Carmen is een zuipende, ordinaire paaldanseres

Carmen (Nadia Krasteva) ligt, achter Don José (Yonghoon Lee), uitgeteld in de arena. (FOTO MONIKA RITTERSHAUS) Beeld
Carmen (Nadia Krasteva) ligt, achter Don José (Yonghoon Lee), uitgeteld in de arena. (FOTO MONIKA RITTERSHAUS)

Zo waanzinnig goed als De Nederlandse Opera het seizoen begon, zo matig en gewoontjes is het einde ervan. Het niveau van die verzengende uitvoeringen van Strauss’ ’Die Frau ohne Schatten’ werd maandagavond bij de première van Bizets ’Carmen’ geen moment gehaald.

De dirigent van beide opera’s is toevallig dezelfde: Marc Albrecht, invallend voor Mariss Jansons en in de tussentijd benoemd tot chef-dirigent van DNO én het Nederlands Philharmonisch Orkest. Maar Albrecht valt dit ’Carmen’-echecje niet te verwijten.

Integendeel. De muzikale ondersteuning door het Concertgebouworkest kreeg onder Albrechts leiding subtiele gradaties, eigenzinnige verfijningen, en waar nodig bloedrode passie. De begeleiding van Carmens Séguedille was een lucide hoogtepunt in tempovoering, ritme en frasering. In het opzwepende Chanson bohème hield Albrecht de boel nét in het gareel, maar je zag hoe geroutineerd en alert hij de boel onder elkaar kreeg.

De fijnzinnigheden in de bak klonken evenwel als paarlen voor de zwijnen. Want op de met zand volgestorte bühne heerste platvloersheid in gebaar, en – erger nog – vaak ook in geluid. De Canadese regisseur Robert Carsen heeft wat mij betreft nog nooit één ondermaatse enscenering afgeleverd, maar deze ’Carmen’ was de eerste. Bij mijn weten kwamen al Carsens geniale producties – en dat zijn er vele – tot stand in nauwe samenwerking met zijn vaste dramaturg Ian Burton. Burton was er deze keer niet bij, en met hem verdween alle genialiteit van vroeger.

Carsens Carmen is niet meer dan een zuipende, ordinaire paaldanseres. Een eendimensionaal personage dat zich geen moment ontwikkelt en de hele tijd met haar hoge hakken in het zand de snol loopt te spelen. Het moet gezegd: de stem van de Bulgaarse Nadia Krasteva past geweldig bij die typering. De stem is vol, maar ook grof, met lelijke breuken in de registers. Ook vocaal mist deze turbo-Carmen elke allure en blijft ze zo plat als een dubbeltje. Carsens slotakte met vijfhonderd figuranten als arenabezoekers ziet er spectaculair uit, maar de bedoeling achter al die mensen ontging mij. En dat Carmen, als een opgejaagd dier het leven laat in de piste, dat hebben we ook al eerder en beter gezien. Het slotbeeld was geen dwingend gevolg van het voorafgaande en miste elke logische noodzaak.

Bij ’Carmen’ is men tegenwoordig roomser dan de paus en gaat men terug naar Bizets oorspronkelijke gesproken dialogen. Gedoemd tot mislukken met een Bulgaarse, een Koreaan, een Oostenrijkse en een Amerikaan in de hoofdrollen. Krasteva’s uitspraak van het Franse superflus klonk als het Engelse super flu; wel actueel met de Mexicaanse griep. En Yonghoon Lee (Don José) werd pas geloofwaardig als hij mocht zingen.

Maar dan stond er ook wel een fantastische zanger. Een inkervende, ontroerende persoonlijkheid met prachtige halftonen in een briljante tenorstem. Lee, en de eveneens wonderschoon zingende Genia Kühmeier (Micaëla) waren, samen met orkest en het zinderende koor, de echte sterren van deze helaas zo halfslachtige avond.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden