Burger is geen scheldwoord meer

In het Filosofisch Elftal analyseren twee denkers om de week een actuele kwestie. Deze week: Burgerschapskunde blijkt in de praktijk een lastige opgave voor scholen. De filosofen weten raad.

Burgerschapskunde is een verplicht, maar uiterst onduidelijk vak. De Onderwijsraad stelde deze week in een rapport dat scholen weliswaar het belang van training in burgerschap onderkennen, maar zich veelal geen raad weten met de invulling ervan. Onderwijsadviseur Mirjam Stroetinga zei in Trouw: "Scholen vinden 'burgerschap' vaak een ongrijpbare term."

Waar zou het bij burgerschapskunde om moeten draaien?

Bart Jan Spruyt, historicus en conservatief publicist: "Ik begrijp werkelijk niet wat daar onduidelijk aan kan zijn. Drie jaar geleden kreeg ik een uitnodiging van een school. Die school belegde een werkweek over burgerschapskunde. Ik heb daar een lezing gehouden. Na afloop ontstond er een levendige discussie. Toen dacht ik: dit is eigenlijk veel leuker en belangrijker dan theoretisch onderzoek naar deze thema's, waar ik me tot dan toe vooral mee bezig hield. Niet lang daarna bleek ik terecht te kunnen als docent geschiedenis en maatschappijleer op mijn eigen oude middelbare school, het Wartburg College in Rotterdam.

"Ik kan nu uit ervaring zeggen: burgerschapskunde is niet alleen hard nodig, maar laat zich ook uitstekend inpassen in het bestaande curriculum op de middelbare school. Van basisonderwijs weet ik minder, maar daarvoor geldt vermoedelijk hetzelfde.

"Een van de eerste vragen die ik mijn leerlingen voorleg: hoe komt het dat het woord 'burger' in mijn jeugd een scheldwoord was, een belediging, het laatste wat je wilde zijn, terwijl het nu een eretitel is - iets om naar te streven, ook van overheidswege voorgeschreven en gestimuleerd? Dan hebben we meteen de eerste discussie. Conclusie: de afgelopen tien jaar hebben we herontdekt dat het belangrijk is om te beseffen dat we iets met elkaar delen. In de Paarse jaren was dat besef ondergesneeuwd en verwaarloosd. Maar nu is het terug: we delen een Grondwet, een parlementair stelsel, de democratie. Dát is waar het bij burgerschapskunde over moet gaan."

Marli Huijer, filosoof aan de Erasmus Universiteit Rotterdam: "In de verzuilde samenleving leefde ieder in zijn eigen homogene koker, katholieken hoefden alleen maar met katholieken om te gaan, humanisten met humanisten. Gemeenschapszin was weliswaar nog alomtegenwoordig, maar de oriëntatie op de wereld behoorlijk eenkennig. Dat is nu geen optie meer, in een multiculturele en geïndividualiseerde samenleving móet je wel met andersdenkenden kunnen omgaan, en met mensen uit verschillende sociale klassen.

"Als we toekomstige volwassenen willen voorbereiden op die pluriforme samenleving, is het wel belangrijk dat het niet blijft bij kennis alleen. Het gaat ook om vaardigheden. Als een leerling volgestopt is met staatkundige kennis, wil dat totaal niet zeggen dat hij ook geleerd heeft wat het betekent om actief burger te zijn. Burgerschap moet je oefenen."

Spruyt: "Zoals ik het vak opvat gaat het zowel om kennis als om vaardigheden. Ik wil de leerlingen bewust maken van hun democratische rechten en plichten. En ik vraag ze om hun eigen politieke positie te verwoorden, in korte essays. Als docent burgerschapskunde word je voortdurend op je wenken bediend door de actualiteit. Wie is Roemer, wie is Rutte, wie is mevrouw Thieme? Waar staan ze voor?

"Ik begin bij de basis: de Grondwet. Als ik in de klas vraag of iemand de Grondwet uit de mediatheek wil halen, vragen ze: hebt u voor ons een kruiwagen dan? Vervolgens krijgen ze van mij allemaal een kopietje van de Grondwet. Ze kijken hun ogen uit, ze gaan inzien dat ze zich kunnen beroepen op rechten en vrijheden waar eeuwen voor gestreden is."

Huijer: "En hoe maak je dat concreet? Het zou kunnen helpen om bij de discussies socratische technieken toe te passen, dat doe ik ook vaak bij mijn studenten. Bijvoorbeeld: voordat je op iemand wilt reageren, moet je eerst samenvatten wat de vorige spreker zei. Je moet het standpunt van je vijand kunnen verwoorden alsof het dat van je vriend is. Goed burgerschap betekent niet: een mening hebben die door Maurice de Hond gepeild kan worden. Goed burgerschap hangt samen met het vermogen om zich in anderen te verplaatsen, interesse te hebben in alles wat afwijkt van jezelf.

"De Amerikaanse filosoof Martha Nussbaum onderstreept het belang daarvan in haar boek 'Niet voor de winst': leer kinderen het gezichtspunt van anderen in te nemen. Ontwikkel bij hen de vaardigheid om betrokken te zijn bij anderen, zowel dicht bij huis als ver weg. Stimuleer kritisch denken en moedig hen aan om een afwijkende mening te durven uitspreken. Breng hen bij hoe ze rekenschap kunnen afleggen van wat ze doen.

"De 'sluier van onwetendheid', een beeld van een andere Amerikaanse filosoof, John Rawls, zou ook bruikbaar kunnen zijn als methode. Rawls stelt voor om een groep mensen over de maatschappij na te laten denken alsof ze allemaal geblinddoekt zijn. Niemand kent in die hypothetische situatie de maatschappelijke positie van zichzelf of elkaar. Ben je arm, rijk, man, vrouw, talentvol, kansarm? Niet bekend. Als je vanuit die positie gaat nadenken en discussiëren over bijvoorbeeld rechtvaardigheid, onderwijs of zorg, dan leer je verder te kijken dan je eigen belang. En dat is de kern van burgerschap."

Spruyt: "Speciale debatvormen kunnen in de klas tot mooie dingen leiden. Een leerling die normaal gesproken makkelijk oneliners het lokaal in slingert, krijgt het extra moeilijk als hij een bepaalde rol krijgt in een politiek spel. Als hij moet verdragen dat een andere groep met gedegen argumenten tegen zijn gekopieerde retoriek ingaat. Juist degenen die doorgaans wat terughoudender zijn, komen dan met een verbazingwekkende kracht tevoorschijn.

"Iemand zei laatst: je houdt je hart vast voor wat die kinderen allemaal uitkramen; dom, rabiaat, slecht geïnformeerd. Maar dat maakt de uitdaging des te groter om als docent een minimale hoeveelheid kennis over te dragen en ze bepaalde vaardigheden bij te brengen.

"Ik zeg ze: als je straks 18 bent, mag je gaan stemmen. Welke partij het wordt maakt mij niet uit, maar je moet er wel verstand van hebben. Weten waar het vandaan komt. Waarom je dat recht hebt. En hoe groot dat voorrecht is. Je moet kennis van zaken hebben, ook om weerbaar te zijn - wordt er niet met mij gesold door de overheid? Al ben jij niet in de politiek geïnteresseerd, de politiek is wel geïnteresseerd in jou."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden