Interview Carry Tefsen

Carry Tefsen: Ik ben geen troeteloma en ook geen oppasoma

Carry Tefsen Beeld Martijn Gijsbertsen

Voor de tv-serie rond Hendrik Groen was ze twaalf uur per dag van huis, nu zit ze even zonder werk. Maar als er iets leuks langskomt, zegt Carry Tefsen vast weer ‘ja’. Slot van een zesdelige interviewserie van Cisca Dresselhuys (1943) met generatiegenoten die in het middelpunt van de belangstelling stonden, maar het nu kalmer aan doen.

Het is wel even wennen: een kort zilvergrijs kapsel in plaats van de lange rode haren, die ze vrijwel haar hele leven heeft gehad. Voor haar rol in de tv-serie ‘Het geheime dagboek van Hendrik Groen’ moest het haar kort, grijs en saai. Die opnamen waren in september klaar, maar ze is nog steeds grijs, zij het inmiddels hip geknipt. “Ik ben er nog niet uit of ik het zo houd of er toch nog een rossig kleurtje doorheen gooi”, zegt Carry Tefsen (81). “Nog maar even aanzien.”

Op het ogenblik heeft ze geen werk en ook niets in het vooruitzicht. “Ik zit dus in een overgangsperiode, niet alleen met m’n haar, maar met m’n hele leven. Het is voor het eerst dat er geen nieuw werk op me ligt te wachten. Ik denk natuurlijk, zou er nog iets komen, maar op het ogenblik vind ik het wel even rustig zo.

“Eens kijken hoe het voelt en of ik misschien toch iets heel anders ga doen, bijvoorbeeld schrijven. Daar heb ik eigenlijk veel zin in, twee jaar geleden heb ik een boek over mezelf geschreven en dat is goed bevallen. Aan de andere kant, als er nu iemand met iets leuks op het gebied van film of televisie langskomt, zeg ik vast weer ‘ja’.”

Carry Tefsen (Amsterdam, 1938) werd opgeleid tot kleuterleidster, maar begon al snel als danseres in de Moulin Rouge in Amsterdam. Daarna werkte ze mee aan talloze theater- film- en tv-producties als ‘Wat een land, wat een land’ van Wim Kan, ‘De Man van La Mancha’, ‘Anatevka’, ‘De Jantjes’ van Beppie Nooy jr. ‘Dag, dag, heerlijke lach’ met André van Duin, ‘Wat zien ik’ en de tv-series ‘Zeg ‘ns Aaa’, ‘Vrouwenvleugel’, ‘’t Schaep met de 5 pooten’ en ‘Het geheime dagboek van Hendrik Groen’. Onlangs speelde ze de rol van de moeder van Willem Holleeder in de film ‘Judas’. Ze is vijftig jaar ongetrouwd samen met Ger Hinrichs (zoon van Beppie Nooy jr.), woont afwisselend in Amsterdam en Spanje, heeft drie kinderen, zeven kleinkinderen en twee achterkleinkinderen.

Is het nog niet genoeg op je 81ste ?

“Soms denk ik van wel, maar, zoals ik al zei, als ze met een aantrekkelijk aanbod komen, ga ik weer overstag. De rol in Hendrik Groen was wel wennen, want ik stapte in een al langer lopende serie met mensen die al een hele tijd met elkaar speelden. Ik was een nieuwe bewoonster van het bejaardenhuis, waar de club Omanido (Oud maar niet dood) het opneemt tegen de dominante directrice, die iedereen het liefst rustig in z’n eigen kamer ziet zitten.

“De opnames waren grotendeels in Amsterdam, met een driedaags uitstapje naar Frankrijk, omdat Omanido daar een reisje heen maakte. Het waren vaak lange dagen, ’s ochtends werd ik om zeven of acht uur van huis opgehaald en ik kwam ’s avonds om zeven uur thuis. Maar ik heb het enig gevonden, vooral het weerzien met André van Duin, die ik al lang ken, was fijn. Zowel hij als ik moest er goed op letten dat we ons spel klein hielden, rustig, niet op effect of de lach spelen, want dat paste hier totaal niet. We hebben ons allebei erg ingehouden, daar was de regisseur streng in, die riep voortdurend ‘klein’ tegen ons, net zoals ‘oud’ tegen hoofdrolspeler Kees Hulst, die soms veel te jeugdig opstond uit z’n stoel.”

Zit de drang tot doorwerken in je genen?

“Van moederskant zeker. Toen we na haar dood – ze werd 85 – haar huis opruimden, vonden we intekenlijsten tegen het afschieten van trekvogels in Italië en half afgebreide truien voor kinderen in de woestijn, en dat ondanks haar vergroeide vingers. Dus echt bezig tot aan het einde. Op haar 70ste werkte ze nog met kindermusicalclubjes en gaf ze pianoles. Mijn vader, leraar op een ambachtsschool, stopte op z’n 63ste. Die had het wel gezien met die brutale Amsterdamse jongens, van de spanningen in z’n werk had hij een maagkwaal gekregen. Maar eenmaal thuis ging hij in de kelder lekker hekjes, koperen lampen en andere mooie dingen met ingelegd glas maken.

“Mijn man Ger is allang gestopt met werken, hij was theatertechnicus en is anderhalf jaar jonger dan ik. Hij is een echte opa voor onze klein- en achterkleinkinderen, heerlijk vindt-ie dat. Ik ben geen troeteloma, ook geen oppasoma, maar ik geniet erg van de verjaardagen, die we samen vieren. En van alle verhalen die Ger me over hen vertelt.

“Ik doe tegenwoordig nog maar één ding per dag, anders houd ik het niet vol en als het even kan elke middag een dutje. Tegen de verwachtingen in heb ik m’n atelier en het schilderen opgegeven, terwijl ik altijd heb gezegd dat tot m’n dood te blijven doen. Maar de praktijk is nu toch anders. Om te schilderen heb je rust en veel tijd nodig, dat doe je niet zomaar even tussendoor. En omdat ik nog steeds acteerwerk had, kwam het schilderen er niet meer van.

“Trouwens, ik heb Ger ook nog en we doen veel en graag dingen samen. En dan ben ik rigoureus en zeg m’n atelier op. Misschien dat ik nog eens iets probeer in m’n werkkamer, ach, ik ziet het wel. Eén ding weet ik inmiddels goed: als je ouder wordt, moet je selecteren.”

De laatste jaren was je vooral bekend als opoe Withof uit ‘’t Schaep met de 5 pooten’. Die verscheen zelfs na haar dood nog.

“Ja, dat was een fijne tijd. Zo’n echte Amsterdamse serie met veel leuke liedjes erin. Toen ze me nog wilden hebben terwijl ik al overleden was, werd het een beetje raar. Ik verscheen als een soort engel, maar engelen zijn best saai. Toen was nog even de gedachte dat ik zou terugkomen als een zus van mezelf, maar dat is er niet meer van gekomen.

“Bovendien ging ik toen in de musical ‘Billy Elliot’ de oma van Billy spelen. Daarna ben ik voor omroep Max met een stel andere bekende ouderen naar Indonesië geweest, waar we onder andere bejaardenhuizen bezochten. Heel interessant. Ik vond het opvallend dat al die oude mensen zo aardig tegen ons waren, terwijl veel van hen toch echt slechte ervaringen met Nederlanders hadden gehad.”

Hoe zien de dagen eruit, nu je geen werk hebt?

“Thuis zitten nietsdoen, is niets voor mij, althans niet langer dan een dag. Dan word ik futloos en moet er echt iets gebeuren. Gelukkig kan ik dankzij twee nieuwe heupen prima lopen, dus dan is het: hup, naar buiten. We wonen in hartje Amsterdam, pal naast het Rembrandthuis, ik ben zo op de Nieuwmarkt. Gezellig een praatje maken bij de kaasboer, de haringkar en de groentekraam.

“Wat me trouwens opvalt, is dat de echte Amsterdamse types steeds schaarser worden. De mensen zijn tegenwoordig gehaast en vaak geïrriteerd en dan zijn er ook nog de hordes toeristen in mijn buurt. Nou ja, toch blijft Amsterdam mijn stad, ook al wonen we een paar maanden per jaar in Spanje. Maar als we ooit zouden moeten kiezen tussen Spanje en Amsterdam, is de keus snel gemaakt: Amsterdam.

“Omdat ik qua werk in een overgangsperiode zit, ben ik nog niet toe aan een eçhte keuze voor een nieuwe dagbesteding. Ik denk wel steeds vaker dat ik hoognodig moet gaan opruimen. Ik ben enorm bewaarderig en heb veel te veel spullen. Daar zadel je later je kinderen maar mee op. Af en toe sjouw ik tassen kleren naar mensen die in de theaterwereld werken, die kunnen altijd wel een en ander gebruiken. Zo heb ik een stel bontjassen weggedaan. Schande, maar ja, ik had ze nog van vroeger.”

Hoe bevalt het ouder worden ?

“Tja, het is niet anders. Toen ik tachtig werd, vond ik dat wel interessant, vooral omdat ik me helemaal nog niet echt oud voelde. Maar natuurlijk ben ik dat wél en functioneert het lijf steeds slechter. Maar zo lang dat nog te repareren valt, mag ik niet klagen. Ik heb twee kunstheupen, twee nieuwe ooglenzen en twee gehoorapparaten.

“Bij de opnames van Hendrik Groen heb ik die voor het eerst in gehad, dat was wel wennen, alsof je met je kop in een emmer zit, niet fijn. In een persoonlijk gesprek zoals wij nu hebben, doe ik ze niet in, dan versta ik alles wel, maar als het om een groepsgesprek gaat moet ik ze echt gebruiken, anders roep ik steeds:‘Wat zeg je?’”

Ben je erg bezig met je gezondheid?

“Af en toe denk ik, ik zou me eens helemaal binnenste buiten moeten laten keren, eens goed controleren of alles nog in orde is. Dan kom ik bij m’n huisarts, die zegt: laten we eerst maar eens beginnen met bloedprikken. Als die uitkomst dan goed is, denk ik, mooi zo, laat verder maar zitten. Een tijdje later, weer dezelfde opwelling, die dan leidt tot het inleveren van urine. Helemaal goed, zegt de dokter. En dan ben ik weer gerust.”

Kijk je vaak terug naar het verleden?

“Voor m’n boek heb ik dat gedaan, vooral op werkgebied, dat was leuk. Maar in m’n persoonlijke leven heb ik daar niet zo’n behoefte aan. Ik ben tweemaal gescheiden, beide keren was ik degene die het huwelijk opbrak. In 1970 voor de tweede keer, toen ik in ‘De Jantjes’ speelde, bij het Volkstoneel van Beppie Nooy. Haar zoon Ger was daar hoofd techniek en ik werd verliefd op hem.

“Spijt heb ik niet, het gaat in het leven zoals het gaat. Je maakt keuzes, waarvan je later denkt: misschien had ik het anders moeten doen. Maar dat heb je nu eenmaal niet gedaan, dus moet je gewoon de weg die je gekozen hebt, zo goed mogelijk bewandelen. Al met al heb ik echt een heel leuk leven gehad.”

Wat voor stel zijn Ger en jij ?

“Twee heel verschillende mensen, die inmiddels al bijna vijftig jaar bij elkaar zijn. Toen we pas samen waren, hebben we hevige strijd geleverd, we wilden allebei de baas spelen en keken totaal verschillend tegen het leven aan. Inmiddels zijn we aardig naar elkaar toegegroeid. Ik zeg weleens: Ger heeft een grote diepte, maar laat dat niet merken. Hij kan nogal rechtlijnig zijn, terwijl ik zeg: kijk er nou toch eens wat genuanceerder tegenaan.

“Ik ben veel opener dan hij, wat veel met onze jeugd te maken heeft. Die van mij was makkelijk, met lieve ouders, de Vrije School, alles kunstzinnig, mooi en idealistisch. Hij zat met scheidende ouders, hardwerkende theatermensen, waardoor hij tijdelijk in een soort weeshuis heeft gezeten. Zoiets werkt later flink door in het leven.

“Ger heeft een bepaalde levensangst en is erg bang voor de dood, ik niet. Hij heeft hartklachten, waarvoor hij pillen slikt, waarmee je volgens de dokter wel 100 kunt worden. Maar Ger blijft bang om plotseling iets te krijgen, daarom vindt hij het fijn als ik in de buurt ben. Ook hebben we hier thuis een defibrillator hangen, zo’n apparaat waarmee je iemand kunt reanimeren, waarvoor we een speciale cursus hebben gevolgd. Met dat ding in de buurt voelt hij zich safe, mooi toch ?

“Zelf ben ik niet bang voor de dood, als het maar niet zeer doet. Maar serieus, ik heb weleens verhalen gelezen van mensen die een bijna-doodervaring hebben gehad. Die vertellen allemaal ongeveer hetzelfde, namelijk dat het aan de overzijde zo mooi en fijn is, dat ze eigenlijk geen zin hadden om terug te stappen in het leven. Dat klonk heel geruststellend.”

Lees ook:

‘Er is gelukkig altijd nog vraag naar Bernard Wientjes’

Ouder worden, hoe doe je dat? Als hij niet op een woord kan komen, schrikt hij even. Maar over het geheel genomen is oud-VNO-NCW-voorman Bernard Wientjes kerngezond en nog volop aan het werk.

‘Ik ben heel wat minder leuk zonder camera in de buurt’

Martin Gaus heeft meer behoefte aan rust, maar zegt nooit nee als hij gebeld wordt door radio of tv. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden