Cabaret verlangt terug naar een God

Freek de Jonge tijdens een optreden in Rotterdam waarbij hij een nummer van zijn nieuwe studioalbum 'Van A naar Z' zingt. ( FOTO ROBIN UTRECHT, ANP) Beeld
Freek de Jonge tijdens een optreden in Rotterdam waarbij hij een nummer van zijn nieuwe studioalbum 'Van A naar Z' zingt. ( FOTO ROBIN UTRECHT, ANP)

Cabaretiers voelen de tijdgeest over God en religie haarfijn aan. Werd het Opperwezen in de jaren zestig nog bijna dood verklaard, nu is de positieve God terug op het podium.

Hij bracht het in februari naar voren in zijn Anton de Kom-lezing en hij laat het doorklinken in zijn nieuwe liedjesprogramma ’Van A naar Z’: er is geen oriëntatie meer, we zijn richtingloos. Freek de Jonge is een cabaretier die zijn verlangen naar zingeving en idealisme nooit heeft verbloemd, maar nieuw lijkt dat hij ook steeds duidelijker een rol ziet weggelegd voor traditionele religies. Zoals hij zingt in het lied ’Reikhalzend verlangen’: ’Moslim, christen, heiden. Toe, trek je uit het moeras. Van ontmoediging en falen. Herrijs uit eigen as. Herijk je idealen.’

„Waar Freek naar terugverlangt”, zegt cabaretkenner Kick van der Veer, „is dat ons bestaan ergens toe dient. Toen we nog in God geloofden, had het leven volgens hem diepgang. Hij wil die God eigenlijk terug, terwijl hij aan de andere kant weet dat hij er, rationeel gezien, niet meer in kan geloven.”

Of, zoals De Jonge het zelf verwoordt in zijn show ’De laatste lach’: „We namen de verantwoordelijkheid om zelf ons lijden vorm te geven. We hadden God niet nodig. Voorlopig heeft dat geresulteerd in de vestiging van een stuk of tien holocaustmusea in de wereld.”

Mét God waren we toch beter af dan zonder, stelt ook Brigitte Kaandorp zonder omwegen in haar laatste theaterprogramma ’Zó’. Met het verdwijnen van God uit het menselijk bewustzijn is volgens haar ook de naastenliefde op losse schroeven komen te staan. Ervoor in de plaats zijn voorzorgsmaatregelen gekomen: detectiepoortjes, buurtwachten, surveillancecamera’s. En wie ondanks al die maatregelen toch nog door tegenslag wordt overvallen, mag niet meer berusten in zijn lot, maar krijgt te horen: ’Eigen schuld, dikke bult’.

Herman Finkers gaat in zijn laatste theaterprogramma ’Na de pauze’ nog verder. Hij opent zijn conference met psalm 131, een regelrechte geloofsbelijdenis.

Het positief spreken over God op het podium is nieuw, al was God tegelijkertijd sinds de jaren zestig een geregeld weerkerende figuur in cabaretteksten. Juist vanaf die periode, waarin het onwrikbare geloof in God ging wankelen, durven cabaretiers openlijk over Hem te spreken. Een rol speelt daarbij ook dat de nieuwe cabaretiers van die tijd niet zelden domineeskinderen waren: Seth Gaaikema, Freek de Jonge, Liselore Gerritsen.

Net als hun ouders hebben zij een boodschap, maar het is er vooral een met veel vraagtekens. Zoals Freek de Jonge in ’Noach en God’. ’Niet alleen in de droom (geloof ik), ook een beetje in U. Hoho, zegt God, hou Mij er buiten. Als men in Mij gaat geloven, daar komt alleen maar narigheid van.’ Of Seth Gaaikema in ’Twijfelen’: ’Heer, ik kom hier om te twijfelen. Twijfelen of ik U hoor. Maar in de tale Kanaüns komt U soms moeilijk door.’

Kick van der Veer stelde in 1997 ter gelegenheid van de aan God gewijde Boekenweek een bloemlezing samen onder de titel ’Is God thuis?’, over cabaretiers en het Opperwezen. Daaruit blijkt dat er bijna geen cabaretier is geweest die het niet over God heeft gehad.

Opvallend is dat de meeste cabaretiers uit ’Is God thuis?’ het Opperwezen niet echt dood hebben verklaard. Herman van Veen zou weliswaar graag willen dat God zichzelf ten grave droeg, maar uit zijn gebed ’Als God bestaat’ blijkt dat de kleinkunstenaar verstrikt raakt in een onoplosbare paradox. Hij vraagt namelijk aan God te bewijzen dat Hij niet bestaat (’U bevrijdt ons daarmee van een geweldige hoop narigheid’).

Adèle Bloemendaal en Gerard Cox proberen God te doden in ’Een engel in Brandpunt’. De aartsengel Gabriel (Bloemendaal) komt aan ’Brandpunt’-redacteur Frits van der Poel (Cox) verkondigen dat God gestorven is, maar de pointe van hun conference is toch niet zozeer dat overlijden als wel de taaiheid van christelijke instituties: God of geen God, de KVP, de rooms-katholieke kerk en de KRO zullen eeuwig blijven voortbestaan. Om Van der Poel te citeren: „De KRO is een zaak die God niet aangaat, maar uitsluitend en alleen Hans van Willigenburg.”

De irritatie van de meeste cabaretiers wordt niet zozeer opgewekt door een mogelijk Opperwezen zelf als wel door Zijn grondpersoneel. Zoals Fons Jansen in ’Aforismen’: ’Als de paus op zijn volgende reis nu eens een gehoorapparaat meenam in plaats van een microfoon’. Wim Sonneveld drijft in ’Frater Venantius’ op milde toon de spot met de clerus, Toon Hermans verwondert zich vooral over het Onuitsprekelijke en Herman Finkers pakt het Omroeppastoraat: ’Ik vroeg na een maand: Zeg, wat krijg ik er eigenlijk voor dat ik hier de hele dag bij de telefoon zit. Toen zeiden ze mij: Moge door dit werk Gods zegen over u komen. Ik zei: U hebt het echt niet kleiner?’

Zo mild als de ironie is van deze katholieke cabaretiers zo brisant de woede van de streng protestants opgevoede Robert Long. In ’Jezus redt’ klaagt hij tweeduizend jaar christendom aan, het geloof dat ’ieder mens het recht ontnam om zo te leven als hij dacht dat goed was’. Wie deze tekst decennia na dato met nieuwe ogen probeert te lezen en het scherpe contrast waarneemt tussen de venijnige, kerkvijandige strofes en het bij nader inzien kinderlijk lieve refrein (’Jezus redt, Jezus redt. Alle mensen opgelet. Jezus redt, Jezus redt. Enkel door ’t gebed’), zou heel goed tot de conclusie kunnen komen dat Long weliswaar een bloedhekel had aan de kerk, maar misschien niet aan God.

Dat klemt temeer als je Longs lied ’Die van mij’ beluistert: ’Maar die van mij is warm en levend. Er is nog nooit een kathedraal voor hem gebouwd. Want dat belemmert hem te veel. En hij wil ook geen personeel (). Hij zegt: ik ben er absoluut voor jou alleen. En als je fouten maakt, bedenk dan ook meteen: Als jij de zwakke bent, zal ik de sterke wezen.’

Een ontroerend vers, waarin God, zoals steeds gebruikelijker na de jaren zestig, geheel wordt losgemaakt uit de kerkelijke en christelijke traditie: Hij is er voor jou alleen. Zoals ook Guus Vleugel zich in ’God is niet dood’ een privé-godje schept: ’Ik dans met God zo goddelijk de tango. En dat alleen stemt mij tevreden met mijn lot.’

Cabaretiers sluiten in hun teksten over God naadloos aan bij de tijdgeest. De hoop die tijdens het Tweede Vaticaanse concilie (1962-1965) onder gelovigen ontstaat, dendert na in Seth Gaaikema’s lied ’Johannes XXIII’: ’Had me nog een paar jaar gegeven, zei paus Johannes tot de Heer. Had me nog een paar jaar gegeven en U kent Uw Kerk niet meer.’

Na 11 september 2001 krijgen de cabaretiers er een onderwerp bij: Alllah. Theo Maassen, Youp van ’t Hek, Hans Teeuwen en André Manuel, allen spreken over Hem en, in navolging van de tijdsgeest, meestal niet erg positief. Manuel over zijn dochter die met een zwarte moslim is thuisgekomen: ’Mijn gristelijke meisje, zo keurig en beleefd. Straks moet ik haar vragen of ze haar klitje nog wel heeft.’

Nu de kerk naar de marge van de samenleving is verdrongen, en veel mensen in de existentiële leegte van de seculiere maatschappij worden beslopen door een spiritueel heimwee, weerspiegelen cabaretiers ook dat tijdsgevoel weer feilloos. Freek de Jonge spreekt in zijn nieuwe liedjesprogramma over de Hof van Eden, die we hebben verwoest: ’De ganse schepping wacht. Met reikhalzend verlangen.’ Van der Veer: „Freek ziet het lijden van een maatschappij zonder God, de verharding, de ongenuanceerdheid, het niet kunnen omgaan met lijden. Hij heeft altijd met twijfel, maar nooit zonder respect over God en Jezus gesproken, maar naarmate hij ouder wordt, zie je dat zijn verlangen groter wordt.”

Brigitte Kaandorp, die sinds haar nieuwe liefde (’een grote blote man’) geregeld naar de protestantse kerk gaat en voor de kerk trouwde, gaat een stap verder. Zij beschrijft niet alleen haar verlangen naar God, ze gelooft zelfs dat Hij bestaat. ’Ik gun God het voordeel van de twijfel’, zegt ze in ’Zó’. ’Gaan we God doorstrepen, dan zijn we helemaal los.’

Herman Finkers zet de laatste stap. Hij plaatst God in ’Na de pauze’ terug in de christelijke traditie. ’De kapelaan kwam in de klas en zei: er is maar één God en Hij bestaat uit drie personen. Ik dacht, Goddank, eindelijk iemand met wie je een fatsoenlijk gesprek kunt voeren.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden