politicoloog Gerard Visscher. Volgens hem heeft “non-respons” grote consequenties voor de betrouwbaarheid van de gegevens die in enquêtes bijeengegaard worden. De groep mensen die niet aan een enquête mee willen doen, is namelijk allerminst evenwichtig verspreid over alle bevolkingslagen.

Visscher: “Hoog opgeleide mensen weigeren maar half zo vaak als mensen met weinig opleiding.” En volgens hem vertekent dat de uitslag flink, omdat mensen met meer opleiding sterker geïnteresseerd zijn in vraagstukken rond de arbeidsmarkt, samenleving en politiek. Twee jaar geleden beweerde Visscher dat al eens toen het ging om verkiezingsonderzoek. Zulke enquêtes wekken ten onrechte de indruk dat de Nederlander in politiek geïnteresseerd is, stelde hij toen.

Om z'n stelling nu te bewijzen voor enquêtes over 'het opleidingspeil in Nederland', vergeleek Visscher twee enquêtes met elkaar: de grote Enquête Beroepsbevolking (EBB) van het CBS, waarvoor sinds 1987 maandelijks 10.000 vraaggesprekken worden gevoerd. Daarin zitten verschillende vragen over het opleidingsniveau: wat is uw hoogste opleiding? Wanneer haalde u dat diploma? Die enquête legde Visscher naast eentje van de Arbeidsvoorziening onder 5000 mensen die, in de provincies Utrecht en Noord-Holland, in- of juist uitgeschreven zijn bij het Arbeidsbureau. Van die mensen was het opleidingspeil bekend; het hoefde dus geen vraag te zijn.

Tussen die twee enquêtes gaapt een flink verschil, bleek toen. Pas je op heel Nederland toe wat in de 'kleine' enquête gold voor Utrechters en Noord-Hollanders, dan ontstaat een heel ander beeld van het 'onderwijsniveau' van de gemiddelde Nederlander dan de grote CBS-enquête schildert.

Er blijken dan veel minder 'hoog opgeleiden' te zijn: een verschil van 300.000. Er zijn ook minder 'middelbaar opgeleiden': een verschil van 200.000. En er zijn veel méér mensen met alleen lagere school dan de cijfers van het CBS beweren: een verschil van 400.000 man. Visschers getallen over hoog opgeleiden sporen met wat het hoger onderwijs aan diploma's uitgaf, door de jaren heen.

“Als de cijfers van het CBS niet kloppen, dan is dat funest voor het wetenschappelijk onderzoek”, zegt Visscher. “CBS-cijfers zijn altijd overal de norm voor. Als die niet meer blijken te kloppen, dan is dat nogal fundamenteel.”

Of Visschers vondst iets uitmaakt voor het onderwijsbeleid van de overheid, is overigens maar de vraag. Een van de voornaamste dingen die het ministerie van Onderwijs in Nederland doet, is: het beschikbare geld verdelen over scholen en andere onderwijsinstellingen. Dat gebeurt niet op grond van CBS-cijfers, maar op basis van zelf verzamelde cijfers. Hoeveel leerlingen, studenten en leraren er in Nederland zijn, houdt Onderwijs zelf bij. Alleen de telling van het aantal universitaire studenten gebeurt door het CBS.

Anders is dat met het beleid van het rijk wat betreft werkgelegenheid. Hevel je de 300.000 mensen die het CBS volgens Visscher ten onrechte als 'hoger opgeleid' beschouwt en de 200.000 mensen die zonder reden 'middelbaar opgeleid' heten, over naar de categorie 'laag opgeleid', dan zou het plaatje van de werkloosheid in Nederland er heel anders uit komen te zien. Laag opgeleiden horen veel minder vaak tot de 'werkzame beroepsbevolking' dan mensen met meer opleiding, van wie 70 à 75 procent werkt. Bij de groep die alleen lagere school heeft, ligt dat percentage op ruim 30. Hou je daar rekening mee, dan zijn er 200.000 meer werklozen dan nu officieel wordt gedacht.

Visscher: “Wanneer de omvang van een probleem 'niet zo groot' lijkt, kun je het veel gemakkelijker negeren. Het armoedevraagstuk zou stellig eerder op de agenda gezet zijn als eerder bekend was geweest dat de cijfers niet kloppen. Ik zeg niet dat het probleem dan inmiddels opgelost zou zijn, maar voor het sussende geluid het valt wel mee, of het gaat de goeie kant op zou dan minder steun zijn geweest.” De Bredase bisschop Muskens, die afgelopen najaar een media-offensief opende tegen het oprukkende marktdenken, zou dan nog meer munitie gehad hebben voor zijn stelling de overheid manipuleert de cijfers, denkt Visscher. “Als deskundigen met andere werkloosheidscijfers aankomen dan minister Melkert, vermoed ik dat de minister de zaken bewust positiever voorstelt dan de werkelijkheid is”, zei Muskens toen.

Bewust positiever voorstellen, aan dat verwijt waagt Visscher zich niet. “Het resultaat is het zelfde: de officiële cijfers zijn onbetrouwbaar en veel te zonnig. Maar de reden dat het effect van non-respons op het beeld van het Nederlandse opleidingsniveau nooit goed is opgemerkt, is misschien simpeler. De mensen bij het CBS die over de Enquête Beroepsbevolking gaan, werken in Heerlen. De mensen die over onderwijs gaan, werken in Zoetermeer. En verder heeft het CBS het monopolie op grootschalig lange termijn-onderzoek. Kritische vragen passen niet in zo'n op lopende band-productie gericht klimaat.”

De directeur statistische beleidsontwikkeling van het CBS, drs. H. van Tuinen, is niet erg onder de indruk van de degelijkheid van Visschers kritiek. “Wij vergelijken de groep EBB-deelnemers die bij het Arbeidsbureau staat ingeschreven weleens met de totale groep EBB-deelnemers. Daar komen bij ons net zulke resultaten uit als bij Visscher. Maar dat komt doordat bij een Arbeidsbureau in verhouding veel allochtonen staan ingeschreven. Die hebben twee kenmerken: ze responderen niet zo goed op enquêtes, mede vanwege de taal, en ze hebben een lager opleidingsniveau. Een steekproef van het Arbeidsbureau mag je daarom niet veralgemeniseren voor de hele Nederlandse bevolking, zoals Visscher doet.” Visscher bestrijdt dat overigens: van 'zijn' weigeraars was slechts een op de twintig niet-Nederlands, zegt hij.

Van Tuinen erkent wel dat non-respons bij enquêtes voor vertekeningen zorgt. Alleen is die, als het om opleidingsniveau gaat, volgens hem hooguit 100.000 mensen groot. “Opleidingsniveau is toch een vrij 'hard' onderwerp. Ik kan me wel voorstellen dat non-respons een veel groter effect heeft bij subjectievere vragen. Vraag je 'gaat u straks stemmen?', dan kun je je voorstellen dat alleen de mensen die gaan stemmen graag aan zo'n enquête meedoen, en dat de uitslag van zo'n enquête dus flink vertekend is. Nederland is ter wereld ook het land met de hoogste non-respons. Hier is 40 procent non-respons vrij gewoon. In Engeland, nummer twee op de ranglijst, weigert maar 10 procent. Nederlanders houden dus niet zo van enquêtes. Op zich heeft Visscher het dus wel over een groot probleem en een ernstig probleem. Maar qua onderwijs overdrijft hij schromelijk.”

Volgens Van Tuinen is het CBS er zich bewust van dat het het aantal lager opgeleide Nederlanders in z'n statistieken onderschat, maar is het vreselijk moeilijk om dat goed te corrigeren. “Zo'n correctie is alleen deugdelijk wanneer je exact weet hoe de werkelijkheid eruitziet. Dat weet je bij verkiezingen nu een keer wel (de opkomstpercentages) maar bij 'onderwijspeil' niet. Zo'n correctie is een gissing.” Visschers advies, 'de werkelijkheid van de arbeidsbureaus' als maatstaf te nemen, vindt Van Tuinen in elk geval geen oplossing.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden