Campert en Campert geven een kijkje in de literaire voorraadkamer

Schrijver Remco CampertBeeld ANP

Poëzie, verhalen en columns van Jan en Remco Campert tonen vader en zoon als twee zeer verschillende auteurs

Vreemd genoeg was het er niet eerder van gekomen: een boek waarin vader Jan en zoon Remco Campert samen optreden. Maar nu, om “een eeuw schrijverschap binnen dezelfde familie” te vieren, verschijnt dan ‘Campert & Campert’. Het is een ietwat schots en scheef maar daardoor ook afwisselend product geworden, met de ouderwetse gedichten en prozastukjes van Jan Campert, de heerlijke, hedendaagse columns van Remco Campert en in het midden Jans gedicht ‘De achttien dooden’ naast de vroegste pennevruchten van Remco. Een handjevol puncties uit een eeuw Nederlandse letteren.

De prozastukken van Jan Campert, vooral recensies van andermans proza, waren mij totaal onbekend. Ze laten vooral zien hoe de literatuurkritiek in de loop der decennia is veranderd. Eigenlijk zonder veel argumenten gispt en prijst de vooroorlogse criticus. Een extreem voorbeeld is het stukje dat Jan Campert over Ed. de Nève’s roman ‘Schuwe vogels’ (1937) schreef: “Waarlijk men kan van een roman als deze ‘Schuwe vogels’ met den besten wil ter wereld niets goeds zeggen. Een grauwe, levenlooze historie van de liefde van twee mannen en een vrouw. Oppervlakkig geschreven, psychologisch zonder eenige diepgang. Geen oogenblik heeft men het gevoel dat dit boek geschreven moest worden.” Exit De Nève. En zo passeren er in dit rijk der vergetelheid andere schrijvers, zoals Ben van Eysselsteyn, François Pauwels, Simon Koster, Herman Besselaar: ooit schreven ze en werden ze besproken, realiseer je je. En Gerrit Achterberg wordt door Campert sr. nota bene een enigszins overschat dichter genoemd. Dat kon toen ook nog.

Jan Camperts eigen poëzie past dan weer geheel in de vooroorlogse school, die is gedragen en traditioneel: “Soms brengt een enkel uur het zeker weten / wat tusschen hen werd omgebracht, - / hij dacht dat in der jaren wilde jacht / die oude pijn al was vergeten.” Hoogtepunt is natuurlijk het geuzenlied ‘De achttien dooden’, maar dat is ook een uitzondering in zijn oeuvre, dit aangrijpende gelegenheidsgedicht waarmee Jan Campert zijn naam in de Nederlandse letteren vestigde.

De grote afwezige

Jan Campert, eigenlijk een grote afwezige in het leven van zijn zoon (toen die drie was scheidde Campert sr. van zijn vrouw), komt veel voor in Remco’s columns en gedichten, als vroeggestorven held, schuinsmarcheerder, mysterieuze vader. Maar over zijn - later ietwat dubieus gebleken - rol in de oorlog heeft Remco Campert zich nooit beslissend uitgelaten, en zo houdt hij in zekere zin het raadsel Jan Campert intact, van een vader die er eerst niet was en vervolgens voortijdig stierf (in concentratiekamp Neuengamme). En eigenlijk vind ik dat wel mooi. Zo houdt Jan Campert iets zwevends, iets wat je niet kunt betrappen. Dit in tegenstelling tot zijn zoon, die zich zo goed laat kennen in zijn proza en poëzie. Vooral ook in de late columns, geschreven voor Elsevier onder de titel ‘Dagelijksheden’, over allerlei klein geluk, thuis, op straat, scrabbelend met zijn vrouw, denkend aan oude vrienden. Alles gevoelig en zelfrelativerend: “Een groot denker kun je mij niet noemen. Het is alsof ik [gedachten] als nodeloos oponthoud zie, alsof ik er geen tijd voor heb. Ze verdwijnen in het niets, als sigarettenrook.” Maar wel die niet-aflatende zin om te formuleren, te schrijven: “Ik ben een woordenpatiënt. Ik lijd aan woordenkoorts”.

Hoogtepunt van dit boekje zijn wel de stukjes ‘Triomfen der techniek’ en ‘Fabeltjes vertellen’, die Remco Campert in de jaren vijftig voor Elseviers weekblad schreef en die ik niet kende. Korte stukjes die een teloorgegaan soort humor hebben, die doen denken aan de absurde verhalen van Leonhard Huizinga. Dit is een even onbekende als onbezorgde Campert jr., voorloper van de latere columnist, zoals in dit verhaaltje over de ijskast, toentertijd een nieuw welvaartssymbool: “De ijskast is een onsympathiek koud massaproduct. Ik praat liever over iets anders. Over wat er gebeurt indien u iemand over de telefoon wilt spreken en u draait een verkeerd nummer, of het fabeltje over het musje: ‘Er was eens een musje dat mislukt was’ en dat een zwaan wordt. Moraal: Wat Hans Andersen kon, kan ik ook.”

Twee totaal verschillende schrijvers, Campert & Campert, en juist daarom is dit zo’n leuk gelegenheidsboek, het slingert je van het een naar het ander, van ernst naar weemoed naar lichtheid. Alsof je in de voorraadkamer van de literatuur mag snuffelen.

Beeld RV

Jan en Remco Campert
Campert & Campert
De Bezige Bij;
240 blz. € 19,99

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden