Review

'Catechismus der immoraliteit' hoopt op een nieuwe jeugd

Merijntje Gijzen was een begrip. West-Brabant was het land van Merijntje zoals Drenthe het land van Bartje was. Gedateerd? De boeken van de in de oorlog vermoorde socialist A.M. de Jong, die ooit miljoenen bereikten dwars door de levensbeschouwelijke zuilen heen, zijn opnieuw uitgegeven.

De vierdelige Merijntje Gijzen-cyclus van de socialistische volksauteur A.M. de Jong (1888-1943) is onlangs opnieuw uitgebracht. De Jong bereikte met zijn verhalen rond het wereldwijze, tobbende West-Brabantse misdienaartje Merijntje een miljoenenpubliek. Toen al óók onder protestanten voor wie al die brave bekeringsgeschiedenissen te saai waren.

De vier delen van de cyclus -'Het verraad' (1925), 'Flierefluiters oponthoud' (1926), 'Onnozele kinderen' (1927) en 'In de draaikolk' (1928)- plus de omnibus werden decennialang keer op keer herdrukt. De Merijntje-film uit 1936 en de door de Vara uitgezonden televisieserie uit 1974 waren eveneens een groot succes. De Jongs werk genoot ver buiten het socialistische volksdeel bekendheid. Na de watersnoodramp van 1953, tijdens een autorit naar Steenbergen, vroeg koningin Juliana aan de militair die haar begeleidde: ,,Kolonel, wij rijden nu toch door het land van Merijntje Gijzen?''

De populaire verhalen rond Merijntje vonden onder protestanten gretig aftrek. In juli 1928 schreef A.J. Drewes (1872-1939), hoofd van een Amsterdamse mulo-school, in het weekblad De School met den Bijbel over schoolmeisjes die hadden genoten van de 'vuiligheden' van Flierefluiter, een van de romanpersonages. Deze levenslustige, zorgeloze kerel met zijn losbandige seksuele moraal gedroeg zich in Drewes' ogen schandelijk: zo urineerde hij in het wijwaterbakje 'waarmee heer pastoor de geloovige schare besprenkelt'. Drewes vond het vreselijk dat de 'dametjes' zich niet geneerden voor deze verderfelijke boeken.

Protestantse pubers die zich in stadse openbare bibliotheken verdiepten in moderne, wereldse literatuur waren een bekend probleem. Ook Chr. Tazelaar (1891-1953), leraar Nederlands aan de christelijke hbs in Amsterdam, had in de stadsleeszaal met eigen ogen gezien ,,hoe de dames en heeren geheel op hun gemak in de de gerieflijke leeszaal zitten lezen; vader, moeder, directeur noch leeraar weten ervan''. Een anonieme leesenquête onder Haagse en Amsterdamse catechisatieleerlingen gaf hetzelfde beeld: kantoorbedienden, fabrieksjongens, ateliermeisjes en dienstboden lazen wat niet strookte met een degelijke protestants-christelijke opvoeding. De vaak zouteloze romans uit eigen kring, van uitgevers als Kok en Callenbach, werden nauwelijks ter hand genomen.

Vanuit protestantse hoek was er geen gebrek aan aandacht voor deze socialistische roman. Om ouders en andere opvoeders in te lichten over de gevaren van de Merijntje-cyclus publiceerde Tazelaar, zoon van een gereformeerde dominee, in Stemmen des Tijds, maandblad voor christendom en cultuur, een serie artikelen waarin hij De Jongs werk minutieus analyseerde.

Tegelijkertijd hield de lutherse predikant P. Stegenga Azn. (1882-1953) voordrachten waarin hij de pedagogische en psychologische kanten van de Merijntje-cyclus belichtte. Deze beschouwingen werden in 1928 gepubliceerd onder de titel De kinderziel, God en het leven. En in het literaire tijdschrift Opwaartsche Wegen legde de hervormde letterkundige P.H. Muller (1901-1964) de protestantse meetlat langs 'Merijntje Gijzens Jeugd'.

De mannenbroeders waren zeer te spreken over het literair-esthetische gehalte van De Jongs boeken. Muller noemde hem een 'geboren artist die, wat hij aanraakt, tot kunst verheft'. Tazelaar roemde 'de frischheid', de geestige stijl en de couleur locale. Bekend was dat De Jong, West-Brabander van geboorte, geput had uit zijn eigen kindertijdherinneringen en die van zijn vader, die het verhaal 'een ongemeene levendigheid en een verrassende psychologische zuiverheid' gaven.

Minder te spreken waren ze over het ruwe taalgebruik. Stegenga vond het jammer uitdrukkingen en straattaal te lezen 'die geen waarlijk beschaafd mens ooit gebruikt'. Toch vonden de heren het taalgebruik tegelijkertijd kostelijk: de grove humor voert de lezer binnen in het milieu van het rauwe Brabantse dorpsleven. Volgens de destijds heersende opvatting diende de kunst het 'echte leven' niet anders te tekenen dan het in werkelijkheid was. Maar van Stegenga mocht de kunstenaar aan bepaalde duistere en stuitende delen van het leven wel voorbijgaan: ,,Ik zou willen dat onze literaire kunstenaars het niet meer noodig vonden om te schrijven over viesheden, grofheden en over sexueele dingen.''

Het grote gevaar van Merijntje school in de levens- en wereldbeschouwing. De Jong had met een negatieve en 'scherp-kritische inslag' over religie geschreven. Deze socialist wist een schijn van objectiviteit te wekken, 'die zeer suggestief is en den lezer gereedelijk overtuigt van het dwaze' van het christendom. De Jong maakte als het ware propaganda voor het agnostisch denken: de oorzaak der dingen -God, het Absolute- is onbekend.

In de Merijntje-cyclus werd het christendom afgeschilderd als een religie met donkere, star-dogmatische ideeën, waarin 'eisch en plicht' de sleutelwoorden zijn. En door uitschakeling van het zonde-element was, aldus Tazelaar, in De Jongs visie God verantwoordelijk voor de daden van de mens. Deze door Flierefluiter belichaamde houding was niet meer dan 'een spinsel van eigen gedachten van den Auteur, dat met godsdienst, dienen van God, niets te maken heeft'. De Jong predikte een verfoeilijke sociale ethiek, waarin niet God maar de mens het middelpunt was.

In de ogen van Tazelaar en Muller waren De Jongs boeken een groot gevaar voor de jeugd. Zijn levensbeschouwing wakkerde 'geestelijke verwarring' aan en 'de grondslagen van het bestaande' werden erdoor ondermijnd. Voor 'de zwakke of de nog niet tot rijping van eigen denken gekomen jongere' was dit werk funest.

Predikant Stegenga daarentegen bleef vol lof. Opvoeders die van God een karikatuur maken, zoals de volwassenen in de boeken van De Jong, mishandelen de tere kinderziel. Een kind als Merijntje met de hel dreigen, noemde hij misdadig. Stegenga gaf een schrijnend voorbeeld uit zijn eigen predikantenpraktijk: ,,Een gereformeerde dame vertelde mij eens dat ze als kind de kans reeds zóó groot achtte dat ze eenmaal voor eeuwig verloren zou gaan, dat ze 's winters haar handjes heel dicht bij het vuur hield, om te zien of het nu zoo heel erg zeer deed. Zij wilde zich dus vast... aan de hel wennen.''

Stegenga stond alleen in zijn overtuiging dat De Jong 'in zijn paedagogische strekking geheel boven de partijen staat'. Het bijbelse liefdesgebod mocht dan wel centraal staan, het feit dat De Jong met zijn kritiek op het rooms-katholicisme meteen de gehele christelijke leer afwees, maakte zijn boeken volgens Muller en Tazelaar tot ongewenste lectuur.

Het negatieve oordeel uit de jaren twintig bleef lang hangen. In 1937 betitelde het populaire geïllustreerde gezinsweekblad De Spiegel de romans van De Jong nog als een 'catechismus der immoraliteit'. Maar ondanks de vele waarschuwingen bleef de Merijntje-cyclus geliefd onder protestantse jongeren. De socialistische volksauteur A.M. de Jong schreef nu eenmaal stukken beter, spannender en met meer hartstocht dan zijn protestants-christelijke collega's. Bekeringsgeschiedenissen en beschrijvingen van de brave christelijke burgerlijke deugdzaamheid bleven meestal ongelezen op de boekenplank. De waterdicht geachte calvinistische zuil was op bepaalde plaatsen al zo lek als een mandje.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden