Buitenlandse arts heeft geen baat bij artsentekort/'Medisch Nederland heeft geen argwaan, maar is onwetend'

Oogarts Evelize Souza Aragao (41) zucht als haar gevraagd wordt hoe het was om toestemming te krijgen om als medicus in Nederland te werken. “Ik ben nog moe van al het gedoe. Ik wist niet dat het zo moeilijk zou zijn.”

MARIANO SLUTZKY

Toen ze in 1994 met haar Nederlandse echtgenoot uit Brazilië naar Nederland verhuisde, wilde ze niets liever dan haar loopbaan voortzetten. Ze volgde in Rotterdam een cursus Nederlands, en na een jaar al had het ministerie van VWS haar diploma's erkend.

“Pas toen begonnen de problemen. Voordat ik van de specialisten registratie-commissie zelfstandig mocht werken, moest ik twee jaar ervaring opdoen in een academisch ziekenhuis. Daarvoor is toestemming van de beroepsorganisatie van oogartsen nodig. Maar die had besloten geen toestemming te geven aan oogartsen van buiten de Europese Unie. Dat was een behoorlijke tegenvaller”, zegt ze nog boos.

“Vervolgens zocht ik een alternatief: een jaar supervisie doen bij een huisartsenpraktijk. Ik observeerde en was aanwezig bij het consult. Inmiddels ben ik aan m'n tweede jaar begonnen; sinds een maand behandel ik zelfstandig patiënten.”

“Of dit allemaal de moeite waard was? Als het aan mij lag was ik teruggegaan naar Brazilië, maar mijn man wilde hier blijven. De grootste tegenvaller vond ik de houding van mijn Nederlandse collega's. Met de patiënten heb ik een uitstekend contact; ze raken snel vertrouwd met hun arts, ook als die uit het buitenland komt.”

Lange weg

Niet alle artsen van buiten West-Europa houden het net als Evelize Souza Aragao vol om de lange weg te gaan die ze moeten afleggen voor ze in Nederland hun vak mogen uitoefenen. Volgens de vakorganisatie van medici, de KNMG, zijn er vorig jaar 53 medisch specialisten en 42 huisartsen erkend van binnen de Europese Unie en slechts 13 specialisten en twee huisartsen van daarbuiten. De meeste medici van buiten de EU moeten een langdurige stage volgen of, in het ergste geval, hun hele opleiding over doen. En dan is er ook nog weinig bereidheid van Nederlandse artsen om stageplaatsen aan te bieden.

“Het is paradoxaal dat er grote vraag is naar medici, terwijl nieuwkomers met een medische opleiding en ervaring aan de kant blijven staan. In plaats van paniek-reacties zoals het aantrekken van Poolse verplegers zou men zich moeten richten op hier wonende buitenlandse vakgenoten. GGD's zouden de schat aan kennis over tropische ziektes die deze medici meebrengen uitstekend kunnen gebruiken”, zegt Patricia Beversluis, directeur van de Stichting interculturele bedrijfsaspecten en intercultureel ondernemerschap (Sibio).

Haar stichting ondersteunt hoogopgeleide allochtonen en begon drie jaar geleden het project Buitenlandse artsen. Beversluis: “Buitenlandse medici moeten toestemming van het ministerie hebben om onder supervisie aan het werk te mogen. Terecht wil de overheid er zeker van zijn dat medici toegerust zijn voor hun taak. Per geval beslist een commissie van het ministerie over de bevoegdheid, nadat de Stichting Nuffic de diploma's heeft gewogen. Daarnaast wordt de werkervaring getoetst en moet de taalbeheersing voldoende zijn.”

Een veel voorkomend probleem is, zegt Beversluis, dat de nieuwkomers pas met deze zaken beginnen aan het eind van het inburgeringstraject. “Begeleiders zouden nieuwkomers erop moeten wijzen dat ze meteen moeten beginnen met de diploma-erkenning. Dat knelt temeer omdat je zeker geen bevoegdheid krijgt als je langer dan vijf jaar het medische beroep niet hebt uitgevoerd. En er valt een lelijk 'zwart gat' als de hele inburgering is voltooid en dan het wachten op erkenning van de diploma's pas kan beginnen.”

Beversluis: “Zonodig helpen wij bij het vinden van een taalstage waarbij wij samen met de begeleider elk kwartaal een voortgangsgesprek hebben. Gedurende deze periode leert men het jargon en de omgang met patiënten en collega's in Nederland. Er zijn buitenlandse medici die nooit vrouwen hebben behandeld, en sommigen kennen onze 'welvaartziektes' zoals kanker amper. Of ze zijn gewend bij de geringste kwaal medicijnen voor te schrijven.”

Stageplaatsen

Hoe groot de behoefte aan dit project is blijkt uit de vraag naar stageplaatsen: via het ministerie hebben meer dan negentig buitenlandse artsen zich aangemeld. Vanwege de beperkte financiële middelen heeft SIBIO er maar twintig aan een plek kunnen helpen.

“Soms is men erg sceptisch”, zegt Beversluis. “Een huisarts zei onlangs tegen mij: 'Waarom zou ik deze mensen helpen? Ze hebben hun patiënten toch in de steek gelaten?' Misschien is zo'n uitspraak het gevolg van onwetendheid.”

Ondanks zulke voorvallen is ze vol vertrouwen. “Langzaamaan zie je een kentering. Als één collega uit een huisartspraktijk iemand een taalstage laat doen, overwegen de anderen dit later ook. En de ziekenhuizen worden ook toeschietelijker. Zo laat het academisch medisch centrum in Amsterdam als experiment nu zes personen stage lopen.”

Rob Dillmann, arts en secretaris van de KNMG, is zeer te spreken over het initiatief van Sibio. Hij kent de huiver voor de niet-Europese collega's: “Medisch Nederland neemt deze houding aan uit onwetendheid over het opleidingsniveau en de ervaring van medici van buiten de EU; niet zozeer vanwege argwaan. Daarom is het niet eenvoudig taalstageplaatsen voor deze collega's te vinden. Huisartsen en specialisten kunnen de tijd en inspanning die dit vergt, moeilijk opbrengen. En je krijgt er geen enkele vergoeding voor.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden