Column

Californië leert Washington een lesje over het (politieke) klimaat

Een windpark en zonnecollectoren in de Amerikaanse staat Californië.Beeld EPA

Terwijl in Washington de strijd rond Obamacare hoog opliep, werden in Californië zaken gedaan.

In de Amerikaanse hoofdstad zijn de Republikeinen krap in de meerderheid in het Congres. Ze gebruiken die om beleid te maken zonder veel inbreng van de Democraten. In de grootste Amerikaanse staat (naar bevolking en economische productie) zijn de Democraten ruim in de meerderheid en kwamen ze eerder deze maand tot een akkoord met de Republikeinse minderheid over een onderwerp dat in Washington ook al helemaal vastzit: klimaatbeleid.

In Californië is de uitstoot van broeikasgassen beperkt op dezelfde manier als in Europa: er is een plafond, bedrijven kunnen vergunningen voor uitstoot verhandelen. Het werkt: Californië heeft zijn klimaatdoel (de uitstoot in 2020 op het niveau van 1990 krijgen) al bijna bereikt. Maar de wetgeving loopt in 2020 af, en dat terwijl er juist nog veel meer moet gebeuren, vindt de Democratische gouverneur Jerry Brown. Zeker nu president Donald Trump het klimaatakkoord van Parijs in de prullenbak heeft gegooid.

Brown kwam daarom met een nieuwe wet, die het systeem zeker tot 2030 laat doorlopen en de uitstoot nog een keer bijna moet halveren: 40 procent onder het niveau van 1990. Maar net zoals de Republikeinen in Washington ondanks hun meerderheid niet zomaar elke wet kunnen aannemen, en bijvoorbeeld niet het nieuwe zorgstelsel konden doordrukken dat hen voor ogen stond, zo kon Brown niet zomaar een nieuwe klimaatwet laten aannemen. Ook volgens de regels van het parlement van Californië heb je vaak een 'supermeerderheid' nodig, van tweederde.

Compromispolitiek

In theorie hebben de Democraten die supermeerderheid, maar in die partij waren er ook enkele tegenstanders en dat betekende dus: medewerking zien te krijgen van een handvol Republikeinen.

Dat kreeg Brown voor elkaar, in wat de Los Angeles Times een schoolvoorbeeld van compromispolitiek noemde, waard om in het Witte Huis te worden bestudeerd.

Voor een deel was zijn aanpak de klassieke koehandel die je in de Amerikaanse politiek overal tegenkomt. Om de lobby van oliemaatschappijen tegemoet te komen, werd in de regelgeving speciaal rekening gehouden met de belangen van raffinaderijen. Het was voor een aantal milieugroepen reden zich tegen de wet te keren.

Maar er was ook een groot verschil met hoe de Republikeinen het deden in Washington: Brown toonde respect voor de minderheid. Dat deed hij door in de wet een garantie in te bouwen dat de Republikeinen ook in de toekomst invloed zullen hebben op het klimaatbeleid. Hoewel het normaal gesproken niet nodig is om over het uitgeven van geld met een supermeerderheid te beslissen, regelt de wet dat dit in 2024 wel moet gebeuren met het geld dat de staat binnenkrijgt door het verkopen van uitstootvergunningen. Niemand weet hoe de krachtsverhoudingen en de politieke verhoudingen dan zullen liggen, maar er is een goede kans dat de Republikeinen kunnen meebeslissen, wat de Democraten van over zeven jaar er ook van zullen vinden.

Lobby

Helemaal volgens de Amerikaanse gewoonten weer werd er door Brown ook hardball gespeeld: de industrie- en landbouwlobby werd duidelijk gemaakt dat wanneer ze zijn klimaatbeleid dwars zouden zitten, hij hen daarna op allerlei manieren zou terugpakken. Dat probeerde Donald Trump de afgelopen week ook in de discussie over Obamacare, tegen een aantal senatoren. Bijvoorbeeld tegen Lisa Murkowski uit Alaska, die het dreigement kreeg dat een aantal mooie projecten voor die staat niet zou doorgaan tenzij ze zich gedwee bij de meerderheid voegde. Alleen had het in dat geval niet het gewenste resultaat. Kennelijk heeft de oude rot Brown in Californië meer gezag dan de politieke nieuweling en brekebeen Trump.

En dan was er nog een aspect in Californië waarbij je je ogen uitwrijft als je een paar jaar over de politiek in Washington hebt geschreven: politici die in alle rust durven uit te leggen dat er belangrijkere dingen zijn dan partijtrouw.

Voorverkiezing

In Washington zorgden vrijdag drie Republikeinse senatoren er voor dat de afbraak van Obamacare door de Republikeinen niet doorging, maar dat is nog iets anders dan dat die drie stemden voor een Democratisch voorstel om Obamacare te verbeteren. Dat zou pas echt nieuws zijn. In de Californische hoofdstad zei een Republikeinse afgevaardigde, Chad Mayes: "We zijn hier niet alleen maar naar Sacramento gekomen om Democraten te gaan zitten haten."

Die durf heeft een persoonlijke kant, maar ook een structurele: in Californië hoeft een afgevaardigde of senator niet, zoals in de meeste andere staten, eerst een voorverkiezing onder partijgenoten te winnen. Dat leidt er in die andere staten toe dat uiteindelijk tamelijk extreme vertegenwoordigers van Democraten en Republikeinen het tegen elkaar opnemen – en de winnaar van die strijd zal in het parlement weinig geneigd zijn compromissen te sluiten, uit angst bij de volgende voorverkiezingen te worden verslagen door een nog extremere concurrent.

In Californië is de 'open voorverkiezing' ingevoerd: zowel Democratische als Republikeinse kiezers stemmen in die voorverkiezing en de twee die de meeste stemmen krijgen, komen in de eigenlijke verkiezing tegen elkaar uit. De hoop was dat dit zou leiden tot meer nuance in de politiek. Het lijkt geholpen te hebben. En dat is iets wat heel Amerika dringend zou moeten leren van Californië.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden