Catharina Halkes

Aartsmoeder van de Nederlandse feministische theologie wordt ze genoemd, of de eerste 'moderne kerkmoeder' van Nederland. Epitheta die niet overdreven lijken voor Catharina J. M. Halkes (1920), de pionierster die in 1983 in Nijmegen werd benoemd op de eerste leerstoel in de feministische theologie van West-Europa.

Hoewel veel van de huidige feministische theologes andere denkbeelden hebben over feminisme en theologie dan hun voorvechtster, zijn zij het er unaniem over eens dat Halkes het klimaat rijp heeft gemaakt voor wat nu theologische vrouwenstudies heet.

Haar bijzondere leerstoel in Nijmegen bestaat nog steeds. Halkes werd opgevolgd door de Engelse Mary Grey en daarna de Israëlische Athalya Brenner. Op dit moment wordt de (overigens nog steeds bijzondere) leerstoel bezet door Maaike de Haardt, die in juni haar oratie hield.

Op een symposium in 1995, ter gelegenheid van haar vijfenzeventigste verjaardag, schetste oud-bisschop Ernst van Breda de moeilijke situatie waarin Halkes tijdens haar werkzame leven heeft moeten manoeuvreren: ,,Gewantrouwd door feministes omdat ze theologe is. Door sommige theologen scheef aangekeken vanwege haar feminisme.'' In een interview, vorig jaar met Trouw, bevestigde Halkes deze waarneming van de haar sympathiek gezinde Ernst. ,,Ik ben altijd een Einzelgünger geweest. De vrouwenbeweging vond kerk en geloof onderdrukkend en dus verdacht. En in mijn generatie was ik ook een uitzondering: vrouwen van mijn leeftijd hielden zich niet bezig met feminisme.''

Lange tijd trouwens ook niet met theologie. Dat had Halkes het liefst willen studeren, maar eind jaren veertig was theologie nog een ontoegankelijk vakgebied voor katholieke meisjes. Het werd Nederlandse taal- en letterkunde, zij het met als bijvak geschiedenis van de filosofie van de Middeleeuwen en de mystiek.

Toch bleef theologie haar trekken, evenals de ontwikkelingen in haar kerk, met name op het gebied van de emancipatie van leken. In 1965 - ze was toen de enige katholieke studente theologie in Utrecht - werd haar gevraagd adjunct-directeur te worden van Maartenshof, een deeltijd-opleiding pastoraat voor leken. Na haar vertrek daar, in 1967, werd ze in Nijmegen binnengehaald als supervisor pastoraaltheologie. Bij die vakgroep kreeg ze in 1970 een vaste aanstelling als docent.

De grote ommekeer in haar denken over kerk, geloof en theologie kwam in 1973, toen zij Mary Daly's boek 'Voorbij God de Vader' onder ogen kreeg. De analyses van deze Amerikaanse feministische theologe troffen haar als een bliksemflits bij heldere hemel. Pijnlijke ervaringen in de rk kerk met haar onderdrukkende patriarchale structuur en veel vragen aan de evenzeer androcentrisch gerichte theologie kregen er samenhang door. Haar overgang naar de feministische theologie was een feit.

Vanaf dat moment gingen de ontwikkelingen snel. In 1977 begon ze aan de Katholieke Universiteit Nijmegen met het project 'Feminisme en christendom' - 'feministische theologie' vond het bestuur te bedreigend klinken. De vermaardheid die zij al snel verwierf hield niet op bij de Nederlandse grens. Studenten uit Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland volgden regelmatig semesters bij haar en zelf gaf ze gastcolleges in Tübingen, Frankfurt, Oost- en West-Berlijn, Uppsala en Lund.

In 1981 kreeg haar project een permanente status: feministische theologie ging behoren tot de verplichte colleges in de basisopleiding theologie in Nijmegen - verplicht, dus ook voor de mannelijke studenten theologie - en Halkes werd docent met examineerbevoegdheid. Zelfs in de doctoraalfase dook er toen af en toe een man op.

In 1982 werd zij onderscheiden met een eredoctoraat van de Berkeley Divinity School van de Amerikaanse universiteit van Yale. In Nederland werd de kroon op haar baanbrekende werk een jaar later gezet, met haar benoeming tot bijzonder hoogleraar 'feminisme en christendom'.

Anders dan de radicale Daly heeft Halkes nooit de rk kerk willen verlaten; zij is zich altijd deel van de kerk blijven voelen. En ze realiseerde zich dat zij door te vertrekken ook haar stem zou verliezen. ,,Ik denk dat we nog steeds de kerk hebben die we verdienen'', zei ze in 1983 tegen De Bazuin. Hoe die kerk in elkaar zat en nog steeds zit, werd haar twee jaar later nog eens pijnlijk duidelijk gemaakt, toen kardinaal Simonis haar verbood paus Johannes Paulus II toe te spreken bij zijn bezoek aan Nederland. Maar zij bleef geloven, zoals zij in 1995 tegen NRC Handelsblad zei, dat de rk kerk 'een werkelijke geloofsgemeenschap van mannen en vrouwen zal worden, die in onbevangenheid met elkaar communiceren, geestelijk, lichamelijk, zonder dominantie van mannen en onzekerheid van vrouwen'.

Feministische theologie is niet beperkt gebleven tot Nijmegen. Vrijwel alle faculteiten theologie in Nederland kennen inmiddels het vakgebied 'vrouwenstudies' en er is een brede oecumenische 'vrouw-en-geloofbeweging' ontstaan.

Toch is, veronderstelt Halkes' leerling Annelies van Heijst, wellicht pas over een of meer eeuwen echt te bepalen welke transformerende kracht feministische theologie zal blijken te hebben. Ook de invloed van Halkes en van het vak dat ze een gezicht gaf, vindt de feministisch theologe en docente vrouwenstudies niet eenvoudig vast te stellen.

In een bijdrage over haar leermeesteres aan de bundel 'Zo de ouden zongen . . .' (Ten Have, 1996) noemt Van Heijst Tine Halkes 'geen systeembouwer maar meer een ziener en generalist'. ,,Haar werk is met de ontwikkeling van de feministische theologie meegegroeid en heeft die ontwikkeling meegemaakt. De eerste taak waarvoor zij zich gesteld zag was het mannelijke bolwerk van de theologie en van de wetenschappelijke wereld open te breken, zodat nieuwe vragen gesteld konden worden en vrouwen ook subject van theologische reflectie konden zijn. Met dat baanbrekende werk heeft Halkes ons, de jongere generatie feministische theologen, geholpen om aan het woord te komen.''

Zelf is Tine Halkes inmiddels alweer een station verder. In het in 1995 verschenen werk 'Oorsprong en einder. Cultuurkritische overwegingen vanuit vrouwenstudies theologie' heeft zij haar aandacht verlegd van het heil van vrouwen binnen kerk en theologie naar het grote ecologische vraagstuk van het overleven van de schepping als geheel.

In dit boek ontvouwt zij een theologische cultuurkritiek, die uitmondt in een weids visioen van heelheid, waaraan vrouwelijke waarden, zoals zorgzaamheid, existentiële solidariteit en spiritualiteit volgens haar een belangrijke bijdrage kunnen leveren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden